Uitspraken
Tuchtcollege:
Medici lopen nauwelijks kans om gestraft te worden voor medische fouten. Bijna driekwart van de aangedragen medische tuchtzaken wordt ongegrond of niet ontvankelijk verklaard en in zo’n 10% wordt de behandeling niet voortgezet. Om die reden is een civielrechtelijke zaak en/of strafrechtelijke aangifte aan te bevelen. Tuchtrechters kijken naar het belang van de arts.
Officier van Justitie
In het geval van de medische beroepsuitoefening kan strafbaar gehandeld worden door een arts, waardoor de strafrechter hierover mag oordelen bij strafrechtelijke aangifte. De medewerkers van het Openbaar Ministerie die zich met medische zaken bezighouden worden ondersteund door de twee medewerkers van het Expertisecentrum Medische Zaken. Het Expertisecentrum is gevestigd op het parket Rotterdam en wordt gevormd door M. van Eykelen en N. Eken-de Vos. Het expertisecentrum adviseert en informeert (on)gevraagd, werkt mee aan het opstellen van beleid en voert overleg met externe partners. Naast de tuchtklacht kan dus strafrechtelijke aangifte gedaan worden.
Voorbeeld van een strafrechtelijke veroordeling
30 november 2004 Een voormalig kindercardioloog is door de rechtbank in Utrecht veroordeeld tot anderhalf jaar gevangenisstraf waarvan een half jaar voorwaardelijk. Ook mag hij zes jaar het beroep van arts niet meer uitoefenen. De man krijgt die straf wegens dood door schuld en het bezit van grote hoeveelheden kinderporno. Tegen de arts was drie jaar cel geeïst. Volgens de rechtbank nam de cardioloog onverantwoorde risico's bij de behandeling van een zeven maanden oude baby, die daardoor ruim vier jaar geleden overleed. (ANP)
Tuchtklacht ongegrond, Inspectie greep niet in
Bron: Novum, 5 maart 2011
Een falende vaatchirurg met een alcoholprobleem kon jarenlang ongehinderd zijn gang gaan terwijl de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) op de hoogte was. De vaatarts werd bij ziekenhuizen in Venlo en Winschoten weggestuurd, maar de inspectie nam geen maatregelen tegen hem, meldt het VPRO-onderzoeksprogramma Argos
Een inspecteur van de IGZ vertelt in de uitzending dat er een grondig onderzoek naar de falende arts was gedaan, maar dat een spoedtuchtklacht tegen hem door de baas van de inspectie in 2008 van tafel werd geveegd. Het onderzoek loopt nu nog en de inspecteur die de klacht indiende werd later ontslagen.
Aanhoudingen vanwege uitkerings- en PGB-fraude door psychiaters
21 januari 2011 - Arrondissementsparket Rotterdam
Op last van de officier van justitie zijn dinsdagmorgen vier mannen aangehouden, onder wie twee psychiaters, die ervan verdacht worden betrokken te zijn bij fraude met uitkeringen. De verdachten, in leeftijd variërend van 37 tot 57 jaar, werden aangehouden tijdens een grootschalige actie op diverse plaatsen in het land.
De psychiaters zouden medewerking hebben verleend aan bepaalde medische beoordelingen waardoor mensen onterecht uitkeringen (WAO of WIA) en/of een persoonsgebonden budget (PGB) hebben gekregen. De twee andere mannen zouden een bemiddelende rol hebben gespeeld. De fraude zou in de tientallen miljoenen euro’s kunnen lopen.
Het onderzoek naar de fraude startte ruim een jaar geleden. Het werd uitgevoerd door de Bovenregionale Recherche (BR) van de politiekorpsen Rotterdam-Rijnmond en Zuid-Holland-Zuid en de Sociale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (SIOD). Het staat onder leiding van een Rotterdamse fraude-officier en een officier van het Expertisecentrum Medische Zaken van het Openbaar Ministerie.
Bij de actie dinsdagmorgen waren 140 mensen betrokken, onder wie vier rechters-commissarissen en vijf officieren van justitie. Er werden zoekingen verricht op vijftien locaties. Bij de zoekingen zijn bij de bemiddelaars onder andere twee vuurwapens en meer dan 100.000 euro in beslag genomen. Het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (BOOM) doet strafrechtelijk financieel onderzoek en heeft beslag gelegd op onder andere woningen, sieraden en auto’s.
De bij de uitkeringen betrokken instanties zijn door het OM op de hoogte gebracht. De vier verdachten worden vrijdag voorgeleid aan de rechter-commissaris.
Moeder (29) en baby overleden na de geboorte bij pré-eclampsie.
Maatregel Tuchtcollege: Waarschuwing.
De moeder overleed aan een hersenbloeding (hoge bloeddruk) en
inwendige bloedingen na de bevalling. De baby overleed ten gevolge
van zuurstofgebrek na de bevalling met vacuumpomp.
Klagers stellen dat baby eerder gehaald had moeten worden.
REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE ZWOLLE
Beslissing d.d. 11 augustus 2011 naar aanleiding van de op 12 februari 2010 ingekomen klacht van
A en B, wonende te C,
bijgestaan door mr. T.K.A.B. Eskes, advocaat te Dordrecht,
k l a g e r s
-tegen-
D, gynaecoloog, werkzaam te E,
bijgestaan door mr. O.L. Nunes, advocaat te Utrecht,
v e r w e e r d e r
1. HET VERLOOP VAN DE PROCEDURE
Klagers hebben een klaagschrift ingediend voorzien van bijlagen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend eveneens voorzien van bijlagen. Zij hebben vervolgens gerepliceerd en gedupliceerd. Beiden hebben afgezien van de hun geboden mogelijkheid om te worden gehoord in het kader van het vooronderzoek. Hierna hebben partijen nog aanvullende gegevens overgelegd. Op verzoek van de secretaris is een afschrift van het medisch dossier en beeldvormend materiaal betreffende de dochter van klagers ingezonden. De zaak is behandeld ter openbare zitting van 25 juni 2011, alwaar zijn verschenen partijen met hun gemachtigden. Ter zitting is als deskundige aan de zijde van klager gehoord L.L.H. Peeters, 63 jaar oud, werkzaam als gynaecoloog in Maastricht en Utrecht (hierna: Peeters).
Ter zitting is tevens de klacht behandeld tegen een collega van verweerder. In die zaak wordt heden onder nummer 023/2010 afzonderlijk uitspraak gedaan.
2. DE FEITEN
Op grond van de stukken waaronder het medisch dossier en het verhandelde ter zitting dient, voor zover van belang voor de beoordeling van de klacht, van het volgende te worden uitgegaan.
De klacht heeft betrekking op de behandeling van de dochter van klagers, F, geboren 26 april 1973 (hierna: patiënte).
Patiënte was bijna 36 weken zwanger van haar eerste kind toen zij op 24 augustus 2002 in het ziekenhuis G te E ter observatie werd opgenomen wegens hoge bloeddruk, eiwit in de urine en het zien van vlekjes. Mevrouw H, werkzaam als gynaecoloog, heeft patiënte opgenomen en was daardoor de hoofdbehandelaar van patiënte. Zij is betrokken geweest vanaf de opname tot en met de middag van 30 augustus 2002. Daarna ging zij op vakantie.
In de periode daarna was verweerder bij patiënte betrokken; hij had dienst op 2 en 3 september 2002. Bij opname werd in het medisch dossier een bloeddruk van 145/95 mm Hg genoteerd. De dagen hierna werd, zoals in het dossier vermeld, dagelijks de bloeddruk van patiënte gecontroleerd, bloed- en urineonderzoek verricht en een CTG gemaakt.
Patiënte gaf blijkens het medisch dossier op 25 augustus 2002 pijn aan in haar bovenbuik en kreeg hiervoor eenmalig paracetamol met codeïne (paracod). H beschreef het CTG die dag als ‘fraai acceleratief’ en de gemeten bloeddruk was eenmalig 160/105 mm Hg. Patiënte kreeg naar aanleiding van bloed- en urineonderzoek een waakinfuus, waarop eenmalig 500 ml Elohaes werd toegediend. H noteerde in de status ‘HELLP’ en de verpleegkundige aantekeningen vermelden onder meer: ‘Mw. heeft nu dus een HELLP’.
In de periode van 26 augustus tot en met 30 augustus 2002 had patiënte wisselende tensies, met als hoogste waarde 160/100 mm Hg, gemeten op 26 augustus 2002. In bovengenoemde periode beschreef H in het medisch dossier nagenoeg geen klachten van patiënte.
In het verpleegkundig dossier werd op 28 augustus 2002 bij de dagrapportage genoteerd: ‘mw is vandaag niet helemaal fit, wat maagpijn af en toe, niet die bovenbuikspijn die ze van de week had’. Bij de avondrapportage werd beschreven dat patiënte zeurderige buikpijn had waarvoor paracod werd gegeven. In het verpleegkundig dossier werd de dag hierna (29 augustus 2002) bij de avondrapportage vermeld: ‘ kreeg voor de nacht paracod supp 1000/20 mg, wat last van de bovenbuik’. Op 30 augustus 2002 vermeldde het verpleegkundig dossier: ‘had wat harde buiken, zijn geregistreerd op CTG’. In de middag van 30 augustus 2002 heeft H in verband met haar vakantie de dienst aan een andere gynaecoloog overgedragen.
Op zaterdag 31 augustus 2002 was het eiwitgehalte 8,7 g/l. Door de verpleegkundige werd in de avonddienst een bloeddruk genoteerd van 150/100 mm Hg met daarbij de vermelding dat patiënte pijn had in haar linker bovenbuik: ‘li.bo.buikpijn, maar heeft dit al dagen’.
Op zondag 1 september 2002 gaf patiënte pijn in haar bovenbuik aan. In het medisch dossier werd vermeld: ‘ vannacht pijn bovenbuik gehad, paracod gehad, heel langzaam [gezakt RTG], echter nog steeds iets pijn. CTG optimaal, acceleratief, oed ++, lab hb 8,0 (…)Elohaes iv. (…) , primen 37 weken?’. Het eiwitgehalte was gestegen tot 12,9 g/l. In de avondrapportage van het verpleegkundig dossier werd genoteerd: ‘vage hoofdpijn, paar keer wat flitsen voor de ogen. Mw heeft vage bo.pijn, de hele middag en avond al (…) mw urineert weinig vanaf 12 u, 580 cc, mw heeft zelf het gevoel dat ze vocht vasthoudt’.
Op maandag 2 september 2002 had verweerder dienst. Na patiënte te hebben besproken in het ochtendoverleg van de gynaecologen werd besloten de zwangerschap te beëindigen door middel van primen. Het eiwitgehalte bedroeg 11,68 g/l.
Vanwege een korte afwezigheid van verweerder vanaf 17.00 uur heeft een andere gynaecoloog tijdelijk de dienst overgenomen. Omstreeks 18.00 uur gaf patiënte klachten aan in de bovenbuik. Om 18.00 uur werd een bloeddruk van 200/110 mm Hg gemeten. Verweerder is gebeld. Na een half uur werd een bloeddruk gemeten met een waarde van 170/110 mm Hg. Volgens het verpleegkundig rapport was patiënte toen ‘misselijk en had veel pijn boven in de buik’. De dienstdoende gynaecoloog schreef patiënte Seresta 10 mg voor. Verweerder was om 20.00 uur die avond weer terug en heeft een uur later 50 mg pethidine en 50 mg phenergan voorgeschreven. De bloeddruk was om 20.30 uur 140/100 mm Hg. De baarmoederhals was niet verstreken en er was geen ontsluiting. In het medisch dossier schreef verweerder dat patiënte veel last had van onrust maar niet in partu was.
Op 3 september 2002 noteerde verweerder dat patiënte geen ontsluiting had. De bloeddruk van patiënte was die ochtend 140/80. Om 13.00 uur besloot de gynaecoloog, die de dienst had overgenomen van verweerder, patiënte de volgende dag in te leiden, mede gezien de nu bij patiënte gevonden ‘krap 2 cm ontsluiting’. Inmiddels was het eiwitgehalte gestegen tot 29,11 g/l.
Verweerder is na afloop van zijn dienst om 13.00 uur op 3 september 2002 niet meer betrokken geweest bij de patiënte zodat de periode hierop volgend niet bij de klacht wordt betrokken. Het vervolg is evenwel dramatisch geweest. Patiënte is op 4 september 2002 bevallen van een dochter I. I overleed kort na de geboorte. Patiënte is op 13 september 2002 zelf overleden.
Op 3 januari 2003 heeft een nagesprek plaatsgevonden met de echtgenote van patiënte, verweerder, de gynaecoloog die na verweerder dienst had en de verloskundige. Het gesprek is als volgt genoteerd in de medische status:
‘Nogmaals het hele beloop doorgenomen en uitleg gegeven. Nav gesprek met dr. J (te K) was eerder behandeling met antihypertensiva (achteraf bezien) waarschijnlijk beter geweest. In gyn. Ned nog al wat verschillen in opvatting hieromtrent (…)’.
Op 28 juni 2004 heeft prof. dr. H.H.H. Kanhai in opdracht van de verzekeraar van het ziekenhuis een expertise opgesteld. Dit rapport bevindt zich bij de stukken. Prof. dr. H.H.H. Kanhai plaatst een tweetal kritische kanttekeningen bij het handelen in de periode nadat verweerder de dienst had overgedragen. Hij concludeert echter dat menig gynaecoloog niet anders zou hebben gehandeld.
3. HET STANDPUNT VAN KLAGERS EN DE KLACHT
Klagers verwijten verweerder, zakelijk weergegeven, nog het volgende (klacht 1 is ingetrokken):
· dat de behandeling van patiënte in voornoemde periode niet adequaat is geweest. Klagers stellen zich, onder verwijzing naar een deskundigenrapport van prof. dr. T.K.A.B. Eskes, op het standpunt dat het beleid tijdens de ziekenhuisopname tekort is geschoten door:
- het niet stabiliseren van de situatie van patiënte met magnesiumsulfaat;
- het niet toedienen van bloeddrukverlagende middelen;
- het niet tijdig luisteren naar de signalen van moeder en kind;
- het niet in overleg treden met een gespecialiseerd centrum;
- het niet overdragen van patiënte naar een meer gespecialiseerd centrum.
4. HET STANDPUNT VAN VERWEERDER
Verweerder voert - zakelijk weergegeven - aan dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt treft. Verweerder was op 2 en 3 september 2002betrokken bij de behandeling van patiënte.
Het gevoerde beleid is niet onjuist geweest, hoewel de behandeling van patiënte achteraf bezien op een enkel onderdeel anders had gekund.
5. DE OVERWEGINGEN VAN HET COLLEGE
5.1
Het college wijst er allereerst op, dat het bij de tuchtrechtelijke toetsing van professioneel handelen er niet om gaat of dat handelen beter had gekund, maar om het geven van een antwoord op de vraag of de beroepsbeoefenaar bij het beroepsmatig handelen is gebleven binnen de grenzen van een redelijk bekwame beroepsuitoefening, rekening houdend met de stand van de wetenschap ten tijde van het klachtwaardig geachte handelen en met hetgeen toen in de beroepsgroep ter zake als norm of standaard was aanvaard. In dit geval is dat de stand van de wetenschap in 2002 met de richtlijnen die destijds golden voor de behandeling van (pre-)eclampsie.
5.2
Het gaat in deze zaak om het handelen van verweerder bij een patiënte met zwangerschapsvergiftiging (pre-eclampsie) die bij opname bijna 36 weken zwanger was. Kort nadat patiënte was opgenomen had zij tekenen van het HELLPsyndroom. Weliswaar hebben klagers bij repliek aangevoerd dat het ging om een zeer ernstige vorm met een sterk verhoogd risico op maternale complicaties maar dit vindt geen steun in de feiten. Uitgegaan moet worden van een minder ernstige vorm. In de periode van 26 tot 31 augustus 2002 moet in elk geval uitgegaan worden van een minder ernstige vorm, waarbij in eerste instantie observatie past teneinde de ernst en eventuele progressie te beoordelen.
5.3
Beoordeeld moet worden of verweerder naar de stand van de wetenschap rond augustus/september 2002 en overeenkomstig hetgeen toen in de beroepsgroep als norm of standaard was aanvaard, als een redelijk handelend en redelijk bekwaam gynaecoloog heeft gehandeld. In zoverre komt aan het deskundigenrapport van prof. dr. T.K.A.B. Eskes maar beperkte betekenis toe omdat deze uitgaat van de nadien geldende inzichten die op cruciale onderdelen nogal afwijken van hetgeen gebruikelijk was in augustus 2002. In augustus 2002 gold voor
(pre-)eclampsie en HELLPsyndroom bij een zwangerschap van meer dan 32 weken de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) van augustus 1997. Praktijk in die dagen was dat gynaecologen zo mogelijk tot aan de à terme periode een afwachtend beleid voerden, mits de maternale situatie stabiel bleef. Zolang de diastolische bloeddruk onder de 110 mm Hg bleef, werd ten aanzien van de bloeddruk in beginsel geen medicamenteuze behandeling ingezet. Verder diende pas bij een dreigend insult magnesiumsulfaat te worden toegediend. De in de beroepsgroep destijds gangbare terughoudende opstelling - zeker in een perifeer ziekenhuis als het onderhavige - is onderschreven in het rapport van L en door de ter zitting gehoorde partijdeskundige Peeters.
5.4
Hoewel in juni 2002 de resultaten van de zogenoemde Magpie Trial in The Lancet (vol. 359 van 1 juni 2002, bijlage bij dupliek) al werden gepubliceerd, was het zeker niet zo dat die bevindingen korte tijd daarna al gemeengoed waren in de beroepsgroep. Pas veel later (2005) heeft de beroepsgroep op de voet van die bevindingen tot een actiever beleid besloten bij
eclampsie. Aan verweerder kan niet worden verweten in september 2002 onkundig te zijn geweest van de Magpie Trial, of dat hij zijn beleid daarop niet heeft aangepast. Het voorgaande brengt mee dat het rapport van prof. dr. T.K.A.B. Eskes uitgaat van een onjuiste maatstaf en het college er nagenoeg geen acht op zal slaan. De bezwaren van verweerder tegen dit rapport en tegen het gebrek aan recente ervaring van prof. dr. T.K.A.B. Eskes behoeven daarom geen bespreking.
5.5
Verder wijst het college erop dat de afloop van het gebeuren buitengewoon tragisch is maar dat de toetsing van het handelen van verweerder moet plaatsvinden in het licht van wat hem op het moment dat hij verantwoordelijk was voor patiënte bekend was en bekend kon zijn. Daarbij kan in het midden blijven of verweerder na het vertrek van H hoofdbehandelaar is geworden van patiënte, ook na afloop van zijn dienst op 3 september 2002 om 13.00 uur. Immers, ook indien dat het geval zou zijn, toetst het college het persoonlijk handelen van verweerder slechts op de momenten dat hij rechtstreeks verantwoordelijk was voor patiënte, dat wil zeggen tijdens zijn eigen diensten. Het college wijst in dit verband op dat het, anders dan de deskundigenprof. dr. T.K.A.B. Eskesen prof. dr. H.H.H. Kanhai, geen oordeel geeft over het gehele traject omdat alleen het handelen van de twee aangeklaagde gynaecologen ter beoordeling voorligt.
5.6
Over het handelen van verweerder oordeelt het college als volgt. In het weekend van 31 augustus en 1 september 2002 dat voorafging aan de dienst van verweerder, was het beeld bij patiënte gewijzigd. Het eiwitgehalte liep op tot 12,9 g/l, de oedeemverschijnselen namen toe en patiënte klaagde over aanhoudende pijn in de bovenbuik, hoofdpijn en vlekjes zien. Het CTG was wel optimaal.
5.7
Verweerder besluit in de ochtend van 2 september 2002 na overleg met de aanwezige maatschapsleden te beginnen met primen. Het college acht dat op dat moment een adequate keuze. Een keizersnede was op dat moment niet geïndiceerd. Op basis van de toen geldende richtlijnen werd een primaire sectio caesarea alleen op indicatie van foetale nood verricht. Die indicatie was er op dat moment niet. Evenmin was er volgens de richtlijnen op dat moment aanleiding om de bloeddruk met antihypertensiva te behandelen of magnesiumsulfaat toe te dienen. Omdat het op dat moment nog ging om een minder ernstige vorm, was er toen - en evenmin eerder - een aanknopingspunt patiënte te laten behandelen in een perinatologisch centrum. Aan klagers kan worden toegegeven dat verweerder met een dergelijk centrum contact had kunnen opnemen voor overleg, maar daartoe bestond geen verplichting. In zoverre falen de klachten.
5.8
In de vroege avond wordt dan bij herhaling een hoge bloeddruk gemeten. De diastolische bloeddruk is tot twee keer toe 110 mm Hg. De geldende richtlijn schrijft bij een persisterende diastolische bloeddruk van > 110 mm Hg medicamenteuze behandeling voor. Later in de avond zakt de bloeddruk tot onder 110 mm Hg zodat het in de zoverre geen persisterend beeld lijkt te zijn. Verweerder heeft de verhoogde bloeddruk in eerste instantie toegeschreven aan patiëntes onrust. Verweerder heeft daarop zijn beleid gebaseerd en patiënte pethidine/phenergan toegediend. De volgende ochtend constateerde verweerder nog geen ontsluiting.
5.9
Het college is van oordeel dat verweerder de symptomen van patiënte onvoldoende zorgvuldig heeft geïnterpreteerd. De hoge bloeddruk en het oplopend eiwitverlies via de urine, in combinatie met de klachten van zondag 1 september en van de avond van 2 september 2002 hadden verweerder op het spoor moeten zetten van verergering van de pre-eclampsie. De interpretatie van verweerder dat patiënte onrustig was, althans gelet op de onrust en contracties in partu geraakte vond geen steun in het stadium van ontsluiting. Op de avond van 2 september 2002 en evenmin op de ochtend van 3 september 2002 heeft verweerder enige ontsluiting geconstateerd. Ook de baarmoedermondhals was nog stug. De hoge bloeddruk kon hij daarom niet zonder meer toeschrijven aan patiëntes onrust of een beginnende partus. Overigens betrekt het college bij zijn oordeel niet dat het eiwitgehalte op 3 september 2002 29,11 g/l bedroeg. Niet gebleken en ook onwaarschijnlijk is dat verweerder dit vóór afloop van zijn dienst daadwerkelijk wist.
5.10
Waar verweerder, door te besluiten tot inleiding, actief en adequaat heeft gehandeld op de ochtend van maandag 2 september 2002, heeft hij op de avond van dezelfde dag een steek laten vallen. Op dit onderdeel is de klacht gegrond. Het college merkt hierbij uitdrukkelijk op dat het college geen uitspraak doet over de gevolgen die het achterwege laten van verdere actie door verweerder voor het verdere beloop heeft gehad. Daarmee bedoelt het college dat de vraag of patiënte en haar dochter door de fout van verweerder zijn overleden en het anders zouden hebben overleefd, niet aan het college is om te beantwoorden. Het college merkt hierbij op dat nadat verweerder de dienst op dinsdag 3 september 2002 rond 13.00 uur had overgedragen, nog heel wat is voorgevallen. Uit hetgeen bij 5.5 is overwogen volgt dat in het bijzonder het einde van de opname niet ter beoordeling voorligt.
5.11
Klagers hebben nog aangevoerd dat "de behandelende gynaecologen" niet hebben geluisterd naar patiënte, haar echtgenoot en haar ouders. Volgens klagers hebben zij herhaaldelijk en uitdrukkelijk verzocht om een eerdere beëindiging van de zwangerschap. Ter zitting hebben verweerder en H verklaard een dergelijk verzoek niet te hebben vernomen. Het verpleegkundig dossier is zeer uitvoerig en gedetailleerd. De contacten met de familie zijn genoteerd. In het dossier komt het verzoek van patiënte noch van haar echtgenoot of ouders echter voor. Indien juist is wat klagers aanvoeren, acht het college het zeer waarschijnlijk dat daarvan op enig moment een notitie in het verpleegkundig dossier zou zijn gemaakt. Nu dit niet is gebeurd, acht het college het niet aannemelijk dat de verzoeken zoals gesteld door klagers zijn gedaan. Aan een beoordeling van dit klachtonderdeel komt het college dan ook niet toe.
5.12
Omdat de verweerder in de avond van 2 september 2002 niet overeenkomstig een redelijk handelend en redelijk bekwaam gynaecoloog heeft gehandeld, volgt een maatregel. Het college acht een waarschuwing passend.
6. DE BESLISSING
Het college waarschuwt verweerder.
Aldus gedaan in raadkamer door mr. drs. Th.C.M. Willemse, voorzitter, mr. A.L. Smit, lid-jurist, en dr. A. Huisman, dr. R.H. Boerman en S. Tiemersma, leden-geneeskundigen, in tegenwoordigheid van mr. G.E. Bart, secretaris, en uitgesproken in het openbaar op
11 augustus 2011 door mr. A.L. Smit, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H. van der Poel-Berkovits, secretaris.
voorzitter
secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voor zover de klacht is afgewezen, of voor zover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Zwolle, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.
Psychiaters vast voor miljoenenfraude uitkeringen
Bron: Novum, 21 januari 2011
De politie heeft deze week vier mannen opgepakt op verdenking van uitkeringsfraude. De schade loopt in de tientallen miljoenen. Twee van hen zijn psychiaters.
De politie heeft deze week vier mannen in de leeftijd van 37 tot 57 jaar opgepakt op verdenking van uitkeringsfraude. De schade loopt volgens het Openbaar Ministerie in Rotterdam in de tientallen miljoenen.
Twee van de mannen die vastzitten zijn psychiaters. Ze zouden medewerking hebben verleend aan medische beoordelingen waardoor mensen onterecht een uitkering of persoonsgebonden budget (PGB) hebben ontvangen. De andere twee mannen hebben volgens het OM een 'bemiddelende rol' gespeeld.
Het onderzoek naar de fraude begon ruim een jaar geleden. Dinsdag werden op vijftien plekken zoekingen verricht. De politie stuitte in de woningen van de verdachten onder meer op twee vuurwapens en ruim een ton aan contanten. Ook is beslag gelegd op woningen, sieraden en auto's.
De vier worden vrijdag voorgeleid aan de rechter-commissaris.
Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport Marlies Veldhuijzen van Zanten (CDA) reageert bezorgd. Een dergelijke fraude tast volgens haar de wortels van het PGB-beleid aan, vooral omdat er kennelijk geregistreerde artsen bij zijn betrokken.
Signalen over de fraudegevoeligheid van het PGB-systeem zijn al langer bij het ministerie bekend, dat 'verdergaande' maatregelen in voorbereiding heeft. In het eerste kwartaal worden de voorstellen gepresenteerd. In deze fraudezaak heeft VWS in een vroegtijdig stadium samengewerkt met OM, de zorgverzekeraars en zorgkantoren.
Waarschuwing bij suicide van echtgenote van huisarts, die doodswens van echtgenote respecteerde en niet ingreep bij wegnemen van dodelijke middelen uit de praktijk
Arts of echtgenoot bij suïcide?
Publicatie
|
Medisch Contact Nr. 14 - 08 april 2010
|
 |
 |
 |
 |
Auteur
|
mr. W.P. Rijksen
|
 |
 |
Ook een arts kan een echtgenote hebben die suïcidaal is. En wat doe je dan, als je haar al zeven keer hebt ‘gered’, en zij je dat kwalijk heeft genomen? Je ben niet haar behandelaar, maar hebt wel de medicatie in huis (morfinepleisters in dit geval) waarmee zij suïcide kan plegen.
Op het moment dat zijn vrouw in overspannen toestand en met onbekende bestemming op een avond vertrok, trok een apotheekhoudend huisarts niet aan de bel. Toen hij de volgende dag merkte dat zijn medicijnkluis was gekraakt en dat morfinemedicatie was verdwenen, ging hij er onmiddellijk vanuit dat dit het werk van zijn echtgenote was. De doodswens van zijn vrouw eerbiedigend, wachtte hij nog een paar uur voordat hij ‘s avonds de politie informeerde.
Dat wachten leverde hem uiteindelijk een waarschuwing van het Centraal Tuchtcollege op. Iets waar het regionaal tuchtcollege geen grond voor zag, ook al omdat ‘... hij aan zijn kinderen verantwoording zal hebben af te leggen’. Deze keer was de suïcidepoging immers geslaagd. Ook al vinden beide colleges de handelswijze van de arts niet echt laakbaar, toch is deze casus het zoveelste voorbeeld uit de tuchtrechtspraak dat laat zien dat de rol van arts en die van partner zich nauwelijks laten verenigen.
B.V.M.Crul, arts
mr. W.P. Rijksen
Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg d.d. 17 december 2009
(…) = ingekort door redactie MC
Beslissing in de zaak van A, (apotheekhoudend) huisarts, wonende en werkende te B, appellant,verweerder in eerste aanleg, gemachtigde mr. L. Fedder, als juriste verbonden aan Stichting Rechtsbijstand Gezondheidszorg te Utrecht, tegen 1. C, 2. D, echtelieden, 3. E, wonende respectievelijk te F (klagers sub.1 en 2) en G (klager sub.3), verweerders in hoger beroep, klagers in eerste aanleg, gemachtigde mr. I.M. van den Heuvel, advocaat te Roosendaal.
1. Verloop van de procedure
C, D en E – hierna te noemen klagers –
hebben op 29 oktober 2007 bij het regionaal tuchtcollege te Eindhoven tegen apotheekhoudend huisarts A – hierna te noemen de arts – een klacht ingediend. Bij beslissing van 22 oktober 2008 heeft dat college de klacht gegrond verklaard zonder de oplegging van een maatregel.
(…)
2. Beslissing in eerste aanleg
2.1 De in eerste aanleg vastgestelde feiten.
‘2. De feiten
Klagers zijn de ouders, respectievelijk broer van H, geboren op 13 april 1969 en overleden tussen woensdagavond 5 april 2006 en vrijdagavond 7 april 2006, in leven echtgenote van verweerder, hierna ook te noemen: H.
Verweerder en H zijn in december 1992 met elkaar gehuwd. Op vrijdagavond 7 april 2006 is zij door haar broer (klager) en diens echtgenote dood aangetroffen in haar ouderlijke woning, kennelijk ten gevolge van een via morfinepleisters zichzelf toegediende overdosis morfine. Daaraan ging het navolgende vooraf. Op woensdagavond 5 april 2006 omstreeks 21.00 uur heeft H in overspannen toestand en met onbekende bestemming de echtelijke woning verlaten. Zij is die nacht niet thuis gekomen. Op donderdagmiddag 6 april 2006 ontdekte verweerder, die apotheekhoudend huisarts is en zijn praktijk aan huis heeft, dat de kluis waarin hij zware medicatie, waaronder morfine(pleisters) bewaarde, was opengebroken, kennelijk met een bijl. Verweerder constateerde dat er (morfine)medicatie verdwenen was. Hij ging er onmiddellijk vanuit dat dit het werk van zijn echtgenote was, omdat dit al vaker was gebeurd. Gelet op zijn ervaringen met zijn echtgenote in het verleden, besefte hij dat zij op dat moment wellicht niet meer in leven zou zijn. Die avond heeft verweerder de politie telefonisch geïnformeerd. De politie heeft hem geadviseerd bij familie en kennissen navraag te doen. Verweerder heeft de volgende dag, vrijdag 7 april 2006, de broer van zijn echtgenote (klager) telefonisch over een en ander geïnformeerd.
Verweerder was niet de huisarts van zijn echtgenote. Wel leverde hij als apotheekhoudend huisarts de door haar huisarts voorgeschreven medicatie.’
2.2 De in eerste aanleg ingediende klacht en het daartegen gevoerde verweer houden het volgende in.
‘3. Het standpunt van klagers en de klacht
Klagers dienen de klacht in als naaste betrekkingen van H. De klacht betreft het niet, dan wel onvoldoende verlenen van bijstand door verweerder aan H, die voor haar overlijden en meer specifiek vanaf 5 april 2006 zijn bijstand zeer dringend behoefde. Het is de laatste jaren bij H enkele malen tot een suïcidepoging gekomen. Verweerder is van de miserabele toestand van H op de hoogte geweest; op hem rustte aldus een zorgplicht om attent te zijn op signalen en op situaties waarin het gevaar van ernstige ongelukken en suïcidepogingen zich (weer) voor zouden doen.
Tegenover de politie heeft verweerder verklaard dat H de woning in overspannen toestand had verlaten. Alleen al door die eigen verklaring van verweerder staat vast dat hij wist dat er ernstig gevaar dreigde en dat de toestand, gelet op het verleden van H, wellicht al kritiek was. Niettemin heeft verweerder niet onmiddellijk actie ondernomen, op zijn minst door de politie en de familie van H te waarschuwen. De politie is eerst donderdagavond, omstreeks 22.45 uur, benaderd. Verweerder heeft een onverantwoord afwachtende houding aangenomen.
Verweerder was ervan op de hoogte dat H bij een eerdere gelegenheid al eens morfinepleisters had meegenomen en gebruikt, toen zonder noodlottige afloop.
4. Het standpunt van verweerder
(…)
Bovendien is verweerder uitsluitend als echtgenoot opgetreden en niet in zijn hoedanigheid van behandelend arts. Zijn handelen valt daarom niet binnen de reikwijdte van het tuchtrecht. (…)
Het overlijden van de echtgenote van verweerder kan niet los gezien worden van het psychiatrisch ziektebeeld, waaraan zij jarenlang leed. Verweerder had van zijn echtgenote vaker gelijksoortige situaties meegemaakt. Met name had zij vaker met onbekende bestemming de echtelijke woning verlaten; zij keerde telkens na enige tijd weer terug.
Verweerder heeft als echtgenoot zijn uiterste best gedaan zijn echtgenote in haar ziekte zo goed mogelijk bij te staan. Zij stond onder behandeling van haar huisarts en met name haar psychiater en psychotherapeut.
Tot zeven keer toe is verweerder, na een door zijn echtgenote ondernomen suïcidepoging met uit zijn praktijk ontvreemde medicijnen, met zijn echtgenote naar het ziekenhuis gereden. Dat is ook zo gebeurd in november 2005; zij had toen vijf morfinepleisters gebruikt, welke dosis dodelijk geweest zou zijn als verweerder niet met haar naar het ziekenhuis was gereden. Achteraf heeft zijn echtgenote hem kwalijk genomen dat hij haar van de dood had gered.
Aan de hand van deze ervaring wist de echtgenote, dat de door haar meegenomen pleisters (met een zwaarte van 75 mg) dodelijk voor haar zouden zijn. Zij heeft ervoor gezorgd dat zij onvindbaar was.
Ook als apotheker heeft verweerder naar zijn mening niet tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.’
2.3 Het regionaal tuchtcollege heeft aan zijn voormelde beslissing de volgende overwegingen ten grondslag gelegd.
‘5. De overwegingen van het college
(…) Voorts overweegt het college dat verweerder niet (uitsluitend) als echtgenoot heeft gehandeld. Verweerder heeft immers ook gehandeld als apotheekhoudend huisarts. Als zodanig was hij, ook ten opzichte van zijn echtgenote, aan wie hij de door haar huisarts voorgeschreven medicatie leverde, gehouden ervoor te zorgen dat de (zware) medicatie op een veilige plek werd bewaard. Voorts heeft hij als apotheekhoudend huisarts een zorgplicht in geval van ontdekking van het wegnemen van zware medicatie, bij gebruik waarvan de gevolgen zeer ernstig kunnen zijn.
In zoverre is het handelen van verweerder voor de tuchtrechter ter beoordeling. Niet is komen vast te staan dat verweerder terzake van het bewaren van de medicatie enig verwijt treft. Hij had, naar aanleiding van een aantal voorvallen waarbij zijn echtgenote medicatie had weggenomen, voor het veilig bewaren en bewaken van zware medicatie gezorgd voor een los in een kast staande kluis, die was afgesloten en waarvan de sleutel op een voor de echtgenote van verweerder onbekende plek werd bewaard. Verweerder heeft hiermee voldoende aan zijn zorgplicht ten aanzien van het bewaren van zware medicatie voldaan. Hij heeft niet in strijd met enige voor het bewaren van zware medicatie geldende regel gehandeld. Als van een – gelet op de ervaringen met zijn echtgenote – verzwaarde zorgplicht sprake was, heeft hij daaraan in voldoende mate voldaan. Hij kon niet voorzien dat de kluis, (met een bijl), zou worden opengebroken.
Het handelen van verweerder als apotheekhoudend huisarts is voorts met name tuchtrechtelijk toetsbaar vanaf het moment dat hij ontdekt dat zware medicatie, waaronder morfine, is weggenomen uit de opengebroken kluis. Een apotheekhoudend huisarts die iets dergelijks overkomt, kan niet volstaan met het aannemen van een afwachtende houding. In dit geval was dat niet anders. Al wat verweerder hier tegen aanvoert, snijdt geen hout. Hij had moeten handelen in plaats van, tot ’s avonds vrij laat, afwachten. Dat het hier zijn echtgenote betrof, maakt dit oordeel niet anders en de wetenschap dat zijn echtgenote suïcidaal was maakt zijn zorgplicht nog zwaarder. Verweerder had onmiddellijk actie moeten ondernemen. Hij mag dan als echtgenoot menen dat hij, door (enige tijd) stil te zitten, handelt in overeenstemming met de (suïcide)wens van zijn echtgenote, maar dat doet niet af aan zijn verplichting om te handelen in overeenstemming met de in artikel 47 van de Wet BIG omschreven tuchtnormen. Hij had als arts de verplichting om al het mogelijke te doen om te voorkomen dat met gebruikmaking van de ontvreemde medicatie, voor hem niet onverwacht, een suïcidepoging zou worden gedaan. Van deze mogelijkheden heeft hij te laat gebruik gemaakt.
Het feit dat verweerder tot ’s avonds laat heeft gewacht met het ondernemen van enige actie, valt hem tuchtrechtelijk aan te rekenen. Als arts had hij niet mogen laten gebeuren, wat is gebeurd. In zoverre is de klacht gegrond.
Het college heeft zich uitvoerig beraden over het opleggen van een maatregel. Het betreft een lastige materie, gelet op de verwevenheid van de hoedanigheden van apotheekhoudend huisarts en echtgenoot in de persoon van verweerder. Verweerder stelt dat hij als echtgenoot telkens weer werd geconfronteerd met, steeds serieuzer wordende, suïcidepogingen met behulp van medicatie. Er was, volgens verweerder, een steeds dringender wens tot sterven en er was tevens een wens dat in voorkomend geval verweerder geen contact zou opnemen met de familie van zijn echtgenote. Uit het feit dat zijn echtgenote zich onvindbaar hield, leidde hij af dat zij, zoals zij bij de voorgaande poging had gezegd, een reddingspoging evenmin wenste.
Het college kan zich geen oordeel vormen over de – door klagers ten stelligste betwiste – door verweerder geschetste motieven voor zijn handelen. Niet is onaannemelijk dat het is zoals verweerder zegt. In ieder geval is voor het college kwade opzet niet komen vast te staan, zodat het college van zijn goede trouw zal uitgaan. De juistheid van de door verweerder gestelde achterliggende motieven kan de gegrondheid van de klacht niet wegnemen, maar leidt er wel toe dat het college, na ampel beraad, van oordeel is dat aan verweerder, die ook aan zijn kinderen verantwoording zal hebben af te leggen, geen maatregel dient te worden opgelegd.’
3. Vaststaande feiten en omstandigheden
Het Centraal Tuchtcollege gaat voor de beoordeling van het hoger beroep uit van de feiten en de omstandigheden zoals zijn vastgesteld door het regionaal tuchtcollege en hierboven onder 2.1 staan weergegeven.
4. Beoordeling van het hoger beroep
Procedure
4.1-2 (…)
De ontvankelijkheid.
4.3 (…).
4.4 Ten aanzien van de vraag of de arts terzake van zijn handelen onder het tuchtrecht valt, verenigt het Centraal Tuchtcollege zich met hetgeen daarover door het regionaal tuchtcollege gesteld is. De arts heeft niet alleen als echtgenoot gehandeld, maar ook als apotheekhoudend huisarts. Als zodanig was hij, ook ten opzichte van zijn echtgenote, aan wie hij de door haar huisarts voorgeschreven medicatie leverde, gehouden ervoor te zorgen dat de (zware) medicatie op een veilige plek werd bewaard. Voorts had hij als apotheekhoudend huisarts een zorgplicht in geval van ontdekking van het wegnemen van zware medicatie, omdat bij onoordeelkundig gebruik de gevolgen zeer ernstig kunnen zijn.
4.5 De arts betwist verder de ontvankelijkheid van klagers met als argument dat – gelet op het feit dat zijn echtgenote niet gered wenste te worden – haar instemming met indiening van de klacht niet verondersteld kan worden. (…) Ten aanzien van de vraag of een weigering in een situatie als deze niet verondersteld zou kunnen worden, is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat met het aannemen daarvan grote terughoudendheid moet worden betracht. Voorkomen moet worden dat nabestaanden in een geval van suïcide het handelen van een daarbij betrokken beroepsbeoefenaar niet meer aan tuchtrechtelijke toetsing zouden kunnen onderwerpen. Tegen die achtergrond acht het college klagers ontvankelijk in hun klacht, dit temeer nu gelet op de geestesgesteldheid van klaagster haar wil terzake niet onomstotelijk vast staat.
Beoordeling
4.6 Met het regionaal tuchtcollege is het Centraal Tuchtcollege van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de arts terzake van het bewaren van de medicatie enig verwijt treft. Hij heeft voldoende aan zijn zorgplicht ten aanzien van het bewaren van zware medicatie voldaan en ook niet in strijd met enige hiervoor geldende regel gehandeld. Voorts is het Centraal Tuchtcollege met het regionaal tuchtcollege van oordeel dat indien de apotheekhoudende huisarts ontdekt dat zware medicatie, waaronder morfine, is weggenomen uit zijn opengebroken kluis, hij niet kan volstaan met een afwachtende houding, maar onmiddellijk actie moet ondernemen. Het Centraal Tuchtcollege verenigt zich met deze overwegingen van het regionaal tuchtcollege en maakt deze tot de zijne. Dit echter met dien verstande dat daar waar in de tekst staat ‘arts’ moet worden gelezen ‘apotheekhoudend huisarts’.
4.7. De overwegingen van het regionaal tuchtcollege om geen maatregel op te leggen (zoals weergegeven in de twee laatste alinea’s), deelt het Centraal Tuchtcollege echter niet.
De door de arts geschetste motieven voor zijn (niet-) handelen en de gestelde wensen van zijn echtgenote met betrekking tot de suïcide, laten onverlet dat de arts onmiddellijk de politie had moeten informeren over de ontvreemde medicatie. Dat hij dat niet heeft gedaan, acht het Centraal Tuchtcollege tuchtrechtelijk verwijtbaar.
4.8. Het Centraal Tuchtcollege acht, gelet op het bovenstaande, de maatregel van waarschuwing passend en geboden. Het Centraal Tuchtcollege beoogt daarmee de arts een zakelijke terechtwijzing te geven die de onjuistheid van zijn handelswijze naar voren brengt zonder daarop een stempel van laakbaarheid te drukken (…).
5. Beslissing
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg:
- vernietigt de beslissing waarvan hoger beroep wat betreft de twee laatste alinea’s en het niet opleggen van een maatregel;
en in zoverre opnieuw rechtdoende:
- legt de arts de maatregel van waarschuwing op; (…).
Deze beslissing is gegeven in raadkamer door mr. E.J. van Sandick, voorzitter; mr. W.P.C.M. Bruinsma en prof. mr. J.K.M. Gevers, leden-juristen; drs. H.J. Blok en drs. M.A.P.E. Bulder-van Beers, leden-beroepsgenoten; mr. H.J. Lutgert, secretaris en uitgesproken ter openbare zitting van 17 december 2009, door mr. A.H.A. Scholten, in tegenwoordigheid van de secretaris.
Tweede Kamer der Staten-Generaal 2
Vergaderjaar 2008–2009 Aanhangsel van de Handelingen
Vragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de
regering gegeven antwoorden
KVR37209
2009Z10993
0809tkkvr3490
ISSN 0921 - 7398
Sdu Uitgevers ’s-Gravenhage 2009 Tweede Kamer, vergaderjaar 2008–2009, Aanhangsel 7351
3490
Vragen van de leden Van Gerven en Gerkens (beiden SP) aan de
ministers van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport en van Justitie over het melden van niet-natuurlijke dood
door ziekenhuizen. (Ingezonden
11 juni 2009)
1
Wat is uw reactie op de TV-uitzending waarin de landelijk coordinerend
medisch officier van justitie
ziekenhuizen verwijt dat zij ten
onrechte slechts 100 gevallen van
niet-natuurlijke dood melden, terwijl
er elk jaar 1735 vermijdbare
sterfgevallen zijn?1
2
Onderschrijft u deze zienswijze? Zo
nee, waarom niet?
3
Kunt u duiden wanneer ziekenhuizen
niet-natuurlijke sterfgevallen moeten
melden? Vallen sterfgevallen ten
gevolge van onbedoelde vermijdbare
medische fouten daar ook onder? Zo
nee, waarom niet?
4
Hoe voorkomt u dat, als u de
zienswijze van het Openbaar
Ministerie volgt, het uitgangspunt dat artsen en andere hulpverleners veilig medische missers moeten kunnen melden waarbij de melding op zich geen basis voor vervolging mag zijn, wordt aangetast?
5
Wat is de reden van het verschil in
zienswijze tussen de overkoepelende artsenorganisatie KNMG en het Openbaar Ministerie? Was u op de hoogte van dit verschil in zienswijze?
Zo nee, hoe is dit mogelijk? Zo ja, wat heeft u ondernomen om tot een
eenduidige interpretatie van de wet te komen?
6
Heeft het Openbaar Ministerie
voldoende expertise en menskracht
(kwalitatief en kwantitatief) om al
deze gevallen te beoordelen en zo
nodig tot vervolging over te gaan?
Zo, ja, kunt u dit toelichten? Zo nee,
wat gaat u doen om deze tekorten
weg te werken?
7
Wat is de gemiddelde doorlooptijd
tussen het melden van medische
missers met fatale afloop bij het
Openbaar Ministerie, en de beslissing
om al dan niet tot vervolging over te
gaan? Vindt u deze doorlooptijd
aanvaardbaar?
8
Is de waarheidsvinding voor
nabestaanden bij medische missers
thans maximaal geborgd?
9
Wat gaat u ondernemen om tot een
eenduidige interpretatie van de wet te
komen waarbij waarheidsvinding
voor nabestaanden maximaal wordt
geborgd?
1 NOVA, 6 juni 2009.
|
Antwoord
Antwoord van minister Klink
(Volksgezondheid, Welzijn en Sport),
mede namens de minister van
Justitie (ontvangen 19 augustus 2009)
1 en 2
De behandelend arts die er niet van
overtuigd is dat de dood is
ingetreden ten gevolge van een
natuurlijke oorzaak mag geen
verklaring van natuurlijk overlijden
afgeven en moet dit melden aan de
lijkschouwer. Als ook de lijkschouwer
om deze reden meent geen verklaring
van natuurlijk overlijden te kunnen
afgeven, brengt hij daarvan verslag
uit aan de officier van Justitie. Deze
kan een onderzoek instellen indien
het vermoeden bestaat dat sprake is
van een strafbaar feit.
De grote discrepantie tussen het
aantal meldingen en het aantal
vermijdbare sterfgevallen dat in het
dossieronderzoek van het
EMGO/Nivel is gevonden doetvermoeden dat hier sprake is van
ondermelden door artsen.
3
Behandelend artsen dienen alle
gevallen van overlijden te melden,
waarin zij er niet van overtuigd zijn
dat de dood is ingetreden ten gevolge
van een natuurlijke oorzaak. Van een
natuurlijke doodsoorzaak is sprake als
een pati?nt anders dan door
ouderdom, een spontane ziekte of
een complicatie bij een juist
uitgevoerde medische behandeling is
overleden. In andere gevallen is er
zogeheten twijfel aan de
natuurlijkheid van de dood en wordt
de doodsoorzaak als niet-natuurlijk
aangemerkt. Onder de niet-natuurlijke
doodsoorzaak valt ook het overlijden
ten gevolge van onbedoelde
vermijdbare medische fouten.
4
Bij de beantwoording van de vraag
moet onderscheid worden gemaakt
tussen de verschillende
meldingssystemen.
Incidenten moeten altijd intern
worden gemeld via het systeem
Veilig Incident Melden (VIM). Dit staat
los van de meldingsprocedure als
beschreven in het antwoord op de
vragen 1,2 en 3. Het VIM is een
instrument dat bedoeld is om intern
incidenten te analyseren en
verbeteringen aan te brengen. Dit
instrument is er met name op gericht
om veel voorkomende incidenten of
bijna-incidenten aan het licht te
brengen en processen zo in te richten
dat deze incidenten niet meer
voorkomen.
Als sprake is van een calamiteit gaat
er ook altijd een melding naar de
Inspectie voor de Gezondheidszorg
(IGZ) in het kader van de
Kwaliteitswet. Als het gaat om een
calamiteit die tegelijk een
niet-natuurlijk sterfgeval betreft, dient
via de gemeentelijk lijkschouwer ook
het Openbaar Ministerie (OM) in
kennis te worden gesteld.
Het melden van incidenten binnen
VIM geeft de melder overigens geen
strafrechtelijke immuniteit. Het OM
heeft op grond van het Wetboek van
Strafvordering de bevoegdheid
gegevens uit het VIM-systeem te
vorderen. Het OM maakt echter alleen
in bijzondere situaties van die
bevoegdheid gebruik, gewoonlijk
door tussenkomst van de
rechter-commissaris. Het kan hierbij
bijvoorbeeld gaan om gevallen
waarin de medische dossiervoering
onvolledig of inadequaat is en waarin
het OM de informatie niet op andere
wijze kan verkrijgen.
|
5
De Koninklijke Nederlandse
Maatschappij tot bevordering van de
Geneeskunst (KNMG) geeft aan dat
over de definitie van (niet-)natuurlijk
overlijden geen verschil van mening
blijkt te bestaan tussen de KNMG en
het OM. De KNMG heeft na de
uitzending de definitie uit de
KNMG-handreiking lijkschouwing
voor artsen op de website van Nova
geplaatst. De KNMG heeft wel willen
benadrukken dat het OM naar hun
mening alleen bij verwijtbaar
handelen en ernstige gevallen zou
moeten overgaan tot vervolging.
De KNMG verwacht dat de nieuwe
richtlijn lijkschouw, die begin volgend
jaar zal verschijnen, nog meer
duidelijkheid biedt over welke
procedures gevolgd moeten worden
en in welke gevallen een gemeentelijk
lijkschouwer ingeschakeld moet
worden. Deze richtlijn zal door het
Nederlands Huisartsen Genootschap
in samenspraak met de Orde van
Medisch Specialisten, het Forensisch
Medisch Genootschap en de KNMG
worden opgesteld. De Minister van
Justitie zal dit onderwerp bespreken
met het College van
Procureurs-Generaal.
6
Bij de regioparketten is expertise en
capaciteit aanwezig in de persoon
van een medisch officier van justitie.
Daarnaast wordt binnen het OM
blijvend gewerkt aan vergroting van
de kennis op dit gebied door het
geven van cursussen over
(niet-)natuurlijke dood aan alle
officieren van Justitie. Mocht het
aantal te beoordelen meldingen in de
toekomst flink stijgen dan zal worden
bezien of de bestaande capaciteit
voldoende is.
7
In het bedrijfsprocessensysteem van
het OM, Compas, worden strafzaken
die betrekking hebben op incidenten
in de medische zorg niet apart
geregistreerd. Het is daarom niet
mogelijk een gemiddelde
doorlooptijd van deze zaken te
berekenen. In de opvolger van
Compas zullen medische strafzaken
wel apart worden geregistreerd.
8 en 9
De waarheidsvinding voor
nabestaanden is op dit moment niet
onbeperkt. Indien de pati?nt is
overleden blijft het medisch
beroepsgeheim namelijk in beginsel
van kracht. Hoewel de zorgaanbieder
niet verplicht is om openheid van
zaken te geven, menen wij dat dit
doorgaans wel wenselijk is. Ook uit
de jurisprudentie volgt dat medische
gegevens aan nabestaanden verstrekt
kunnen worden, als zij in hun
rechtmatige belangen worden
geschaad. Dit kan onder andere het
geval zijn indien nabestaanden
menen dat er – mogelijk – een
medische fout is begaan.
Om de openheid te bevorderen zijn
wij voornemens om nabestaanden in
de ontwerp-Wet cli?ntenrechten
zorg (Wcz) onder bepaalde
omstandigheden een inzagerecht in
het medisch dossier te geven. Daarbij
zullen wij aansluiten bij de in de
jurisprudentie ontwikkelde
omstandigheden. Op grond van de
Wcz moeten zorgaanbieders zich
aansluiten bij een onafhankelijke
geschilleninstantie. Deze
geschilleninstantie is bevoegd om
over een verzoek tot inzage van het
medisch dossier te oordelen en daar
een bindende uitspraak over te doen.
Voor wat betreft de eenduidige
interpretatie van de wet verwijzen wij
naar ons antwoord op vraag 5.
|

Naast een tuchtklacht en strafrechtelijke aangifte is een civielrechtelijke schadeclaim mogelijk.
In het geval van aansprakelijkstelling door nabestaanden of het slachtoffer zelf tengevolge van medische fouten, beslist de burgerlijke rechter over het toekennen van een schadevergoeding.
Deze procedures kunnen naast de tuchtrechtelijke procedures worden gevolgd.
KNO-arts krijgt waarschuwing wegens seksuele handelingen met psychiatrisch patiente, na eenmalig consult.
Publicatie
|
Nr. 33/34 - 11 augustus 2009, Medisch Contact
|
Jaargang
|
2009
|
Rubriek
|
Uitspraak Tuchtcollege
|
Auteur
|
mr. D.Y.A. van Meersbergen, B.V.M. Crul
|
 |
 |
De politieagent die wordt veroordeeld voor rijden onder invloed. Of de strenge dominee die zelf een buitenechtelijke relatie blijkt te hebben. Zij zouden toch beter moeten weten, is doorgaans de reactie. Hebben zij geen voorbeeldfunctie? Zo ook een (inmiddels afgetreden) lid-geneeskundige van het hoogste tuchtcollege. Hij zou – alleen al vanwege eigen jurisprudentie – toch moeten weten hoe belangrijk het is om privé en professie uit elkaar te houden?
De kno-arts was na een eenmalig consult ingegaan op de wens van een gehuwde patiënte tot nader contact. Hij sloot de behandelovereenkomst (en de DBC) wel terstond af, maar ongeveer twee weken later belde hij haar toch op. Haar verjaardag sierde hij op met een sms’je. Nummer en geboortedatum had hij overduidelijk uit haar status.
Dat is ongepast en verwijtbaar, zo oordeelt het college. Het wordt de arts aangerekend dat hij op deze wijze voortbouwde op een doktersconsult. Hij had moeten weten (en wist dat natuurlijk ook wel) dat door zijn benadering een (seksuele) verschuiving in de relatie zou kunnen plaatsvinden. Maar geeft de hiervoor uitgedeelde waarschuwing nu echt blijk van een zero-tolerence-beleid?
De kno-arts wordt in ieder geval niet verantwoordelijk gehouden voor de relatie die ontstaat doordat de vrouw vier maanden later zelf weer contact opneemt. Er ontstond uiteindelijk een relatie waar ook ‘seksuele handelingen’ zijn verricht. Of dat ook in het ziekenhuis plaatsvond, zoals haar echtgenoot en klager beweert, onderzoekt het tuchtcollege dan ook niet.
Ook het feit dat de vrouw onder psychiatrische behandeling was, speelt daarbij geen rol. Het tuchtcollege geeft zelf aan dat over het bestaan en de duur van een afkoelingsperiode na het beëindigen van de arts-patiëntrelatie geen eenduidige opinie bestaat.
Het beste advies lijkt toch nog altijd te zijn: nooit aan beginnen en de behandelrelatie zuiver houden. Hoe de hormonen ook gieren.
B.V.M. Crul, arts
mr. D.Y.A. van Meersbergen, jurist KNMG
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te ’s-Gravenhage d.d. 21 juli 2009
Beslissing inzake de klacht van A,
wonende te B, klager, tegen C, kno-arts, wonende te D, de persoon over wie geklaagd wordt, hierna te noemen de arts.
1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift is ontvangen op 3 maart 2008. De arts heeft op de klacht gereageerd, waarna partijen achtereenvolgens hebben gerepliceerd en gedupliceerd. Daarna heeft klager een proces-verbaal van politie met bijlagen in het geding gebracht. Partijen hebben geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De mondelinge behandeling door het college heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 9 juni 2009. Partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten toegelicht. Klager werd bijgestaan door mr. L. van Leeuwen, werkzaam bij de Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering (SRK Rechtsbijstand) te Zoetermeer. De arts werd bijgestaan door mr. A.C. de Die, advocaat te ’s-Gravenhage. De advocaten hebben pleitnotities overgelegd.
2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting heeft plaatsgevonden kan van het volgende worden uitgegaan.
Op 8 augustus 2007 is de echtgenote van klager, mevrouw E na verwijzing door de huisarts, eenmalig op consult geweest bij de arts in verband met gehoorproblemen. Dit consult vond plaats in het F in G, waar de arts werkzaam was. In de verwijsbrief van de huisarts was onder andere vermeld dat door E een antidepressivum werd gebruikt.
De conclusie van het door de arts verrichte onderzoek was dat sprake was van reeds genezen lichte oorontsteking en dat verdere behandeling en/of controle niet nodig was. Na afloop van het consult hebben de arts en E kort gesproken over privézaken, zoals haar werk, haar gezin en de vakantie. Bij het einde van het gesprek gaf E aan contact te willen houden.
De arts heeft E gezegd dat na het consult de arts-patiëntrelatie was beëindigd. De arts heeft de diagnosebehandelcombinatie (DBC) van het consult geadministreerd en de DBC gesloten.
Op 9 augustus 2007 is E onder behandeling gekomen van een psychiater van de H te D. Deze stelde vast dat zij leed aan een bipolaire gedragsstoornis.
Omstreeks 25 augustus 2007 heeft de arts E op haar mobiele telefoon gebeld. De telefoon werd opgenomen door klager, waarna de arts de verbinding heeft verbroken. Later heeft E teruggebeld. Toen zij liet weten dat zij op dat moment in het buitenland verbleef, heeft de arts haar gezegd dat hij later nog zou terugbellen. Dit heeft de arts enige weken later ook gedaan.
Op 14 november 2007 stuurde de arts een sms-bericht aan E, waarin hij haar feliciteerde met haar verjaardag. De vrouw heeft klager geïnformeerd over de ontvangen telefoontjes en het sms-bericht. Dit was voor klager aanleiding om op 17 november 2007 een brief aan de arts te sturen van de volgende inhoud:
‘... Sedert mijn vrouw E medio dit jaar een consult bij u had, hebt u in de afgelopen maanden driemaal contact met haar gelegd. Dit betroffen privécontacten zonder enige medische aanleiding, waarbij u gebruikmaakte van haar mobiele nummer. Uit het feit dat u haar op haar verjaardag een sms stuurde, leid ik af dat u daarvoor de gegevens uit haar dossier hebt gebruikt.
Naar mijn oordeel is het initiëren van deze contacten in strijd met uw beroepscode, die stelt dat een arts niet verder doordringt in de privésfeer van een patiënt dan in het kader van de hulpverlening nodig is. Uw handelen belast de arts-patiëntrelaties die wij beiden met u hebben en die ik niet in gevaar wil brengen. Ik verzoek u dan ook met klem om uw privé-initiatieven jegens mijn vrouw te staken.
Mijn vrouw is niet op de hoogte van het feit dat ik u deze brief zend. Ik vind het niet gepast om daar uitleg over te geven. Ook wens ik geen verdere communicatie over deze kwestie die ik hier als afgedaan beschouw….’.
De vrouw was (inderdaad) niet op de hoogte van het versturen van deze brief. Later heeft klager, na overleg met haar psychiater, de vrouw hierover alsnog geïnformeerd.
De arts heeft aanvankelijk geen verder contact meer met E gelegd. Dit veranderde nadat zij medio december 2007 zelf contact zocht met de arts. Vervolgens is er tussen de arts en haar een relatie ontstaan waarbij veelvuldig sms- en telefonisch contact heeft plaatsgevonden. Ook hebben diverse ontmoetingen tussen de arts en haar plaatsgevonden. Tijdens een aantal van deze ontmoetingen zijn seksuele handelingen verricht.
In januari 2008 heeft E de arts ingelicht over het feit dat zij een incestverleden had en leed aan een bipolaire stoornis.
Op 31 januari 2008 heeft de arts een recept voor oordruppels uitgeschreven voor E. Zij was op dat moment onder behandeling bij een collega-arts.
Nadat op 19 februari 2008 klager bekend was geworden van het bestaan van de relatie tussen E en de arts, is de relatie door haar op 22 februari 2008 beëindigd.
3. De klacht
De klacht houdt in dat de arts in strijd met zijn beroepscode de arts-patiëntrelatie heeft gebruikt voor het leggen van privécontacten met E, waardoor een seksuele relatie is ontstaan, waarbij hij – eveneens in strijd met de beroepscode – gebruik heeft gemaakt van zijn behandelkamer in het F. De gebeurtenissen vonden plaats terwijl de arts wist dat E leed aan een bipolaire gedragsstoornis en het slachtoffer is van incest. De arts is als lid-geneeskundige verbonden aan het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Gelet op zijn positie en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden is zijn gedrag extra verwijtbaar.
4. Het standpunt van de arts
De arts heeft de klacht en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen bestreden. Voor zover nodig wordt daarop hieronder verder ingegaan.
5. De beoordeling
5.1. Namens de arts is verzocht het door klager in het geding gebrachte proces-verbaal van politie en de bijlagen bij de beoordeling buiten beschouwing te laten. Dit, overigens door de arts niet toegelichte verzoek, is zoals uit voormelde weergave van de feiten al kon blijken, van de hand gewezen. Aan het college is geen rechtsregel bekend die in de weg staat aan kennisneming in de tuchtzaak van de inhoud van in de strafzaak opgemaakte stukken. Dat het Openbaar Ministerie de zaak tegen de arts wegens onvoldoende bewijs heeft geseponeerd, maakt dit niet anders.
De arts en zijn advocaat hebben van de stukken kennis genomen en de gelegenheid gehad de inhoud daarvan te bestrijden.
5.2 Het college wenst voorop te stellen in beginsel geen oordeel te willen uitspreken over buitenechtelijke (seksuele) gedragingen tussen volwassen personen, waarbij een BIG-ingeschreven beroepsgenoot is betrokken. Dergelijke gedragingen vallen buiten het bereik van het tuchtrecht, tenzij die plaatsvinden binnen de arts-patiëntrelatie of daaruit rechtstreeks en exclusief voortvloeien dan wel daarmee in nauw verband staan.
5.3. In deze zaak wordt als vaststaand aangenomen dat de persoonlijke contacten tussen de arts en E pas werkelijk zijn ontstaan nadat de behandelrelatie bij het einde van het eenmalige consult op 8 augustus 2007 was beëindigd. Het college laat voor dit oordeel buiten beschouwing dat de arts in januari 2008 eenmalig een recept voor E heeft uitgeschreven. Dit is gelet op de voorliggende omstandigheden, namelijk dat E inmiddels onder behandeling was van een andere arts die niet direct
beschikbaar was, van te weinig gewicht om aan te nemen dat de behandelrelatie (met alle consequenties van dien) voor dit kortdurende moment opnieuw was ontstaan.
5.4. Over het bestaan en de duur van een afkoelingsperiode na het beëindigen van een arts-patiëntrelatie bestaat geen eenduidige opinie. In dit geval zal na het eenmalige contact in augustus 2007 dan ook niet worden geoordeeld dat de arts tijdens de duur van een afkoelingsperiode onoorbaar heeft gehandeld.
De arts heeft enkele weken na het consult het initiatief genomen om met E in contact te komen. Hij heeft haar op haar privénummer benaderd en het telefooncontact verbroken toen klager opnam. Enige tijd later heeft hij haar een sms-bericht gestuurd om haar met haar verjaardag te feliciteren. Aannemelijk is dat hij over het 06-nummer heeft kunnen beschikken door het medisch dossier te raadplegen. Vaststaat zeker dat de arts zijn kennis van de verjaardag van E aan het medisch dossier heeft ontleend. Deze manier van doen is ongepast en tuchtrechtelijk verwijtbaar. Door E te benaderen met het uitsluitende doel om privé met haar contact te zoeken, heeft de arts onprofessioneel gehandeld. De arts wist dat wat hij deed niet in de haak was. Hij ontweek het contact immers toen hij per toeval klager aan de lijn kreeg.
Het past een arts niet om in gevallen als deze, voortbouwend op het doktersconsult, professioneel en privé door elkaar te halen. Bovendien is het niet bij één keer gebleven. Hij heeft zijn initiatieven herhaald totdat hij door klager tot de orde werd geroepen. De arts dient zich ervan te onthouden contacten aan te gaan met patiënten, of met hen die dat kort geleden nog waren, terwijl hij weet of behoort te weten dat het kan gebeuren dat door zijn benadering een ongepaste (seksuele) verschuiving in de relatie zal plaatsvinden.
5.5. Het college houdt de arts tuchtrechtelijk niet verantwoordelijk voor de gebeurtenissen die op de brief van klager van 17 november 2007 zijn gevolgd. Doordat E na die datum zelf contact met de arts opnam en door het inmiddels opgetreden tijdsverloop na het consult in augustus 2007 vallen de toen gevolgde contacten, van welke aard die ook geweest mogen zijn, buiten het beoordelingskader van het tuchtrecht. Daarbij kan geen betekenis worden toegekend aan de mogelijk kwetsbare toestand waarin E verkeerde. Klager had in zijn brief van 17 november 2007 van de stoornis bij zijn vrouw niet gerept. Wat men er ook van moge denken dat de arts, die over bedoelde kwetsbare toestand pas na november 2007 kennis zou hebben gekregen, toen het contact met E niet direct alsnog heeft verbroken, voor de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid speelt dit geen rol.
5.6. Klager rekent de arts verder aan dat deze het seksueel contact ook in het ziekenhuis waar de arts werkzaam was, heeft laten plaatsvinden. Om de zojuist genoemde reden is deze overigens door de arts bestreden stelling niet relevant. Onderzoek daarnaar zal dus achterwege blijven.
5.7. Ten slotte heeft klager benadrukt dat de arts als lid van het Centraal Tuchtcollege extra verantwoordelijkheden draagt die zijn verwijtbaarheid accentueert. Deze stelling onderschrijft het college. Per saldo zal dit evenwel niet tot een zwaardere maatregel dan overwogen leiden, nu mede in aanmerking wordt genomen dat de arts inmiddels ook de gepaste consequentie heeft getrokken door zich als beroepslid uit het Centraal Tuchtcollege terug te trekken.
Alle omstandigheden van dit geval tegen elkaar afwegende wordt als volgt beslist.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege te ’s-Gravenhage
- legt de arts de maatregel van
waarschuwing op.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.S.W. Holtrop, voorzitter, mr. C.C. Dedel-van Walbeek, lid jurist, dr. mr. P.H.M.T. Olde Kalter, drs. A.J.M.F. Janssen, dr. J.W. van ’t Wout, leden artsen en bijgestaan door mr. J.P. Hoogland, secretaris en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2009.
Weer klachten over plastisch chirurg
Bron(nen) AD 10 november 2008, ANP
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Eindhoven heeft maandagmiddag drie klachten behandeld over plastisch chirurg Martin J. uit Helvoirt. Het was de tweede keer dit jaar dat hij bij de tuchtrechter moest verschijnen.
Een 43-jarige vrouw uit Etten-Leur zegt dat J. bij haar in 2004 een borstprothese na een infectie zonder verdoving heeft weggehaald. De vrouw die de borstvergroting kreeg via het televisieprogramma Ton van SBS6, zegt dat ze tot op de dag van vandaag pijn heeft. De plastisch chirurg stelt dat hij haar wel lokaal heeft verdoofd.
Een 34-jarige vrouw uit Ede raakte eind vorig jaar blind na een ooglidcorrectie. Door onbekende oorzaak liep ze een ernstige ontsteking op achter de oogbal. Ze lag enkele weken in het ziekenhuis en verwijt de arts dat hij haar niet meteen na het ontstaan van de complicaties heeft doorverwezen naar een specialist. J. geeft toe dat hij in de fout is gegaan en bood maandag zijn excuses aan.
De derde klaagster verwijt de plastisch chirurg onzorgvuldig handelen omdat een halslift mislukte. Het resultaat leverde geen verbetering op, bovendien had de ingreep volgens haar onder algehele narcose moeten plaatshebben.
Werkstraf geëist tegen arts na seks met patiënte
Bron AD 9 januari 2007 - Tegen een huisarts uit Leerdam is gisteren voor de rechtbank in Dordrecht een werkstraf geëist van 240 uur.
De huisarts heeft in 1998 meerdere malen seks gehad met een vrouwelijke patiënte.
De vrouw maakte al in 1998 melding van het incident bij de Inspectie voor de Volksgezondheid. De huisarts ontkende toen. Pas nadat de vrouw eind 2005 aangifte deed bij de politie, bekende hij een deel van de beschuldigingen. Zo gaf hij toe de vrouw omhelsd, gezoend en gestreeld te hebben. Ook had hij toegestaan dat zij zijn geslachtsdeel in de hand nam. Volgens de vrouw waren de seksuele handelingen verder gegaan en had zij de huisarts oraal bevredigd en was het ook tot gemeenschap gekomen. De huisarts was zeer actief in de Gereformeerde Gemeente in zijn woonplaats en legde na de gedeeltelijke bekentenis al zijn functies neer.
Volgens de officier van justitie is sprake van ontucht met misbruik van vertrouwen. Behalve de werkstraf eiste zij ook een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van twee jaar en reclasseringstoezicht en voorwaardelijke ontzetting uit het ambt van huisarts voor een periode van twee jaar met een proeftijd van drie jaar.
De rechtbank doet 23 januari uitspraak.
De huisarts is inmiddels deels arbeidsongeschikt en werkt nog voor 25 procent. Op 1 april van dit jaar draagt hij zijn praktijk over aan een collega.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft het onderzoek naar de huisarts heropend. ,,We vinden het een ernstige zaak maar hebben nog geen eindconclusie getrokken,’’ aldus woordvoerder P. van der Hoek.
Regionaal Tuchtcollege Zwolle
24 januari 2008, nr 2008/2006
Apotheker gewaarschuwd wegens onjuiste factuur
Een apotheker krijgt als maatregel een waarschuwing van het Regionaal Tuchtcollege Zwolle opgelegd.
Casus:
In mei 2006 heeft de apotheker een recept ontvangen van een huisarts om voor klager twee ideaal windsels af te leveren in verband met een kniekwetsuur. Conform recept stuurt de apotheek aan klager een factuur met vermelding twee stuks. Klager is het daarmee niet eens, omdat hij maar 1 windsel
heeft ontvangen bij de huisarts. Het Tuchtcollege vindt dat de apotheker conform het recept de
factuur mocht uitschrijven, maar de apotheker heeft ook eigen verantwoordelijkheid.
Het windsel is weliswaar geleverd aan de huisarts en door de huisarts bij klager aangebracht, maar
door een factuur uit te schrijven aan de klager is een relatie ontstaan tussen apotheker en klager.
Dit brengt voor de apotheker verplichtingen met zich mee waaraan deze zich volgens het
Tuchtcollege ten onrechte heeft onttrokken.
Van een redelijk bekwaam aopotheker mag worden verwacht dat hij, gelet op de omstandigheid dater een relatie was ontstaan met klager en deze een vraag had over de door de apotheker
uitgeschreven factuur (1 windsel en 2 windsels in rekening gebracht), in overleg met de huisarts de vraag had moeten beantwoorden en het probleem niet bij klager had moeten leggen.
Als de apotheker in een aan hem aangeboden recept een vergissing vermoedt, heeft de apotheker de verplichting om terstond aan degene die het recept voorschrijft kennis te geven van de vergissing
(art. 29 BUA, zoals dat tot 1 juli 2007 gold).
Toestemming van de klager voor overleg met de huisarts was niet nodig.
Omdat de apotheker tijdens de procedure nooit heeft blijk gegeven het onjuiste van zijn handelwijze in te zien en heeft aangegeven in voorkomende gevallen weer zo te zullen handelen en in feite klager
heeft neergezet als een querulant, die kennelijk niets beters te doen heeft, krijgt de apotheker de maatregel van waarschuwing opgelegd.
Casuïstiek (bron Jaarverslag Medische Tuchtcolleges).
Hieronder volgt een bloemlezing van de in 2007 gegeven beslissingen van de
Regionale Tuchtcolleges. De casus zijn voor de leesbaarheid ingekort waarbij
nuances verloren kunnen gaan.
RTC Groningen, GP 2006/01:
Positie kinderpsycholoog tussen strijdende ouders na echtscheiding
Na echtscheiding tussen vader (klager) en moeder houden beiden het gezag over
hun 4-jarige dochter die haar hoofdverblijf bij moeder heeft. Er zijn door de rechter
omgangsregelingen tussen vader en dochter getroffen die of helemaal niet of maar
mondjesmaat door moeder worden nagekomen hoewel contra-indicatie tegen omgang
ontbreekt. Moeder bezoekt met de dochter het spreekuur van de huisarts wegens
gedragsproblemen van de dochter na omgang. Klachten: opstandig gedrag, nagelbijten,
terugval in zindelijkheid, uiten van zorgwekkende taal. Moeder wil weten of
de omgang de dochter schaadt. De huisarts verwijst door naar een kinderarts en een
kinderpsycholoog en geeft in een verklaring aan dat moeder en zij zich zorgen maken
over de ontwikkeling van de dochter en de gevolgen van een pedagogisch onveilige
situatie. De kinderarts meldt anamnestisch ernstige gedragsproblemen. De Raad voor
de Kinderbescherming adviseert tot een AMK-melding. De kinderpsychologe (verweerster)
meldt dat ze het kind wel wil zien, maar na contact met de ouders vooraf,
liefst gelijktijdig. Moeder meldt dan dat vader niets met de dochter te maken wil hebben
en niet zal komen, waarna enkele gesprekken met moeder volgen en spelobservaties
plaatsvinden. Verweerster meldt aan de huisarts haar eerste bevindingen, legt die
naast moeders informatie, uit grote zorgen over wat er om het kind heen gebeurt en
zal vader uitnodigen. De brief die zij schrijft overvalt vader volkomen. Tot een gesprek
komt het niet omdat verweerster vader tot viermaal toe uitnodigt op een dag en tijd
waarop hij absoluut verhinderd is vanwege zijn beroep. Op grond van de verklaringen
van behandelende zijde vraagt moeder weer eens om schorsing van de omgangsregeling.
Vader dient een klacht in tegen verweerster. Hij is niet tegen behandeling van zijn
dochter maar wil daar vanaf het begin bij betrokken zijn. De klacht betreft de communicatie
met hem als vader en wettelijk vertegenwoordiger, het zonder zijn toestemming
beginnen te behandelen, het weigeren rekening te houden met zijn verhinderdata,
het pas tijdens de procedure informeren over de melding bij het AMK, ontbreken
van informed consent (incl. de onderzoeksfase), gebrekkige dossiervorming enz.
Tot het moment waarop moeder wordt uitgenodigd, kan de handelwijze van verweerster
de toets der kritiek nog wel doorstaan, al rijst de vraag waarom ze niet meteen ook
vader heeft benaderd.
Prudentie was geboden in een situatie die vaak problemen geeft en verschillende
lezingen en een emotionele reactie van het kind. Verweerster is de moeder al snel gaan
aanduiden als “beste...” doch had de vader veel eerder bij de intake moeten betrekken,
ten onrechte menend dat zij zijn toestemming niet nodig had voor het doen van onderzoek
bij het kind. Nu liet zij zich teveel leiden door moeders zorgen. Haar op
schrift gestelde eerste bevindingen zijn meteen aan de rechtbank overgelegd in een schorsingsprocedure.
Zij had met vaders agenda rekening horen te houden. Haar opstelling
jegens moeder is heel anders en toont empathie. Hier is zij tekortgeschoten. Zij ziet er
ook aan voorbij dat vaders houding vooral is bepaald door haar eigen aanpak. Aan haar
dossierplicht heeft verweerster, die alle notities vernietigde, niet voldaan. De professionele
relatie met de dochter en de ouders startte al met de intake. Een onderscheid
tussen diagnostische en behandelfase is irrelevant. Als professional schoot verweerster
tekort door te weinig afstand tot moeder en door vader veel te lang niet bij het
onderzoek te betrekken. En door al verslag te doen van eerste bevindingen en zorgen
voordat een eerste poging tot contact met vader was gedaan.
Volgt een berisping, nu en aan de dossierplicht niet is voldaan en verweerster ook
verder bij haar aanpak tekortschoot
RTC Groningen, G 2006/13 :
Bevoegdheden bedrijfsar ts inzake WULBZ, gedeeltelijk gegrond
zonder opleggen maatregel
Klaagster heeft zich in 2005 ziek gemeld bij haar werkgever. Verweerder is als bedrijfsarts
werkzaam bij de arbodienst waarbij klaagsters werkgever is aangesloten.
Verweerder zond een brief aan de werkgever van klaagster waarin hij stelde dat de
arbodienst niet verder kon met de verzuimbegeleiding nu klaagster zich driemaal
schuldig had gemaakt aan overtreding van de controlevoorschriften. Verweerder deed
“de suggestie hier sanctie voor op te leggen”. Een tussentijds op verzoek van klaagster
opgemaakt deskundigenoordeel door het UWV inzake haar arbeidsongeschiktheid
concludeerde dat klaagster als gevolg van ziekte/gebrek, te weten ernstige psychische
klachten, ongeschikt was voor het verrichten van het eigen werk en op dat moment
niet re?el inzetbaar was voor werk in algemene zin. De begeleidende brief van de
UWV vermeldde dat een kopie daarvan werd verzonden aan de werkgever en de arbodienst.
Inmiddels had verweerder een bericht van verhindering van klaagster ontvangen
voor het spreekuur. Mede door zijn werktijden ontving verweerder deze te laat.
Verweerder berichtte de werkgever dat de inhoud van het bericht van verhindering
aannemelijk maakte dat er op dat moment sprake was van arbeidsongeschiktheid en
dat hij klaagster een nieuwe oproep zond voor het spreekuur. Klaagster heeft eerder
bij dit College een klacht tegen verweerder ingediend.
De klacht komt op het volgende neer. Nadat klaagster zich had ziek gemeld is zij, zoals
zij stelt, door verweerder niet goed behandeld en onheus bejegend. Klaagster wijt dit
aan een eerder door haar tegen verweerder ingediende klacht waardoor verweerder
haars inziens handelt uit wraakgevoelens. In haar ogen is er sprake van ziekelijk en
onprofessioneel gedrag van verweerder. Verweerder zou de werkgever van klaagster
tegen haar opzetten. Uit een second opinion door de UWV blijkt dat klaagster wel
degelijk arbeidsongeschikt was; daar had verweerder acht op moeten slaan. De eerste
uitnodiging voor het spreekuur ontving klaagster pas na het tijdstip waartegen zij
uitgenodigd was; zij heeft daarover toen meteen telefonisch contact met de arbodienst
opgenomen. Onder opgave van redenen is om uitstel van het volgende spreekuurcontact
verzocht.
Verweerder meent dat het zijn taak is de werkgever te adviseren ten aanzien van de
uitvoering van de WULBZ, populair gezegd: de Ziektewet. Als de controlevoorschriften
worden overtreden dient verweerder dit te melden. Omdat er een mogelijkheid bestaat
voor zulke overtredingen sancties op te leggen, heeft verweerder deze suggestie
gedaan. Het is hem niet bekend of zijn collega’s dat ook zo doen, en wat daaromtrent
gebruikelijk is binnen verweerders beroepsgroep weet hij niet. Ten aanzien van de
correspondentie stelt verweerder dat de brief van klaagster in verband met de dagen
waarop hij werkt te laat heeft gezien. Van de brief van de UWV, waarbij de deskundigenverklaring
werd toegezonden, heeft verweerder geen afschrift ontvangen, terwijl
dat normaal gesproken wel gebeurt. Het feit dat er een klacht van klaagster tegen verweerder
liep gedurende de betreffende periode heeft geen rol gespeeld in verweerders
opstelling, al is hij natuurlijk niet immuun. Achteraf was het beter geweest wanneer de
ziekmelding van klaagster door een andere bedrijfsarts was behandeld.
Het College stelt voorop dat het de klacht heeft beoordeeld in het licht van het gegeven
dat verweerder klaagster nimmer te zien heeft gekregen en zich dus niet uit eigen
waarneming een beeld van haar heeft kunnen vormen. Daarnaast is van belang dat een
bedrijfsarts die controles in het kader van de WULBZ uitvoert, de taak heeft vast te
stellen of er sprake is van arbeidsongeschiktheid. Formeel heeft hij, zoals het professioneel
statuut van de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
(NVAB) aangeeft, geen controlerende taak.
Wat betreft de gang van zaken rond de uitnodigingen aan klaagster voor het spreekuur
van verweerder kan op zijn minst gesproken worden van een ongelukkige samenloop
van omstandigheden. Kennelijk is de eerste uitnodiging vertraagd bij klaagster
gearriveerd, zodat zij daarop niet tijdig kon reageren. De reactie op de tweede
uitnodiging was wel tijdig bij de arbodienst binnen, maar in verband met de beperkte
aanwezigheid van verweerder ten kantore heeft hij die reactie te laat gezien. Van verwijtbaarheid
jegens verweerder is bij deze incidenten naar het oordeel van het College
geen sprake. Dat geldt ook voor het feit dat verweerder geen rekening heeft gehouden
met de second opinion c.q. de deskundigenverklaring van de UWV, nu hij deze kennelijk
- in afwijking van wat gebruikelijk is en van wat in de begeleidende brief bij die
verklaring is vermeld - niet ontvangen heeft.
RTC Zwolle, 13 0/2007:
Onbevoegdheid tot klagen moeder meerderjarige patiënt
Klaagster heeft klachten ingediend tegen drie artsen, waaronder verweerder (huisarts),
over de medische behandeling van haar zoon. De zoon van klaagster was
gehuwd. Klaagster had haar bedenkingen bij dit huwelijk. Vervolgens heeft haar zoon
een vasectomie ondergaan. Later is hij op 36-jarige leeftijd overleden. De echtgenote
van de zoon van klaagster heeft, ondanks een daartoe strekkende vraag van de secretaris,
niet als blijk van haar instemming met de klacht deze mee ondertekend.
Klaagster verwijt verweerder dat hij onjuist heeft geadviseerd over de vasectomie,
geen alternatieven heeft aangedragen en niet heeft gewezen op de risico’s.
Het college overweegt in het kader van de ontvankelijkheid van klaagster in haar
klacht het volgende. De zoon van klaagster was meerderjarig en wilsbekwaam.
Volwassen worden gaat gepaard met een zich losmaken van de ouders. De zoon van
klaagster had een zodanige leeftijd bereikt dat zijn moeder in beginsel niet meer betrokken
was bij diens geneeskundige behandeling. Als een meerderjarig persoon een
vaste levenspartner krijgt, staat die partner naar gangbare maatschappelijke maatstaven
meer nabij die meerderjarige persoon dan de ouders. Een uitvloeisel hiervan
is bijvoorbeeld artikel 7:465, derde lid van het Burgerlijk Wetboek, dat in geval van
wilsonbekwaamheid van de patient diens levensgezel (bij voorrang boven bijvoorbeeld
de ouders) als gesprekspartner van de arts inzake de geneeskundige behandeling
aanwijst. Evenzo heeft naar gangbare maatschappelijke maatstaven, bijvoorbeeld in
het erfrecht, de partner van een persoon na diens overlijden een voorrangspositie ten
opzichte van de ouders van die persoon. In beginsel is een patient zelf klachtgerechtigd
ingevolge de wet BIG en zijn volgens vaste jurisprudentie de naaste betrekkingen,
waaronder de ouders, niet klachtgerechtigd als de patient die daartoe op zichzelf wel
in staat is daarmee niet instemt. Na het overlijden van een patient kunnen in beginsel
diens naaste betrekkingen als rechtstreeks belanghebbende en dus als klachtgerechtigd
worden aangemerkt. Gelet echter op het feit dat de zoon van klaagster gehuwd
was en op de genoemde overwegingen over de bijzondere positie van een partner
boven die van andere verwanten, zou het naar het oordeel van het college onwenselijk
en in strijd met het wettelijk systeem zijn om de ouders van een overleden patient
klachtrecht toe te kennen indien diens partner daarmee niet instemt. In een geval als
het onderhavige zou een verruiming van de kring der klachtgerechtigden tot ouders
onder meer -zoals ook in dit geval- de verweerder voor de lastig te beantwoorden
vraag kunnen stellen in hoeverre zijn beroepsgeheim hem toestaat om inhoudelijk op
de geneeskundige behandeling van de inmiddels overleden patient in te gaan. De conclusie
uit het voorgaande is dat het college klaagster, met alle begrip voor haar betrokkenheid
bij haar thans overleden zoon, niet ontvankelijk moet verklaren in de tegen
verweerder ingediende klacht.
LJN: BC3569, Hoge Raad , C07/078HR
|
 |

Datum uitspraak:
|
04-04-2008
|
Datum publicatie:
|
04-04-2008
|
Rechtsgebied:
|
Civiel overig
|
Soort procedure:
|
Cassatie
|
Inhoudsindicatie:
|
Medische aansprakelijkheid; schadevordering voor bij een operatie opgelopen lichamelijk letsel. Bevrijdende verjaring, aanvang vijfjarige termijn art. 3:310 BW, maatstaf; onbegrijpelijk oordeel.
4 april 2008
Eerste Kamer
Nr. C07/078HR
IV/TT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiseres],
wonende te [woonplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. C.A.J. van der Meulen,
t e g e n
1. STICHTING ALBERT SCHWEITZER ZIEKENHUIS,
gevestigd te Dordrecht,
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. R.S. Meijer.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiseres], het ziekenhuis en [verweerder 2].
1. Het geding in feitelijke instanties
[Eiseres] heeft bij exploot van 29 april 1999 het ziekenhuis en [verweerder 2] gedagvaard voor de rechtbank Dordrecht en gevorderd, kort gezegd, het ziekenhuis en [verweerder 2] te veroordelen tot vergoeding van de door haar geleden en nog te lijden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
Het ziekenhuis en [verweerder 2] hebben de vordering bestreden; [verweerder 2] heeft tevens een beroep gedaan op verjaring.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 21 juni 2000 het beroep van [verweerder 2] op verjaring verworpen.
Bij tussenvonnis van 8 november 2000 heeft de rechtbank een deskundigenbericht gelast.
Na deskundigenbericht heeft de rechtbank bij eindvonnis van 7 november 2001 de vordering van [eiseres] toegewezen.
Tegen de vonnissen van de rechtbank hebben het ziekenhuis en [verweerder 2] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.
Bij tussenarrest van 18 januari 2005 heeft het hof partijen toegelaten tot het nemen van een nadere akte.
Daarna heeft het hof bij eindarrest van 28 november 2006 de vonnissen van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering jegens [verweerder 2] en de vordering tegen het ziekenhuis afgewezen.
Het eindarrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.
|

Eerder in de rechtspraak is toerekening aan de verzekerde aangenomen van handelingen/mededelingen door de verzekeraar, zij het steeds op basis van een mededeling van de verzekerde dat zijn verzekeraar de zaak behandelt.(15) Op het eerste gezicht is dat volkomen begrijpelijk. Bij nadere beschouwing is het dat, wanneer we onze juridische bril een ogenblik afzetten, heel wat minder. Wanneer een verzekeraar aansprakelijkheid aanvaardt en deze aanvaarding aan de verzekerde wordt toegerekend, is hij zelf met zijn gehele vermogen aansprakelijk, ook voor zover deze aansprakelijkheid niet door verzekering is gedekt. Dat spreekt eens te minder voor zich wanneer wordt bedacht dat de verzekerde geen andere keus heeft dan de behandeling van zijn aansprakelijkheid over te laten aan de verzekeraar.
3.19.3 Wanneer een toerekening onder de sub 3.19.2 geschetste omstandigheden rechtens mogelijk is, zou m.i. maatschappelijk gezien ook mogelijk moeten zijn dat toerekening plaatsvindt buiten "toedoen" van de verzekerde. Dat wil zeggen: zonder een mededeling dat hij de behandeling van de zaak aan de verzekeraar overlaat. Juridisch is dat evenwel een grote stap.
3.19.4 Op zich is wel aanvaard dat toedoen niet steeds nodig is,(16) maar in casu zou men twee stappen moeten zetten: toerekening zou moeten plaatsvinden buiten toedoen van de verzekerde(17) ?n het stilzwijgen van de verzekeraar zou aan de verzekerde moeten worden toegerekend.(18) Ik geef graag toe: dat is nogal wat (de Borgers-brief zal ongetwijfeld betogen: een ware revolutie ? la barbe van de klachten).
3.19.5 Ik erken volmondig dat het moed vereist deze stappen te zetten. Het is niet onmogelijk dat dit onverstandig zou zijn omdat er potenti?le nadelen aan kleven die ik thans niet kan overzien. Toch verdient de gedachte m.i. serieuze overweging. De reden daarvoor is vooral van maatschappelijke aard. Om wenselijke resultaten te bereiken (of misschien juister: apert onwenselijke te vermijden) hebben rechter en wetgever aanvaard dat onder omstandigheden strikte juridische beletselen uit de weg moeten worden geruimd. Ik noem slechts redelijkheid en billijkheid, de derogerende werking daarvan, piercing de corporate veil en de in de artikelen 6:76 jo. 6:75 en 6:162 lid 3 BW genoemde toerekening buiten schuld. De hier bepleite benadering trekt die lijn wat verder door.
3.19.6 Omdat van toedoen van [verweerder 2] geen sprake is, moet worden voorkomen dat hij en niet zijn verzekeraar (om wiens nalaten het immers gaat) de rekening gepresenteerd krijgt. Daarom werd onder g de beperking aangebracht: indien en voorzover door verzekering gedekt.
3.20 Reeds sinds juni 1991 bestond een Rapport van de Verbondscommissie Schaderegelingsbeleid.(19)
3.21 Gedragsregel 1 houdt in dat de verzekeraar onverwijld zal nagaan of de schade is gedekt en hoe het is gesteld met de schuldvraag. Gedragsregel 2 noopt tot een actieve behandeling. Bij letselschade draagt de verzekeraar zoveel mogelijk bij aan herstel (gedragsregel 2.3). Een afwijzing moet snel en voor een ieder in duidelijke en begrijpelijke bewoordingen (en dus, naar ik begrijp, op juiste gronden) geschieden (gedragsregel 2.9).
3.22.1 In 2006 heeft de Gedragscode Behandeling Letselschade het licht gezien.(20) Deze ziet op zwaardere letselschadezaken als gevolg van verkeers- en andere ongevallen.(21) Medische aansprakelijkheid is daaronder begrepen.(22) Na te noemen beginsel 1 bevat "kernwaarden",(23) te weten "de meest essenti?le doelen die de code beoogt te bereiken".(24)
3.22.2 Beginsel 1 noemt als kernwaarde onder meer het samen problemen oplossen en het elkaar op de goede weg houden. Beginsel 3 spoort aan tot "constructief overleg". Ingevolge beginsel 10 ontvangt het slachtoffer bij afwijzing een begrijpelijke motivering.
3.22.3 De toelichting op beginsel 10 noemt als "goede praktijk" dat de verzekeraar een schademelding beschouwt als een aansprakelijkstelling (blz. 56).
3.23 Eindeloos gehakketak over letselschade draagt - voorzichtig gezegd - niet bij tot een zo spoedig mogelijk (partieel) herstel, noch ook tot verwerking.(25)
3.24 Het komt mij voor dat de handelwijze van Nationale Nederlanden op gespannen voet staat met de onder 3.21 en 3.22 genoemde beginselen. Beginselen die in het licht van art. 3:12 BW rechtens niet zonder betekenis zijn. Bovendien: als ??n van haar verzekerden aansprakelijk is en de vordering niet is verjaard, dan is schending van de beginselen niet alleen weinig bevorderlijk voor [eiseres]; Nationale Nederlanden schiet in eigen voet op grond van het vermelde onder 3.23.
3.25 Een beroep op de korte verjaringstermijn kan onder bijzondere omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Dat geldt met name als de benadeelde zijn vordering niet geldend heeft kunnen maken ten gevolge van aan de schuldenaar toe te rekenen omstandigheden.(26)
3.26.1 Onder 3.9 sub e gaf ik al aan dat aan de vaststaande gang van zaken het vermoeden valt te ontlenen dat Nationale Nederlanden [eiseres] zand in de ogen heeft willen strooien door niet de - in haar eigen visie - dragende primaire grond te noemen voor het niet aansprakelijk zijn van het ziekenhuis.(27) Het ligt m.i. in hoge mate voor de hand (vandaar genoemd vermoeden dat in mijn ogen gewettigd is) dat zij dit alleen maar heeft gedaan om te voorkomen dat [eiseres] tijdig [verweerder 2] aansprakelijk zou stellen. Deze handelwijze kan [verweerder 2], als gezegd, worden toegerekend.
3.26.2 Ik haast mij hieraan toe te voegen dat ik hiermee niet zeg dat Nationale Nederlanden had moeten aangeven wie in haar ogen w?l aansprakelijk was. De vraag of daartoe in de gegeven omstandigheden een gehoudenheid bestond, laat ik rusten. Waarop het aankomt is dat zij [eiseres] op het verkeerde been heeft gezet.
3.27 Aldus doet zich een situatie voor als bedoeld onder 3.25 De consequentie daarvan is dat [verweerder 2]s beroep op verjaring werd geblokkeerd door de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid.
3.28 In het middel liggen hierop toegesneden klachten besloten. Zij slagen.
Psychiater gaat vrijuit. Regionaal Medisch Tuchtcollege legt verantwoordelijkheid bij verpleegster.
11 maart 2008
De GGZ-crisisdienst in Eindhoven heeft geen verkeerde diagnose gesteld van de moeder die haar 6-jarige dochtertje Kelly Pelkman uit Dommelen vermoordde in januari 2006. Het Regionaal Tuchtcollege in Eindhoven wees de klachten van de oom van het meisje af.
Kelly’s oom, de broer van haar moeder, diende klachten in tegen de psychiater en de sociaalpsychiatrisch verpleegkundige van de crisisdienst van GGZ Eindhoven. De psychiater zou een verkeerde diagnose hebben gesteld en had de moeder daags voor de moord moeten laten opnemen omdat ze door een ernstige psychose een gevaar vormde.
De verpleegkundige zou bovendien cruciale informatie hebben achtergehouden voor Bureau Jeugdzorg, aldus de klacht. Het tuchtcollege stelt echter dat er geen verkeerde diagnose is gesteld. De beslissing om haar behandeling te beëindigen lag niet bij de psychiater van de crisisdienst. De verpleegkundige was bevoegd zelf te constateren dat het beter ging met de moeder en hem kan niet worden verweten dat hij collega’s niet heeft geïnformeerd.
Eerder ging ook de behandelend psychiater van de moeder vrijuit. De Nationale Ombudsman concludeerde in januari dat het Bureau Jeugdzorg fouten heeft gemaakt. Tussen de jeugdzorg en de GGZ waren geen goede afspraken gemaakt over de informatie-uitwisseling. Minister voor Jeugd en Gezin bestreed die conclusie en betwijfelde of het drama voorkomen had kunnen worden als Bureau Jeugdzorg het kind uit huis had geplaatst.
Na berisping door Medisch Tuchtcollege 9 jaar procederen voor een schadevergoeding
Arts moet begrafenis overleden patiënt betalen en het levensonderhoud van de zoon van de overledene.
|
De rechter heeft een huisarts veroordeeld tot onder meer het vergoeden van de begrafeniskosten van een patiënt die door de arts niet was doorverwezen naar het ziekenhuis. Een dag later overleed de man
Casus
De 39-jarige man meldde zich in 1999 bij zijn huisarts in Venray. Hij had zich gestoten aan zijn rechterbeen en liep daarbij wondroos op, een huidontsteking waarvoor hij van de arts een antibioticakuur voorgeschreven kreeg. De klachten verergerden echter en vijf dagen later was de man al vijf kilo afgevallen en zag wazig. Toen duurde het nog anderhalve dag voordat in het ziekenhuis uiteindelijk kon worden vastgesteld dat de man een levensgevaarlijk hoge bloedsuikerspiegel had, waaraan hij vervolgens dezelfde dag overleed.
Het tuchtcollege had de arts in 2000 al berispt omdat hij niet de juiste zorg had verleend aan de man. De vrouw van de overleden man strijdt nu sinds 9 jaar voor een schadevergoeding voor haar en hun beider zoon. De weduwe wil dat de arts al haar kosten vergoedt plus de kosten van het levensonderhoud van de jongen. De arts betwist niet dat hij nalatig is geweest in de medische procedure maar betwist wel de hoogte van de schadevergoeding. De arts stelt dat de patiënt leed aan suikerziekte en daardoor een lage levensverwachting had. De gevorderde schadevergoeding zou volgens de arts niet realistisch zijn.
Levensonderhoud
Derving van levensonderhoud is de overheersende schadefactor bij de afwikkeling van overlijdensschade. Indien iemand ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is overlijdt, is die ander verplicht tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud. Bovendien is de aansprakelijke verplicht aan degene te wiens laste de kosten van de begrafenis zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.
De rechter
De rechter zag niet in hoe iemand met suikerziekte een aanzienlijk lagere levensverwachting heeft dan gemiddeld. Daar kwam bij dat de vrouw slechts een vergoeding voor kosten van levensonderhoud wilde tot haar zoon 21 jaar wordt. Op dat moment zou de vader zestig jaar zijn geweest en tot die tijd dus onderhoudsplichtig voor zijn zoon. De rechter stelde de moeder dan ook in het gelijk met een verwijzing om de hoogte van de schavergoeding op een later tijdstip na deskundigenadvies vast te laten stellen.
Rechtbank Roermond, 05 december 2007, LJN: BC0433
Uitspraak van het Tuchtcollege: Tuchtcollege Eindhoven
Datum uitspraak: 07-05-2007
Doorhaling BIG-registratie na verkrachting bejaarde patiënte
Klager: Inspecteur gezondheidszorg
Samenvatting
Een verpleegkundige heeft in het verpleeghuis waar hij kort voor zijn pensioen werkte een vijfentachtig jarige halfzijdig verlamde vrouw verkracht. De verpleegkundige is door het gerechtshof veroordeeld tot een gevangenisstraf. De Inspectie voor de Gezondheidszorg dient tegen de verpleegkundige een klacht in bij het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven. De IGZ vindt dat de verpleegkundige niet meer in de gezondheidszorg werkzaam mag zijn. Het RTC constateert dat de verpleegkundige niet heeft gereageerd op de ingediende klacht en dat er gevaar is voor herhaling. Het RTC bepaalt dat de inschrijving van de verpleegkundige in het BIG register doorgehaald moet worden.
Casus
Een verpleegkundige heeft in het verpleeghuis waar hij kort voor zijn pensioen werkte een vijfentachtig jarige halfzijdig verlamde vrouw verkracht. De Raad van Bestuur van het verpleeghuis heeft dit grensoverschrijdende gedrag gemeld bij de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ). Het Gerechtshof Arnhem heeft de verpleegkundige veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Klacht
De IGZ heeft bij het Regionaal Tuchtcollege (RTC) Eindhoven de volgende klacht ingediend tegen de verpleegkundige.
De verpleegkundige heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij als verpleegkundige in acht moet nemen ten opzichte van degenen aan wie hij, met het oog op hun gezondheidstoestand, bijstand verleent of voor wie zijn bijstand is ingeroepen.
De inspectie verwijst naar de veroordeling door het gerechtshof. De inspectie merkt verder op dat het slachtoffer zich in een uiterst kwetsbare en afhankelijke situatie bevond en zich niet kon verweren. De verpleegkundige mag niet meer in de gezondheidszorg werkzaam mag zijn, zeker niet in de sector waar men werkt met kwetsbare, afhankelijke patiënten.
De verpleegkundige is door de Inspectie driemaal via een aangetekende brief uitgenodigd om te spreken over de gedragingen en de in de toekomst te verrichten werkzaamheden. De eerste en derde brief zijn niet teruggekomen. De verpleegkundige heeft niet gereageerd. Er is bovendien telefonisch contact geweest met de verpleegkundige, maar toen heeft hij de hoorn op de haak gegooid. Omdat de verpleegkundige niet reageert vindt de Inspectie dat zijn inschrijving in het BIG register doorgehaald moet worden; in afwachting daarvan moet de verpleegkundige met onmiddellijke ingang geschorst worden. De Inspectie vraagt het RTC de eindbeslissing te publiceren in de Staatscourant.
Verweer
Het standpunt van de verpleegkundige is niet bekend omdat hij niet heeft gereageerd op de klacht én niet is verschenen bij de behandeling van de klacht.
Beoordeling
Het RTC constateert dat op grond van de uitspraak van het Gerechtshof vast staat dat de verpleegkundige een vijfentachtig jarige vrouw, die als gevolg van een CVA halfzijdig verlamd was, heeft verkracht. Dat de verpleegkundige daarmee heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij in acht behoorde te nemen, is overduidelijk. De klacht is dan ook gegrond.
Tijdens de behandeling van de zaak is door de IGZ opgemerkt dat de IGZ er achter is gekomen dat al eerder een vermoeden bestond van grensoverschrijdend gedrag met een seksueel tintje. Dat zou tot overplaatsing van de verpleegkundige naar het verpleeghuis hebben geleid.
Het College tilt zeer zwaar aan het handelen dat de verpleegkundige verweten wordt. Te meer omdat het slachtoffer door haar hoge leeftijd en de verlamming vrijwel geheel afhankelijk was van de verzorging van het verpleeghuis waar de verpleegkundige werkzaam was. Het vertrouwen in professionele verzorging is door het handelen van de verpleegkundige ernstig geschaad.
Het College is van oordeel dat er gevaar is voor recidive omdat mogelijk al eerder sprake was van grensoverschrijdend gedrag en omdat de verpleegkundige op geen enkele wijze inzicht biedt in zijn beleving van hetgeen hem verweten wordt. Het College vindt dan ook dat de verpleegkundige niet meer in de gelegenheid moet worden gesteld zijn werk als verpleegkundige - hoe dan ook - uit te oefenen. Dit betekent dat als maatregel doorhaling van de inschrijving in het register zal worden opgelegd. Omdat doorhaling pas mogelijk is als de beslissing onherroepelijk is geworden, wordt de inschrijving van de verpleegkundige in het belang van de bescherming van de individuele gezondheidszorg met onmiddellijke ingang geschorst.
Met het oog op het algemeen belang zal deze beslissing worden gepubliceerd in de Staatscourant. Ook wordt hij aangeboden aan 'Medisch Contact', 'Bijzijn', 'TVZ' en 'Markant' met het verzoek tot plaatsing.
Beslissing
Het RTC verklaart de klacht gegrond. De inschrijving van de verpleegkundige in het BIG-register wordt doorgehaald. Als voorlopige voorziening wordt de inschrijving met onmiddellijke ingang geschorst.
Post Traumatische Stress door de trage afwikkeling van de schade
Juriste, welke mocht verwachten benoemd te worden tot hoogleraar en maat in de maatschap
van een advocatenkantoor claimt succesvol materiele en immateriele schade wegens depressie door
medische fout. Haar fictief inkomen wordt gesteld op het inkomen van een hoogleraar, aangezien
zij een aanstelling tot hoogleraar verwachtte.
Zij wil geen medicatie en therapie voor de gestelde depressie en de rechter vindt dat geen
enkele belemmering om de ziekte te erkennen.
LJN: BA1011, Rechtbank Amsterdam , 259049
|
 |
Datum uitspraak:
|
17-01-2007
|
Datum publicatie:
|
20-03-2007
|
Rechtsgebied:
|
Civiel overig
|
Soort procedure:
|
Eerste aanleg - enkelvoudig
|
Inhoudsindicatie:
|
aansprakelijkheid arts na medische fout, letselschade, fictief jaarinkomen
|
Uitspraak
|
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Sector civiel recht
zaaknummer / rolnummer: 259049 / HA ZA 03-285
Vonnis van 17 januari 2007
in de zaak van
A,
wonende te,
eiseres,
procureur mr. J.M. Beer,
tegen
B,
wonende te,
gedaagde,
procureur eerst mr. P.N.M. Creijghton, thans mr. H. Lebbing.
1. De verdere procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 1 december 2004;
- de akte tevens houdende wijziging van eis, met producties, van A;
- de akte met producties van B,
- de akte uitlating producties van A.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
De rechter ten overstaan van wie het pleidooi is gehouden, is thans niet meer in het team handel van de civiele sector werkzaam, zodat dit vonnis door een andere rechter wordt gewezen.
2. De verdere beoordeling
2.1. In haar laatste akte heeft A zich niet alleen uitgelaten over de producties, die B bij zijn laatste akte in het geding heeft gebracht. Zij is ook ingegaan op door B in zijn akte ingenomen standpunten. Laatstbedoelde reactie van A laat de rechtbank, gelet op het beginsel van hoor en wederhoor, bij de beoordeling buiten beschouwing.
2.2. In het tussenvonnis van 1 december 2004 staat om te beginnen een schrijffout in rechtsoverweging 1.a: A is niet in oktober 1996, maar in oktober 1986 bevallen van een zoon. Voorts heeft de rechtbank in dat vonnis overwogen dat B aansprakelijkheid heeft erkend voor het feit dat hij ten onrechte een totaalextirpatie bij A heeft uitgevoerd in september 1989 en dat het er in dit geding voor wordt gehouden dat B aldus een medische fout heeft gemaakt. Tevens is overwogen dat het causaal verband tussen de gemaakte fout en de door A gestelde schade niet vaststaat. De zaak is verwezen naar de rol opdat partijen zich konden uitlaten over de wijze waarop de procedure moet worden voortgezet.
In het tussenvonnis is verder het volgende overwogen. Verondersteld dat de gestelde schade het gevolg is van de medische fout, dan dient A nader te adstrueren wanneer zij voor een (part time) benoeming als hoogleraar in aanmerking zou zijn gekomen, met een overzicht van relevante vacatures en met statische gegevens. Zij dient ook gegevens over te leggen waaruit kan worden afgeleid dat zij, naast hoogleraar, maat zou zijn geworden van een middelgroot advocatenkantoor alsmede op welke termijn dat zou gebeuren en welk inkomen zij dan zou hebben genoten.
2.3. A heeft zich er niet over uitgelaten hoe de procedure moet worden voortgezet. Wel heeft zij haar eis gewijzigd, opdat de rechtbank een beslissing zal nemen ten aanzien van het causaal verband, dat volgens haar duidelijk is. Zij verwijst daartoe naar de door haar overgelegde rapportages van C (zie het tussenvonnis onder 1.i) en prof.dr. D, psychiater, d.d. 9 maart 2006. Haar vordering luidt, na de eiswijziging:
1. te verklaren voor recht dat de na september 1989 bij haar opgetreden arbeidsongeschiktheid moet worden beschouwd als een gevolg van de op 25 september 1989 door B gemaakte medische fout;
2. B te veroordelen om aan A de door haar geleden en te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden, met rente en onder verrekening van de voorschotten en
3. te verklaren voor recht dat als uitgangspunt moet worden gehanteerd dat A zonder de door B gemaakte medische fout met ingang van 1 januari 1994 tot een advocatenmaatschap zou zijn toegetreden en dat haar bruto inkomen in 1994 en 1995 EUR 149.747,47 zou hebben bedragen, in 1996 en 1997 EUR 217.814,50 en vanaf 1998 EUR 282.873,88, althans een uitgangspunt dat de rechtbank in goede justitie zal bepalen.
A stelt dat zij, de medische fout weggedacht, in 1990/1991 hoogleraar zou zijn geworden. Zij had toen professor E kunnen opvolgen. In of omstreeks 1992 had zij – naar de rechtbank begrijpt – daarnaast tevens advocaat kunnen worden en met onmiddellijke ingang tot een maatschap kunnen toetreden, met een ingroeiperiode van zes jaar. Haar inkomen moet, naar de norm van 1994-1998, berekend worden op basis van een volledig winstaandeel van EUR 282.873,88, welk bedrag volgens A over de periode tot 1999 door B is erkend.
2.4. B betwist het causaal verband. Hij bestrijdt de inhoud van het rapport van C, dat hij niet kritisch genoeg en onvoldoende inzichtelijk acht. B acht ook het rapport van D niet duidelijk, met name op de volgende onderdelen:
- het onderscheid tussen subjectief ervaren beperkingen en geobjectiveerde beperkingen en
- het onderscheid tussen de klachten die het directe gevolg zijn van de medische fout en de depressieve klachten die worden onderhouden c.q. geactiveerd door de onderhavige procedure, de secundaire traumatisatie. De schade die hieruit voortvloeit kan, aldus B, niet te zijnen laste worden gebracht.
Hij verwijst hiertoe naar de door hem overgelegde reactie op het rapport van D van prof.dr. F, psychiater, van 22 juli 2006.
Bovendien heeft A volgens B niet voldaan aan haar schadebeperkingsplicht. B stelt voor een onafhankelijk deskundige te benoemen en aan deze de vraagstelling van de IWMD-werkgroep voor te leggen.
Tot slot betwist B de stellingen van A omtrent haar fictieve carrièreverloop en inkomen in de situatie zonder medische fout. Hij wijst erop dat A haar standpunt niet met de door de rechtbank verlangde gegevens heeft onderbouwd.
2.5. De rechtbank oordeelt als volgt.
Op grond van de inhoud van de rapporten van C en D staat vast dat A, als gevolg van het feit dat B ten onrechte bij haar een totaalextirpatie heeft uitgevoerd, psychische klachten heeft ontwikkeld die zij anders niet zou hebben gehad. Als diagnose stelt D dat A een Posttraumatische Stress Stoornis (PTSS) heeft. Tevens is volgens hem sprake van een depressieve stoornis.
D stelt in zijn rapport de vraag waar het huidige beeld door wordt bepaald en hij schrijft in antwoord daarop dat de gevolgen van de medische fout klinisch op de voorgrond staan. De relevante criteria voor de PTSS lijken volgens D bijna uitsluitend herleidbaar te zijn tot de ten onrechte uitgevoerde totaalextirpatie. De PTSS moet inmiddels als chronisch en gedeeltelijk in remissie worden getypeerd.
Hij schrijft voorts dat zich bij A ook onmiskenbaar het fenomeen voordoet van de zogenaamde secundaire traumatisatie. Dit is, kort gezegd, een traumatisatie door alle procedures en verwikkelingen die samenhangen met de afhandeling van de letselschade. Deze secundaire traumatisatie vormt volgens D een belangrijk aandeel in het huidige toestandsbeeld van A. Er is sprake van een recidiverende depressie, thans matig van ernst. De depressieve klachten lijken secundair te zijn aan de posttraumatische klachten.
Deze diagnose van D, die de rechtbank overneemt, wordt door F onderschreven.
2.6. Op grond van deze bevindingen van D acht de rechtbank het oorzakelijk verband tussen de medische fout en de klachten van A genoegzaam aangetoond.
De rechtbank ziet dan ook, mede gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, geen aanleiding om alsnog een onafhankelijke psychiater te benoemen, zoals door B is voorgesteld.
2.7. Het volgende geschilpunt is de vraag of de schade, die A stelt, is toe te rekenen aan de medische fout.
In dit verband moet het verweer van B, dat de schade tengevolge van de secundaire traumatisatie voor eigen rekening van A dient te blijven omdat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om een bijdrage te leveren aan haar herstelproces, worden beoordeeld.
D schrijft in antwoord op de hem voorgelegde vraag 6 dat A geen medicatie of psychotherapeutische hulp wil, omdat zij denkt er op haar eigen manier weer bovenop te kunnen komen en zonodig in een later stadium verdere behandeling te zoeken. Volgens D is echter zowel voor de depressie als voor de PTSS behandeling mogelijk en zinvol, maar zonder motivatie van betrokkene is er weinig kans op succes. Het ontbreken van motivatie is bij A niet zozeer onwil als wel een proces van demoralisering, dat niet ongewoon is bij haar ziekteproces, aldus nog steeds D.
Dat A zich onvoldoende zou inspannen om een bijdrage te leveren aan haar ziekteproces kan dan ook op grond van deze bevindingen van D, die hij naar het oordeel van de rechtbank voldoende inzichtelijk heeft gemaakt, niet worden aangenomen.
2.8. Dit betekent dat voor de vraag naar het oorzakelijk verband tussen de medische fout en de schade van A, alle klachten en beperkingen die in verband staan met de medische fout, relevantie hebben.
A beroept zich erop dat zij als gevolg van haar psychische klachten niet meer in staat is haar werkzaamheden uit te voeren. Zij verwijst daartoe naar D. Hij schrijft in antwoord op de hem voorgelegde vraag 4.c. dat A, gelet op haar beperkingen, niet in haar oorspronkelijke beroep zou kunnen werken, omdat zij zich daarvoor niet genoeg kan concentreren. Er is voorts sprake van een verminderd vermogen om met stress om te gaan, snellere vermoeidheid en een sterke neiging conflictueuze situaties te vermijden. Haar zelfvertrouwen is duidelijk verminderd, aldus D.
B heeft in dit verband gemotiveerd verweer gevoerd door overlegging van de reactie van F. Deze reactie komt er, kort gezegd, op neer dat hij uit het rapport van D en het neuropsychologisch onderzoek waarop dat rapport mede is gebaseerd, afleidt dat de beschreven beperkingen van A voortvloeien uit haar emotionele toestand, maar ook worden bepaald door factoren als motivatie, frustratie en onvrede over de schadeafwikkeling. Volgens F is in het rapport van D onvoldoende onderscheid gemaakt tussen subjectief ervaren beperkingen en geobjectiveerde beperkingen. Hij schrijft dat A kiest voor niet-intellectueel werk en dat deze keuze te gemakkelijk wordt aanvaard als een objectieve indicatie van beperkingen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft A echter met het rapport van D genoegzaam aangetoond dat de huidige klachten en beperkingen van A worden veroorzaakt door haar terugkerende depressies en dat deze mede door het neuropsychologisch onderzoek voldoende geobjectiveerd zijn. Gelet op de aard van de beperkingen, met name de verminderde concentratie en stressbestendigheid, moet worden aangenomen dat A als gevolg daarvan haar werkzaamheden, die een aanmerkelijke intellectuele inspanning vergen, niet meer kan verrichten. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat zij geen relevante verdiencapaciteit meer heeft.
2.9. Thans ligt de vraag voor welk fictief jaarinkomen van A tot uitgangspunt moet worden genomen bij de schadeberekening.
In de eerste plaats moet ingevolge rechtsoverwegingen 11 en 12 van het tussenvonnis worden bepaald vanaf wanneer A hoogleraar zou zijn geworden. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het niet aannemelijk is dat A, zoals zij stelt, de in 1992 te vervullen hoogleraarpost aan de Vrije Universiteit (die daarvoor door prof. E werd vervuld) zou hebben verkregen.
A heeft vervolgens de bedoelde stelling nader onderbouwd door een verslag van een “promotiegesprek” en beoordelingsverslagen in het geding te brengen. Hierdoor wordt haar stelling echter niet aannemelijker. Uit het verslag van het “promotiegesprek” d.d. 12 mei 1992 volgt dat het promotieonderzoek van A vertraging heeft opgelopen door de grote onderwijstaak na het vertrek van E (volgens A per 1 april 1990) en de absentie van A in verband met de operatie. Er zijn in de processtukken onvoldoende aanknopingspunten te vinden om te veronderstellen dat deze vertragingsfactoren er zonder de medische fout niet zouden zijn geweest. Daarom had A, zoals in rechtsoverweging 12 van het tussenvonnis staat, nader moeten adstrueren wanneer zij, in aanmerking genomen dat zij op zijn vroegst in 1993 zou zijn gepromoveerd, voor een (part time) benoeming als hoogleraar in aanmerking zou zijn gekomen. Nu zij dit niet heeft gedaan volgt de rechtbank B in zijn standpunt dat een eerder hoogleraarschap dan in 1997 niet aan de orde zou zijn geweest.
2.10. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat A naast een parttime hoogleraarschap advocaat zou zijn geworden. Aannemelijk is dat dit, gelet op het voorgaande, eveneens op zijn vroegst in 1997 zou zijn gebeurd.
De rechtbank is er in het tussenvonnis vooralsnog vanuit gegaan dat A in ieder geval de eerste drie jaar waarin zij als advocaat zou zijn ingeschreven, geen lid zou zijn geworden van een maatschap.
A heeft op dit onderdeel haar stelling, dat zij onmiddellijk als maat zou zijn toegetreden, nader onderbouwd door een serie artikelen (kennelijk verschenen op de website www.advocatie.nl) in het geding te brengen over de relatie tussen advocatuur en wetenschap. Ook brengt zij naar voren dat haar procureur met twee voormalige Dekens van de Orde van Advocaten te Amsterdam heeft gesproken en dat in die gesprekken haar stelling is bevestigd.
B voert daartegen aan dat uit de artikelen niet blijkt hoe lang het duurt alvorens een hoogleraar die tevens advocaat wordt, tot een maatschap toetreedt. Hij wijst er voorts op dat A haar stelling niet met overige bewijsstukken heeft gestaafd.
Dit verweer van B treft doel. Uit de serie artikelen blijkt die duur inderdaad geenszins, terwijl A voor het overige haar stelling niet met nadere bewijsstukken heeft onderbouwd. De enkele verwijzing naar gesprekken van haar procureur is onvoldoende zodat de rechtbank het in het tussenvonnis voorlopig ingenomen oordeel, dat A in ieder geval de eerste drie jaar waarin zij als advocaat zou zijn ingeschreven geen lid zou zijn geworden van een maatschap, handhaaft.
2.11. De rechtbank heeft A in het tussenvonnis opgedragen nadere gegevens in het geding te brengen waaruit kan worden afgeleid op welke termijn gemiddeld een eenmaal tot de maatschap toegetreden maat vol in de winst gaat delen en hoeveel dit winstaandeel bij een middelgroot advocatenkantoor gemiddeld bedraagt.
In dit verband heeft A opgemerkt dat het door haar in de dagvaarding genoemde inkomen door B over de periode tot 1999 als juist is erkend. Verder stelt zij dat er weinig informatie over de inkomens in de advocatuur beschikbaar is. Zij heeft geen nadere gegevens overgelegd.
Terecht voert B in dit verband aan dat bij gebreke van nadere gegevens de vordering van A, die betrekking heeft op de door haar gestelde uitgangspunten voor haar fictieve inkomen, niet toewijsbaar is. Het feit dat er volgens A weinig gegevens beschikbaar zijn, ontslaat haar niet van de verplichting om haar stellingen genoegzaam te onderbouwen. Zonodig dient zij daartoe onderzoek te (laten) doen. Nu zij dat kennelijk heeft nagelaten en niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom er geen gegevens te verkrijgen zouden zijn, heeft zij niet aan haar stelplicht voldaan.
De rechtbank merkt nog op dat, anders dan A stelt, het door haar gestelde fictieve inkomen tot 1999 niet kan worden beschouwd als door B erkend. B heeft immers zowel voor als na het tussenvonnis de uitgangspunten van A met betrekking tot het verlies aan verdienvermogen gemotiveerd betwist.
2.12. A heeft ten aanzien van haar fictieve inkomen subsidiair gevorderd in goede justitie een uitgangspunt te bepalen.
Ter beoordeling van deze vordering is van belang dat er geen andere aanknopingspunten voor de begroting van het fictieve inkomen zijn dan de aanname dat A op zijn vroegst in 1997 parttime hoogleraar en parttime advocaat zou zijn geworden. Nu het fictieve inkomen als advocaat niet kan worden begroot, is er voor de fictieve inkomenssituatie geen ander aanknopingspunt dan het salaris van een hoogleraar privaatrecht. Aangenomen moet worden dat A als parttime hoogleraar en advocaat niet minder zou hebben verdiend dan wanneer zij fulltime hoogleraar zou zijn geweest. Daarom dient bij de begroting van de schade het salaris van hoogleraar op fulltime basis tot uitgangspunt te worden genomen als fictief inkomen van A, en wel vanaf 1997.
2.13. Voor de vorderingen van A betekent het voorgaande dat deze zullen worden toegewezen als hierna in het dictum zal worden bepaald.
Aangezien elk van partijen op onderdelen in het ongelijk is gesteld, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.
3. De beslissing
De rechtbank
3.1. verklaart voor recht dat de na september 1989 bij A opgetreden arbeidsongeschiktheid moet worden beschouwd als een gevolg van de op 25 september 1989 door B gemaakte medische fout;
3.2. veroordeelt B om aan A de door haar geleden en te lijden materiële en immateriële schade te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente sinds 20 oktober 1994 met verrekening van de door A ontvangen voorschotten conform het bepaalde in artikel 6:44 van het Burgerlijk Wetboek;
3.3. verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
3.4. verklaart voor recht dat bij de berekening van de door A geleden en te lijden arbeidsvermogenschade als uitgangspunt moet worden gehanteerd dat zij zonder de medische fout met ingang van 1 januari 1997 een inkomen zou hebben genoten ter hoogte van het salaris van een hoogleraar privaatrecht op fulltime basis;
3.5. bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
3.6. wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Hees en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2007
Klacht niet ontvankelijk, omdat het een medisch adviseur betreft, welke zelf geen handelingen verricht.
Medisch adviseurs blijven buiten tuchtrecht
Publicatie in Medisch Contact: Nr. 03 - 19 januari 2007
Rubriek: NieuwsReflex
Pagina: 94
Medisch adviseurs en andere artsen die geen handelingen doen op het gebied van de individuele gezondheidszorg blijven voorlopig buiten het tuchtrecht vallen. Dat heeft minister Hoogervorst geantwoord op Kamervragen.
De Kamerleden Jan de Wit en Agnes Kant van de SP stelden de kwestie aan de orde naar aanleiding van een uitspraak van het Centraal Medisch Tuchtcollege. In de zaak gaat het om een vrouw die brandwonden heeft opgelopen bij het diathermisch verwijderen van een kleine tumor aan de vulva. De patiënte klaagt in de zaak een medisch adviseur van een aansprakelijkheidsverzekeraar aan wegens een onjuist medisch oordeel. Ook zou hij zijn beroepsgeheim hebben geschonden.
Zowel het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle als het Centraal Medisch Tuchtcollege verklaren de klaagster niet ontvankelijk in haar klacht. De medisch adviseur heeft uitsluitend antwoord gegeven op de vraag van een collega-jurist of het de gynaecoloog kan worden verweten dat bij een verwijdering van de kleine tumor brandwonden zijn ontstaan. Als het niet gaat om de beoordeling van de gezondheidstoestand van een patiënt, valt het handelen van de arts niet onder het tuchtrecht, aldus de tuchtcolleges. De mededeling van de medisch adviseur aan zijn collega valt om dezelfde reden niet onder het beroepsgeheim.
Volgens Hoogervorst is het niet nodig om artsen die geen patiëntgebonden activiteiten verrichten onder het tuchtrecht te brengen via een wijziging van de Wet BIG. Klachten over artsen in de betreffende functies kunnen immers al worden ingediend bij klachtencommissies van de instellingen waar zij werken.
Uitspraak van het Tuchtcollege: Tuchtcollege Eindhoven
Datum uitspraak: 27-11-2006
Telefonisch verkregen informatie onvolledig weergegeven in dossier door verpleegster op huisartsenpost
Samenvatting
Een moeder belt 's ochtends de huisartsenpost omdat haar tienjarige zoon ziek is. De huisarts die een visite aflegt veronderstelt dat sprake is van een virale gastro-enteritis. 's Nachts belt de vader opnieuw de huisartsenpost. Hij wordt gerustgesteld door de verpleegkundige die als centraliste op de huisartsenpost werkt.
De verpleegkundige noteert het gesprek in het dossier. De dienstdoende huisarts autoriseert het bericht. Drie uur later blijkt de jongen te zijn overleden.
De ouders verwijten de verpleegkundige o.a. dat zij het gesprek met de vader niet goed weergeven heeft in het dossier. Het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven oordeelt dat het van groot belang is dat een dergelijk gesprek zeer zorgvuldig wordt weergegeven; het betreft een wezenlijk onderdeel in de zorgketen. Het tuchtcollege vindt de klacht gegrond en geeft de verpleegkundige een waarschuwing.
Casus
Op zondagmorgen 18 januari 2004 nam een moeder telefonisch contact op met de huisartsenpost omdat haar tienjarige zoon ziek was. Er werd een visite afgelegd. Het dossier vermeldt daarover het volgende:
"S Zoon is al een week ziek, met koorts rond de 39. Klachten waren vrijdag minder, werden vrijdagnacht erger. Toen begon hij over te geven, had daar gisteren ook erg veel last van. Voelt zich op het moment erg ziek. Geeft erge buikpijn aan ter hoogte van de blaas, zo erg dat hij niet kan lopen en staan. Graag overleg met een arts, ouders maken zich erg veel zorgen. MS O Braken en waterdunne diarree, geen koorts meer keel gb, oren gb, hals gb, pulm: vag abd: perist norm, diffuus drukpijnlijk, indien afgeleid geen druk- en loslaatpijn.
E Veronderstelde virale gastro-enteritis."
Om 02.39 uur 's nachts belden de ouders nogmaals met de huisartsenpost. Ze werden te woord gestaan door een verpleegkundige die als centraliste werkzaam was bij de huisartsenpost. Het dossier vermeld daarover:
S Vader belt. Zie eerdere visite. Jongen heeft nu koude handen en is "afwezig". Drinkt goed, geen koorts meer volgens vader.
P Afwachten hoe het gaat, handen warm wrijven."
De dienstdoende huisarts heeft dit bericht om 03.28 uur geautoriseerd. Bij de stukken bevindt zich een uitwerking van het gesprek tussen de vader en de verpleegkundige dat als volgt luidt:
"V: zit nog steeds met hem in bed: heeft koude handen, is ook afwezig en ijlt. Wat kan dat zijn, kan het met de buikgriep te maken hebben?
A: ja, als je maar ziek genoeg bent. Hoe hoog is de koorts nu?
V: Ja, volgens mij heeft hij geen koorts, maar zweet wel, maar heeft koude handen en zijn lichaam is warm.
A: Dat heeft wel een beetje met de doorstroming te maken, hij ligt ook al een tijdje op bed.
V: Maar dat kan van de buikgriep komen, hij is gewoon helemaal afwezig.
A: Als hij zoveel braakt en zo ziek is geweest, op een gegeven moment, ga u zelf maar na, dan ben je natuurlijk niet echt fris en alert.
A: Drinkt nog wel?
V: Ja, hij drinkt nou nog wel.
A: Da's prima, da's het belangrijkste en als u zich verder zorgen maakt moet u gewoon morgen nog even naar de eigen HA gaan.
V: Maar verder niks ehh ..?
A: Neen, wel de handen wrijven, geef hem wat extra drinken. Ja, u heeft de koorts niet opgemeten dus daar kan ik op het moment niets over zeggen.
V: Nee hij heeft ook niet echt koorts, we kunnen dus verder niets doen?
A: Nee op dit moment niet meneer A,
V: Nou dan weet ik voldoende
A: Beterschap met hem"
Diezelfde nacht om 05.38 uur belde de vader de huisartsenpost en vertelde dat zijn zoon was overleden.
Klacht
De ouders dienen bij het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven de volgende klacht in tegen de verpleegkundige van de huisartsenpost:
a. De verpleegkundige heeft het door de vader geschetste beeld niet volledig weergegeven bij de dienstdoende huisarts.
b. Zij heeft tijdens het telefoongesprek met de vader onvoldoende doorgevraagd.
c. Zij heeft ten onrechte getracht de vader gerust te stellen met het verkeerde advies "handen warm wrijven".
Verweer
De verpleegkundige vindt om te beginnen dat de klagers niet-ontvankelijk zijn in hun klacht [noot: als een klacht niet-ontvankelijk is kan het tuchtcollege de klacht niet behandelen]. Hoewel zij als verpleegkundige in het BIG-register staat geregistreerd, is zij niet werkzaam als verpleegkundige, maar als doktersassistent-zorgcentralist. In deze functie gebruikt zij wezenlijk andere kennis en vaardigheden dan in de functie van verpleegkundige.
Vervolgens stelt de verpleegkundige dat de klacht ongegrond is. Zij heeft protocollair juist gehandeld. Zij heeft eerst de gegevens van de vorige telefoontjes en de visite geraadpleegd en vervolgens de door vader gestelde vragen beantwoord. Uit de weergave van het telefonisch consult blijkt dat zij het telefoongesprek met de vader adequaat weergegeven heeft.
De verpleegkundige heeft de ernst van de medische situatie van de jongen tijdens het telefoongesprek niet juist ingeschat. Dit kan haar echter niet aangerekend worden. De diagnose gastro-enteritis die eerder tijdens de visite door de huisarts is gesteld, is een relatief onschuldige aandoening, waarbij een patiënt zich behoorlijk ziek voelt. De klachten van de jongen die de vader noemde, kunnen heel goed bij deze aandoening passen. Bovendien was de vader niet in paniek of erg verontrust. Hij zocht bevestiging van de vraag of de klachten van zijn zoon pasten bij het beeld van gastro-enteritis. De verpleegkundige kon dat bevestigen.
Gezien de door de huisarts gestelde diagnose en de aard van het telefoongesprek heeft de verpleegkundige zorgvuldig gehandeld. Het advies om de handen warm te wrijven paste binnen de gestelde diagnose en de toen bekende feiten.
Beoordeling
Het tuchtcollege stelt vast dat de reikwijdte van het tuchtrecht in de gezondheidszorg enerzijds wordt bepaald door de hoedanigheid waarin de aangeklaagde beroepsbeoefenaar is ingeschreven in het BIG-register en anderzijds wordt beperkt tot handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg. De verpleegkundige is als verpleegkundige ingeschreven in het BIG-register en het staat voldoende vast dat zij zich heeft begeven op het terrein van de individuele gezondheidszorg. Dit betekent dat de klagers ontvankelijk zijn in hun klacht.
Het college vindt onderdeel b. en c. van de klacht ongegrond. De wijze waarop de verpleegkundige vragen heeft gesteld en advies heeft gegeven, kan niet worden beoordeeld met de maatstaven die voor een arts gelden. Vast staat dat zij bij haar vragen conform het protocol heeft gehandeld. Achteraf bezien was het door haar gegeven advies weliswaar niet adequaat, maar aan de andere kant was het ook onschuldig. Verder moet een en ander door de dienstdoende huisarts geautoriseerd worden, wat ook is gebeurd.
Het tuchtcollege vindt onderdeel a. van de klacht wel gegrond. De verpleegkundige heeft het door de vader geschetste beeld inderdaad niet volledig weergegeven. Met name heeft zij niet gemeld dat volgens de klager zijn zoon ijlde en zweette. Daarover werd tijdens de visite door de huisarts niet gerept. Bovendien heeft de verpleegkundige gemeld dat de jongen afwezig was, terwijl de vader spreekt over "helemaal" afwezig. Het college merkt nog op dat het college niet in staat is vast te stellen hoe in het telefoongesprek de communicatie over de ademhaling van de jongen is verlopen omdat de meningen daarover verschillen.
Het is van groot belang dat een dergelijk gesprek zeer zorgvuldig wordt weergegeven; het betreft hier een wezenlijk onderdeel in de keten van de gezondheidszorg die via een huisartsenpost wordt verleend. De verpleegkundige is hier tuchtrechtelijk verwijtbaar tekort geschoten.
Beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven verklaart onderdeel a. van de klacht gegrond en geeft de verpleegkundige een waarschuwing.
Uitspraak van het Gerechtshof Arnhem (Handelskamer)
6 maart 2007. nr 2005/292, LJN: BA1317.
Medische Aansprakelijkheid. Civielrechtelijke aansprakelijkheid van een arts en tuchtrecht
is gebaseerd op verschillende toetsingscriteria
BW art. 7:453; Wet BIG art. 47
Uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, LJN: BA6412, Gerechtshof Amsterdam, 05/1776
Inzake het plaatsen van een arts op een lijst van kwakzalvers door de Vereniging tegen de Kwakzalverij. Aangezien de Vereniging voor ca 65% bestaat uit artsen zal aan haar publicaties bovendien een zeker gezag worden toegekend, aldus het Gerechtshof. De massa, die kennis neemt van de publicatie in bijvoorbeeld de Volkskrant zal een negatieve gevoelswaarde toekennen aan de term kwakzalver en daarmee zal volgens het Gerechtshof dan de professionele integriteit van mevrouw Sickesz als orthomanuele genezeres worden aangetast. Niet kon worden gesteld dat de geneeswijze van mevrouw Sickesz de benaming kwakzalverij volgens de Van Dale verdient.
31-05-2007
Datum publicatie: 05-06-2007
Rechtsgebied: Handelszaak
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie:
Voor de uitleg van de term kwakzalver dient van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse Taal als uitgangspunt. De vraag of een arts, die de orthomanuele geneneeskunde (OMG) beoefent, een kwakzalver genoemd mag worden, wordt ontkennend beantwoord. Niet kan worden gezegd dat OMG ‘nutteloos’ is als bedoeld in de definitie van Van Dale, laat staan dat de arts die OMG beoefent zou mogen worden bestempeld als boerenbedrieger, oplichter of knoeier, volgens Van Dale synoniemen van de term kwakzalver.
MARIA SICKESZ,
wonende te 's-Gravenhage,
APPELLANTE,
procureur: mr. C.J. Blauw,
t e g e n
de vereniging
VERENIGING TEGEN DE KWAKZALVERIJ,
gevestigd te Amsterdam en
CORNELIS NICOLAAS MARIA RENCKENS,
wonende te Hoorn,
GEINTIMEERDEN,
procureur: mr. G.W. Kernkamp.
Dit arrest is gewezen door mrs. T.A.C. van Hartingsveldt, J.H. Huijzer en C.E. van Oosten-van Smaalen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 31 mei 2007.
LJN: AD7595, Rechtbank Amsterdam , 13/011874-00
Datum uitspraak: 20-12-2001
Datum publicatie: 21-12-2001
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie: Verdachte is bij de onderhavige bevalling ernstig tekortgeschoten in zijn handelen als gynaecoloog. Daardoor is het kind, [slachtoffer], bij de geboorte overleden
Op 1 juni 1998 omstreeks 18.30 uur is verdachte door de verloskundige in consult geroepen bij de moeder, die op dezelfde dag omstreeks 15.40 was opgenomen in Ziekenhuis Hilversum. Verdachte heeft eerst vacuumextractie en vervolgens forcipale extractie toegepast, die geen resultaat hadden en heeft uiteindelijk een secundaire keizersnede verricht. Om 20.20 uur is het [slachtoffer] geboren met een Apgarscore van 0. Reanimatiepogingen faalden en het kind is korte tijd later overleden.
Het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven heeft in haar uitspraak van 24 november 1999 geoordeeld dat verdachte bij deze bevalling in verschillende opzichten heeft gefaald. Niet alleen was er sprake van een onjuiste beoordeling van de mate van indaling van het kind bij de proeftractie, verdachte had onder de omstandigheden van dit geval nooit mogen overgaan tot vacu?mextractie. Verdachte heeft vervolgens de verkeerde beslissing genomen een forcipale extractie te verrichten. Hij heeft daarbij ook onjuist gehandeld door - bij die indaling - gebruik te maken van de zogenaamde Boerema-tang. Overeenkomstig het voorstel van de officier van justitie heeft de rechtbank genoemde uitspraak van het Regionaal Tuchtcollege te Eindhoven opgevat als een verslag van deskundigen in de zin van artikel 344, eerste lid aanhef en onder 4e van het Wetboek van Strafvordering. Als zodanig kan deze uitspraak tot het bewijs doen medewerken.
Uit de bevindingen van patholoog Torenbeek bij de verrichte sectie blijkt dat verdachte bij de tangverlossing op onjuiste wijze en/of in te grote mate kracht heeft uitgeoefend. De rechtbank neemt deze conclusies over en maakt deze tot de hare.
Ter terechtzitting heeft verdachte enkele kanttekeningen geplaatst bij de eerder aangehaalde uitspraak van het tuchtcollege, maar hij heeft onvoldoende aannemelijk kunnen maken dat hij zich, alvorens over te gaan tot het gebruik van kunstgrepen bij de bevalling (vacuumextractie en tangverlossing), heeft vergewist van de juiste stand van het kinderhoofdje
Het voorgaande overziende is de rechtbank van oordeel dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig heeft gehandeld en de dood van [slachtoffer] aan verdachtes grove schuld is te wijten.
5. De strafbaarheid van het feit.
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
6. De strafbaarheid van verdachte.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
7. Geen straf of maatregel.
De rechtbank stelt voorop dat verdachte bij de onderhavige bevalling ernstig is tekortgeschoten in zijn handelen als gynaecoloog. Daardoor is het kind, [slachtoffer], bij de geboorte overleden. Aan de nabestaanden, en in het bijzonder de ouders en de grootouders, is dientengevolge onherstelbaar leed toegebracht.
Anderzijds is meegewogen dat verder niet is gebleken van ernstige problemen in het functioneren van verdachte. Voorts is uit het onderzoek ter terechtzitting duidelijk geworden dat het onderhavige voorval, en de nasleep daarvan, diep hebben ingegrepen in het leven van verdachte. Verdachte heeft zich met ingang van 17 mei 1999 volledig arbeidsongeschikt gemeld in verband met een depressie. Het medisch tuchtcollege heeft hem voorwaardelijk geschorst en hem een jaar onder toezicht laten werken, hetgeen verdachte zwaar is gevallen. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij zich niet meer in staat voelt om in zijn oude beroep te werken en dat hij ook niet meer van plan is dat ooit nog uit te oefenen.
Gelet op de omstandigheden die zich na het begaan van het bewezen geachte hebben voorgedaan, is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een strafrechtelijke sanctie niet geindiceerd is en zij zal daarom geen straf of maatregel aan verdachte opleggen.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
8. Beslissing:
Verklaart het primair en subsidiair telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat verdachte het meer subsidiair telastegelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.2 is aangegeven.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is telastegelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt ver-dachte daarvan vrij.
Het bewezenverklaarde levert op:
Dood door schuld, terwijl het misdrijf is gepleegd in de uitoefening van enig ambt of beroep
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.
Bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Tuchtcollege: Regionaal Tuchtcollege Eindhoven
Datum uitspraak: 19-05-1999
Liefdesrelatie met patiënte ontoelaatbaar
Zorgsector: Psychiatrie
Klachtensoort: Grensoverschrijdend gedrag
Klager: Zorgvrager / patiënt / cliënt
Samenvatting
Een psychiatrisch verpleegkundige staat in mei 1999 terecht voor het Regionale Tuchtcollege te Eindhoven. Een oud-patiënte heeft de man aangeklaagd omdat hij een liefdesrelatie met haar is aangegaan en seksueel contact met haar heeft gehad. Andere klachten van de klaagster zijn dat de verpleegkundige haar, onbevoegd, medicatie heeft gegeven en geprobeerd heeft haar behandeling te beïnvloeden. Het College stelt de klaagster wat betreft de eerste twee klachten - de relatie en de medicatie - in het gelijk. De derde klacht - het beïnvloeden van de medische behandeling - is naar het oordeel van het College niet gegrond. De verpleegkundige wordt veroordeeld tot een een voorwaardelijke, tijdelijke schorsing uit het BIG-register, twee jaar lang niet werken in de directe gezondheidszorg en ƒ 2500,- boete. Het oordeel wordt geanonimiseerd gepubliceerd in de Staatscourant en ter publicatie aangeboden aan drie verpleegkundige tijdschriften.
Uitspraak
Casus
De klaagster, een vrouw met de diagnose 'manisch-depressief syndroom', wordt met een rechterlijke machtiging opgenomen in een psychiatrische kliniek. De aangeklaagde verpleegkundige werkt al bijna dertig jaar in dit ziekenhuis. Hier leert hij klaagster kennen, nadat zij is overgeplaatst naar de afdeling waar hij werkt. De klaagster en de verpleegkundige krijgen een relatie met elkaar. Ze gaan enkele malen met elkaar naar bed, in de kliniek en ook in haar en zijn woning.
Na enkele maanden licht de klaagster de patiëntenvertrouwenspersoon in over de verhouding met de verpleegkundige. Deze adviseert de vrouw haar behandelend arts van de relatie op de hoogte te stellen. Als de klaagster de verpleegkundige thuis bezoekt, vertelt de vrouw dat zij van plan is dit te doen. Ze is gespannen als ze dit vertelt. De verpleegkundige heeft haar toen 10 mg Seresta forte gegeven. De relatie wordt beëindigd. De verpleegkundige wordt ontslagen.
Klager
patiënt
Klacht
De patiënt dient de volgende klacht in tegen de verpleegkundige:
1. De verpleegkundige is een liefdesrelatie met haar aangegaan.
2. De verpleegkundige heeft haar medicatie gegeven terwijl hij daartoe niet bevoegd was.
3. De verpleegkundige heeft geprobeerd haar medische behandeling te beïnvloeden.
Verweer
De verpleegkundige geeft toe dat hij met klaagster een liefdesrelatie heeft gehad. Hij erkent ook dat hij hiermee een ernstige fout heeft gemaakt. Tegelijkertijd vraagt hij om een mild oordeel. Door zijn ontslag is hij al zwaar getroffen, zo voert hij aan. Hij is inmiddels werkloos. Werken in de psychiatrie is het enige waartoe hij is opgeleid en wat hij altijd heeft gedaan. Hij is van werk in deze sector afhankelijk om in het onderhoud van zijn gezin te kunnen voorzien.
Beoordeling
Ontoelaatbaar, zo oordeelt het College over het aangaan van de liefdesrelatie door de verpleegkundige. Psychiatrische patiënten hebben bij uitstek behoefte aan veiligheid en geborgenheid. Dat moet de hulpverlener beseffen. Hij dient daarom een veilige afstand te bewaren tegenover de patiënten voor wie hij zorg draagt. Het aangaan van een liefdesrelatie verdraagt zich niet met het bewaren van voldoende professionele afstand. Zo'n relatie staat een goede hulpverlening in de weg. De verpleegkundige had bovendien niet de bevoegdheid medicatie toe te dienen. Ook in dat opzicht heeft hij verkeerd gehandeld. Het College beoordeelt de eerste twee klachten van klaagster daarmee als gegrond.
De derde klacht acht het College niet gegrond. Het is niet gebleken dat de verpleegkundige geprobeerd zou hebben de medische behandeling van klaagster te beïnvloeden.
Het eindoordeel van het College is dat de verpleegkundige ernstige verwijtbare fouten heeft gemaakt. De verpleegkundige heeft gehandeld in strijd met de zorg die hij de patiënte had behoren te geven. De gemaakte fouten zijn zo ernstig dat een van de lichtere tuchtrechterlijke maatregelen niet volstaat. Er moet een maatrgeel opgelegd worden die als effect heeft dat de verpleegkundige geruime tijd niet in de directe patiëntenzorg werkzaam kan zijn. Hij kan in die tijd wel andere verpleegkundige werkzaamheden verrichten. Inmiddels heeft hij de mogelijkheid om met deskundige hulp maatregelen te nemen om herhaling te voorkomen. Het college legt ook een geldboete op om de ernst van de gemaakte fouten nogmaals te onderstrepen.
Beslissing
De verpleegkundige wordt voorwaardelijk voor een jaar geschorst uit het BIG-register. Het College verbindt hieraan de voorwaarde dat de verpleegkundige twee jaar lang niet zal werken in de directe patiëntenzorg. Bovendien moet hij een geldboete betalen van ƒ 2500,-.
Tuchtcollege: Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
Datum uitspraak: 25-10-2001
Dienstdoende arts in strijd met protocol niet gewaarschuwd: gevolg suicide patiente
Zorgsector: Psychiatrie
Klachtensoort: Onjuiste behandeling /verkeerde diagnose
Klager: Inspecteur gezondheidszorg
Samenvatting
Een patiënte met een borderline stoornis verbleef vrijwillig in een psychiatrisch centrum. Daar deed zij in de loop van een aantal dagen enkele suïcidepogingen dan wel -gestes. Na een aantal in ernst toenemende incidenten werd zij 's nachts in bed aangetroffen met een plastic zak op haar gezicht en het snoer van een koptelefoon om haar hals. Zij was overleden.
De Inspectie voor de Gezondheidszorg diende een klacht in tegen het verpleegkundig avond-, weekend- en nachthoofd (AWN-hoofd). De verpleegkundige had het medisch en verpleegkundig dossier niet geraadpleegd, hij had zich niet gehouden aan afspraken (de patiënte zou ingeval van een suïcidepoging gesepareerd worden} en hij had in strijd met het suïcideprotocol gehandeld door te handelen zonder raadpleging of instemming van de behandelend arts. Het Regionaal Tuchtcollege Den Haag vond alle klachten gegrond en gaf de verpleegkundige een berisping. Het Centraal College achtte alleen de eerste klacht gegrond en vernietigde de beslissing van het Regionaal College. De verpleegkundige kreeg de (lichtere) maatregel van een waarschuwing opgelegd omdat hij de dienstdoende arts niet geconsulteerd had.
Uitspraak
Casus
Een patiënte met een borderline persoonlijkheidsstoornis werd op 26 januari 1998 opnieuw opgenomen in een psychiatrisch centrum wegens suïcidaliteit als gevolg van een depressie. De opname was vrijwillig. De behandeling bestond uit medicatie en daarnaast werd geprobeerd haar meer controle te laten krijgen over haar suïcidaliteit.
Op 28 januari had de psychiater een gesprek met de patiënte. Ze twijfelde over leven of dood. Er werd afgesproken dat zij daarover na moest denken en dat zij in de tussentijd tegen zichzelf beschermd moest worden. Een dag later werd de vrouw aangetroffen met een koord losjes om haar nek. Op 30 januari sprak de psychiater met de patiënte af dat zij niet meer in haar kamer mocht blijven, maar in de open afzonderingsruimte moest verblijven en dat zij naar de separeerruimte moest als bleek dat zij haar suïcidaliteit niet in de hand had. Ondanks haar angst voor separatie ondertekende de patiënte de afspraak, die werd vastgelegd in het medisch dossier.
Verschillende teamleden waren het niet eens met dit beleid. Een van de getuigen verklaarde twijfels gehad te hebben over de plaatsing van de patiënte op een afdeling die geen maximale structuur aanbrengt. Dit was volgens hem vragen om moeilijkheden met de patiënte; gezien haar ziektegeschiedenis leverde zij bij een ambivalent beleid een aanmerkelijk gevaar op voor 'splitting' van het behandelteam en daarmee gevaar voor haarzelf. Op 30 januari werd na een fikse discussie binnen het behandelteam in de 'verpleegkundige instructie' als beleid genoteerd: 'Indien Mw. toch suïcidepogingen onderneemt volgt separatie + aanvraag IBS. Hieraan was voorafgegaan dat de patiënte driemaal was aangetroffen met een plastic pedaalemmerzak om haar hoofd.
Op de avond van 2 februari waren er enkele in ernst toenemende incidenten (opgespaarde Oxazepam ingenomen, polsen bekrast met glasscherven). Het aangeklaagde verpleegkundig avond-, weekend- en nachthoofd had dienst en werd gewaarschuwd door de dienstdoende verpleegkundige. Afgesproken werd 1 maal tensie te meten en een aantal wekcontroles uit te voeren.
Om middernacht treft de dienstdoende verpleegkundige de vrouw aan in een telefooncel waar ze zich had ingesloten; ze heeft een pedaalemmerzak over haar hoofd. De verpleegkundige belt opnieuw het AWN hoofd die de deur weet te openen. Een half uur later wordt de patiënte opnieuw in de telefooncel aangetroffen, nu ook met het snoer van de telefoon los omgehangen. De verpleegkundige heeft de materialen verwijderd waarna de patiënte uit eigen beweging terug ging naar haar afzonderingskamer. Weer een uur later werd de patiënte voor de derde keer in de telefooncel aangetroffen; het telefoonsnoer zat nu wat strakker. Dit was voor de dienstdoende verpleegkundige aanleiding het AWN-hoofd te bellen en voor te stellen om conform het behandelplan, over te gaan tot isolatie van mevrouw. Dit zou in een ander paviljoen moeten gebeuren omdat in het paviljoen waar de patiënte verbleef, geen separeerrruimte beschikbaar was. In gezamenlijk overleg besloten het AWN-hoofd en de verpleegkundige mevrouw voor de keuze te stellen: stoppen met haar gedrag of naar de separatie. Mevrouw beloofde te gaan slapen. Om 01.35 heeft de dienstdoende verpleegkundige de patiënte welterusten gewenst. Een half uur later trof ze de vrouw aan in bed met een plastic zak op haar gezicht en het snoer van een koptelefoon om haar hals. De patiënte was overleden.
Klacht
De hoofdinspecteur en inspecteur voor de gezondheidszorg hebben bij het Regionaal Tuchtcollege Den Haag (RTC) de volgende klachten ingediend:
1. De verpleegkundige handelde op basis van onvoldoende kennis van het verpleegkundig en medisch dossier.
2. De verpleegkundige handelde in strijd met de afspraken zoals die binnen het behandelteam en met de patiënte gemaakte waren.
3. De verpleegkundige handelde in strijd met het protocol voor suïcidepogingen.
4. De verpleegkundige handelde zonder de dienstdoende arts te raadplegen of diens instemming te vragen.
5. De verpleegkundige is na de suïcide onvoldoende professioneel opgetreden door twijfels over de doodsoorzaak niet bespreekbaar te maken, door geen deel te nemen aan de teambespreking en door geen contact te zoeken met het verpleegkundig afdelingshoofd en/of de behandelend psychiater.
Verweer
In zijn verweer tegenover het Regionaal Tuchtcollege legde het AWN-hoofd er de nadruk op dat er binnen het behandelteam geen overeenstemming was over de behandelwijze van de patiënte. De afspraken waren daardoor niet opgenomen in het verpleegkundig dossier, maar kort neergelegd in de zogenaamde 'verpleegkundige instructie'. De afspraken zijn nooit aan hem overgedragen.
Op de avond van 2 februari heeft de verpleegkundige om een uur of tien 's avonds wel degelijk de dienstdoende arts geconsulteerd. Hij is hier zeker van, omdat dit zijn vaste beleid is. Hij heeft er echter geen aantekening van gemaakt. De betrokken arts ontkent geconsulteerd te zijn.
Het gedrag van de patiënte in de telefooncel beoordeelde de verpleegkundige eerder als theatraal dan als een serieuze suïcidepoging, mede gezien de valse meldingen in de voorgaande uren en dagen. Pas na het derde incident in de telefooncel had de dienstdoende verpleegkundige hem op de hoogte gesteld van de separeerafspraak. Die kwam op hem echter niet over als een dwingende behandelafspraak, maar meer als een mogelijk alternatief. In het collegiale overleg dat volgde, overwogen ze dat de patiënte een panische angst had voor separatie, dat een separeercel niet beschikbaar was in het betrokken paviljoen en dat haar familie tegen separatie gekant was. Gezamenlijk besloten ze de zaak nog even aan te zien en de patiënte de gelegenheid te geven door alsnog te gaan slapen separatie te voorkomen.
Beoordeling Regionaal Tuchtcollege
Ad klacht 1: De verpleegkundige heeft toegegeven gehandeld te hebben zonder het medisch of verpleegkundig dossier te raadplegen. Het college vindt deze handelwijze niet juist. De herhaling van de incidenten had aanleiding moeten zijn om na te gaan of er afspraken waren gemaakt en wat die inhielden. De reactie van de verpleegkundige dat het medisch dossier in een ander paviljoen lag, laat het college in het midden. De verpleegkundige had namelijk hoe dan ook kennis kunnen nemen van het afsprakenblad waarop het beleid met betrekking tot de patiënte was vermeld.
Ad klacht 2: Vast staat dat de aangeklaagde verpleegkundige in ieder geval om 01.20 door de dienstdoende verpleegkundige is gewezen op de gemaakte afspraken. Desondanks heeft hij die niet gevolgd. Daarmee handelde hij anders dan van hem verwacht mocht worden; ook handelde hij aldoende in strijd met de zorg die hij ten opzichte van de patiënte behoorde te betrachten. De verpleegkundige had de dienstdoende arts moeten waarschuwen om met hem het beleid door te spreken. Het was onjuist dat hij dat beleid zelf bepaalde; hij week daarbij bovendien af van de afspraak die de psychiater met de patiënte had gemaakt. Dat hem onvoldoende is overgedragen dat de behandelafspraken waren gewijzigd kan hij niet als verontschuldiging aanvoeren. Hij had zelf activiteiten moeten ontwikkelen om zich op de hoogte te stellen van die afspraken.
Ad klacht 3 en 4: Het ziekenhuisprotocol bevatte regels voor de behandeling van suïcidepogingen. Als buiten kantooruren een suïcidepoging wordt gedaan moet de verpleging het AWN-hoofd waarschuwen. Het AWN-hoofd moet vervolgens de dienstdoende arts inlichten. De verpleegkundige heeft dit protocol niet gevolgd.
Ad klacht 5: Het college overweegt dat de verpleegkundige wellicht actiever op had kunnen treden. Het gaat echter volgens het college te ver om de verpleegkundige dit tuchtrechtelijk te verwijten.
Het RTC vindt de eerste vier klachten gegrond, de vijfde niet. Bij het opleggen van een maatregel neemt het college in aanmerking dat de verpleegkundige een lange staat van dienst heeft en dat de directie hem ook al een berisping gegeven heeft.
Beslissing Regionaal Tuchtcollege
De verpleegkundige krijgt een berisping.
Beoordeling Centraal Tuchtcollege
De verpleegkundige stelt hoger beroep in tegen de uitspraak van het RTC. Het Centraal Tuchtcollege (CTG) oordeelt als volgt over de bij het RTC ingediende klachten:
Ad klacht 1: Het tuchtrechtelijk verwijt dat het AWN-hoofd het medisch- en verpleegkundig dossier niet geraadpleegd heeft, voert te ver. Het AWN-hoofd droeg de verpleegkundige verantwoordelijkheid voor 600 opgenomen patiënten. Het lag op de weg van de dienstdoende verpleegkundige om het AWN-hoofd in te lichten over de actuele stand van zaken. Het is overigens de vraag of het niet kennis nemen van de dossiers van invloed is geweest op het gevoerde beleid. De verpleegkundigen stonden immers voor het dilemma of de suïcidale gestes ernstig genoeg waren om tot separatie over te gaan. Zie klacht 2.
Ad klacht 2: De raadsman van de verpleegkundige vraagt het Centraal Tuchtcollege aan te geven of de verpleegkundige een eigen beleidsverantwoordelijkheid heeft ten opzichte van een door de arts en het behandelteam uitgestippeld beleid. Ook vraagt hij in hoeverre de verpleegkundige een eigen belangenafweging moet maken bij de toewijzing van schaarse middelen (i.c. was er één separeerruimte beschikbaar). Tenslotte wil hij weten of en in hoeverre de verpleegkundige een eigen beoordeling moet maken en een eigen beleidsvrijheid heeft ten aanzien van het toepassen van middelen en maatregelen zoals separatie.
Het CTG vindt dat het beantwoorden van dergelijke principiële vragen meer op de weg van de ligt van de beroepsorganisaties. Deze zaak is volgens het CTG bovendien zo specifiek dat hij zich niet leent voor het afbakenen van verantwoordelijkheidsgrenzen. De psychiater heeft namelijk door zijn optreden op 2 februari zelf de gemaakte afspraak van 30 januari in een ambivalent daglicht geplaatst. Na een suïcidegeste heeft hij toen niet tot separatie besloten. Zodoende was het voor de betrokkenen niet duidelijk dat het beleid om met de patiënte in gesprek te blijven, was gewijzigd. In de nacht van 2 op 3 februari zagen de beide verpleegkundige zich daardoor voor het dilemma geplaatst of sprake was van suïcidale gestes of van serieuze suïcidepogingen, die tot separatie hadden moeten leiden. Hoe ongelukkig de gang van zaken ook is geweest, er kan niet de conclusie uit getrokken worden dat het AWN-hoofd heeft gehandeld in strijd met de gemaakte afspraken.
Ad klacht 3 en 4: Het al of niet volgens het protocol waarschuwen van de dienstdoende arts hangt mede af van de vraag of sprake is van suïcidegestes of van suïcidepogingen. Het kan namelijk niet de bedoeling zijn dat een dergelijk protocol gevolgd wordt bij elk suïcidaal gebaar. Gezien de toenemende ernst van de incidenten meent het college echter dat de verpleegkundige de arts uiteindelijk had moeten inlichten. De verpleegkundige erkent dat hij dat niet kan bewijzen. Daarom staat hij op het standpunt 'dat het ervoor gehouden kan worden dat hij het niet heeft gedaan.'
Ad. klacht 5: Het CTG kan zich vinden in de mening van het RTC.
Het Centraal Tuchtcollege komt tot een andere beslissing dan het Regionaal Tuchtcollege. De verpleegkundige wordt tuchtrechtelijk verweten dat hij in de nacht van 2 op 3 februari heeft nagelaten de dienstdoende arts te raadplegen.
Beslissing Centraal Tuchtcollege
Het Centraal Tuchtcollege vernietigt de beslissing van het Regionaal Tuchtcollege en legt de verpleegkundige een (lichtere) maatregel op, te weten een waarschuwing.
HET REGIONAAL TUCHTCOLLEGE TE EINDHOVEN
heeft het volgende overwogen en beslist in de klachtzaak van
A, wonende te B, klager
tegen
C, verpleegkundige, wonende te D, verweerder
raadsman mr. E te D.
1. Na de indiening van het klaagschrift en de verzending van een afschrift daarvan aan
verweerder heeft de voorzitter het vooronderzoek opgedragen aan de secretaris. De secretaris heeft partijen in de gelegenheid gesteld in het vooronderzoek te worden gehoord, waarvan klager gebruik heeft gemaakt.
Het College heeft kennis genomen van het klaagschrift, van de in het kader van het
vooronderzoek ontvangen stukken te weten het verweerschrift, de repliek en de dupliek, van het procesverbaal van de hoorzitting alsmede van de in dit kader overgelegde stukken.
De klacht is behandeld op 20 september 2004, waarbij zijn gehoord klager en verweerder
bijgestaan door zijn raadsman.
De klacht heeft betrekking op de verzorging door verweerder van klagers zoon F, die is
geboren in 1962 en hierna ook zal worden aangeduid als de patient, op 12 en 13 januari 2002 in het G Ziekenhuis te D.
2. Naar aanleiding van de klacht heeft het College de feiten en omstandigheden onderzocht en op grond van de inhoud van de gedingstukken en van de ter zitting afgelegde verklaringen het volgende vastgesteld:
Op zaterdag 12 januari 2002 is de patient door zijn huisarts ingestuurd naar het G Ziekenhuis, locatie H, omdat hij die ochtend slecht reageerde, waarbij de pati?nt tot tweemaal toe de uitspraak deed dat hij dood ging. Daar werd de pati?nt omstreeks 11.45 uur gezien op de spoedeisende hulp, waar hij door de neuroloog en de psychiater werd onderzocht. De neuroloog vond geen neurologische aanknopingspunten, maar concludeerde met de psychiater dat er sprake was van een psychogene stupor. Ook het laboratoriumonderzoek toonde, op een enigszins verlaagde zuurstofsaturatie na, geen bijzonderheden. De patient werd na onderzoek overgedragen aan de psychiater, die hem aansluitend om 15.00 uur opnam op de PAAZ-afdeling, waarbij als beleid observatie en bewaking werd ingesteld. Op die dag had verweerder als verpleegkundige op deze afdeling van 15.00 uur tot 23.00 uur dienst en werd met een collega mede met de observatie en verzorging van de pati?nt belast. Op zondag 13 januari 2002 omstreeks 11.45 uur is de pati?nt aldaar overleden. Obductie heeft aangetoond dat er sprake was van een massale longembolie.
3. Klager verwijt verweerder ernstig tekort te zijn geschoten in de zorg, die hij als
verpleegkundige jegens de pati?nt behoorde te betrachten.
Daarbij wijst hij erop dat ondanks telefonische verzoeken van zijn echtgenote is nagelaten
middels een infuus vocht toe te dienen, een katheter aan te brengen om urine af te voeren,
alsmede desnoods zuurstof toe te dienen doch de pati?nt 24 uur lang in dezelfde houding,
enorm transpirerend in zijn urine heeft gelegen. Voorts is zonder hun toestemming alle kleding van de patient weggegooid.
Klager acht het overduidelijk dat het permanente stilliggen en het onthouden van het
noodzakelijke vocht tot de longembolie hebben geleid.
4. Verweerder wijst de klacht van de hand en geeft aan wel degelijk zorg te hebben verleend, onder andere door observatie, gezicht opfrissen, slokjes te drinken geven, pols- en tensiecontroles op onregelmatige tijden alsmede regelmatig binnenlopen en aanspreken van de patient.
Hij stelt dat er geen protocol voor de behandeling van dergelijke pati?nten bestaat, de opdracht alleen observatie en geen speciale controles inhield, alsmede het transpireren door de patient wel meeviel.
Verweerder voert voorts aan dat het vermelden van standaardhandelingen in de
verpleegkundige verslaglegging en een controlelijst niet werden verlangd, welk beleid
inmiddels is bijgesteld.
5. Omtrent de klacht moet het volgende gelden:
Het ingestelde beleid betrof de observatie en bewaking van een stuporeuze, transpirerende
patient. Een registratie van de te observeren en bewaken punten heeft evenwel niet
plaatsgevonden.
In de verpleegkundig rapportage wordt van drinken door de pati?nt geen melding gemaakt,
waarbij aangetekend wordt dat gezien de gradaties in een stuporeus beeld drinken niet is
uitgesloten. Tijdens de mondelinge behandeling werd de totale vochtinname door verweerder op enkele slokjes geschat. Voorts wordt in de rapportage slechts gewag gemaakt van de mogelijkheid tot toiletbezoek zonder dat daadwerkelijk gebruik hiervan blijkt, wel is sprake van het door de patient de volgende dag urineren in bed doch over de mate van urineren kon geen indicatie worden gegeven. Verweerder heeft aangegeven dat pati?nt tijdens zijn dienst niet geurineerd heeft. Een vochtbalans ontbreekt mitsdien. De verslaglegging bevestigt het beeld van een langdurig stilliggende patient, dat in dit verband maatregelen zijn genomen blijkt daaruit niet. Deze wijze van verslaglegging beoordeelt het College als onvoldoende.
Gesteld noch gebleken is dat bij de patient tekenen van een beginnende uitdroging
waarneembaar waren. Zelfs als van uitdroging van de patient sprake zou zijn geweest, zoals klager stelt, dan acht het College niet aannemelijk dat dit geleid zou kunnen hebben tot de massale longembolie, waaraan de pati?nt uiteindelijk is overleden. Dat neemt evenwel niet weg, dat uit de verslaglegging en de mondelinge toelichting niet aannemelijk is geworden dat alle noodzakelijke zorg is gegeven ter voorkoming van bedgevaren bij een immobiele patient.
Het College acht de klacht dan ook gegrond en een waarschuwing op zijn plaats.
BESLIST:
Verklaart de klacht gegrond;
Legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op.
Aldus beslist door mr. B.A.J. Broekman, plaatsvervangend voorzitter, mr. J.L.H.M.
Adelmeijer, plaatsvervangend rechtsgeleerd lid, , A.E. Teuwissen, lid-verpleegkundige, C.E.B. Driessen en C. van Mierlo-Renia, plaatsvervangend leden-verpleegkundigen, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Houben, plaatsvervangend secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van 18 november 2004 door mr. H.P.H. van Griensven, voorzitter, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Houben.
Regionaal Tuchtcollege te Amsterdam
Het college heeft het volgende overwogen en beslist omtrent de op 28 december 1999 binnengekomen klacht van:
A.
k l a g e r ,
tegen
B.
psychiater,
v e r w e e r d e r .
1. Het verloop van de procedure
Het college heeft kennisgenomen van:
l het klaagschrift met bijlagen;
l het antwoord van 17 februari 2000;
l de repliek van 18 april 2000 met bijlagen;
l de brief van 27 april 2000 van mr. C., advocaat te D.;
l de dupliek van 23 mei 2000;
l de correspondentie betreffende het vooronderzoek;
l de brief van 27 september 2000 van mr. C.
Partijen hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid in het vooronderzoek te worden gehoord.
De klacht is behandeld ter terechtzitting van 17 oktober 2000. Klager was met bericht van verhindering niet verschenen. Namens hem was zijn echtgenote E. verschenen. Zij werd bijgestaan door mr C. voornoemd. Verweerder was verschenen en werd bijgestaan door mr F., advocaat te D.
2. De feiten
Op grond van de stukken en hetgeen ter terechtzitting is verklaard kan van het volgende worden uitgegaan: Klager is de vader van F., geboren op 11 februari 1955 en overleden op 8 december 1996, verder F. te noemen. F. heeft na haar echtscheiding in 1990 psychische problemen gekregen. Op 25 juni 1991 is zij wegens paranoide psychose met een inbewaringstelling (IBS) opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis G. Daarvoor had zij al enige maanden contact gehad met het RIAGG en was zij kort opgenomen geweest op de psychiatrische afdeling van het H. ziekenhuis.
In die tijd heeft F. het gezag over haar drie kinderen verloren. De kinderen zijn aan haar ex-echtgenoot toegewezen en de bezoekregeling was minimaal. Zonder haar kinderen voelde F. zich erg eenzaam.
In 1995 is F. in contact gekomen met I., een hulpverlener die haar beloofde te helpen om de kinderen terug te krijgen. In dat kader stemde zij ermee in om medicatie te gebruiken. Dit heeft enige weken geduurd. Toen het niet lukte om contact met de kinderen te krijgen, is F. met de medicatie gestopt. Haar ouders hebben toen geregeld dat een buurvrouw haar zonder haar medeweten semap toediende in de koffie.
Op 26 juli 1996 is F. opnieuw met een IBS opgenomen in het psychiatrisch ziekenhuis C. wegens stenisch suicidale uitingen. Tijdens haar opname weigerde zij antipsychotische medicatie. Ze bleef benadrukken dat ze contact met haar kinderen wilde. De IBS is op 14 augustus 1996 geeindigd.
In de periode daarna heeft F. beurtelings in haar woning en in het psychiatrisch ziekenhuis G. verbleven. Bij beschikking van de kantonrechter te J. van 23 oktober 1996 is klager benoemd tot mentor van F. Het psychiatrisch ziekenhuis G. heeft zich tegenover hem echter steeds terughoudend opgesteld omdat F. haar behandelaars had verboden haar ouders te informeren.
In het verpleegkundige dossier van F. is op 18 november 1996 genoteerd:
"(…) Mist haar kinderen heel erg en vertelde in individueel gesprek gedacht
te hebben om a.s. donderdag naar huis te gaan en zich te suicideren mbv
gas. Mw heeft toegezegd naar verpleging toe te komen bij suicidale
gedachtes."
Op 20 november 1996 heeft F. het psychiatrisch ziekenhuis G. verlaten. Zij is
's avonds niet op de afgesproken tijd teruggekeerd. Klager en zijn echtgenote zijn hierover gealarmeerd door F.’s buurvrouw, die van F. had vernomen dat zij zich voor de trein zou werpen. De dienstdoend arts van het ziekenhuis is ingeschakeld. In overleg met de psychiater die als achterwacht dienst had, is besloten een afwachtend beleid te
voeren. Op 21 november 1996 hebben klager, zijn echtgenote en twee medewerkers van het psychiatrisch ziekenhuis G. zich toegang verschaft tot de flat van F. In de woning bleek dat F. geprobeerd had zich met gas van het leven te beroven. Diezelfde dag is F. vrijwillig opgenomen op de gesloten afdeling van het psychiatrisch ziekenhuis G. Zij mocht wel buiten wandelen, maar is daarbij enige dagen begeleid.
Op 25 november 1996 heeft klager het psychiatrisch ziekenhuis G. opgebeld. Hij maakte zich ongerust omdat F. een vriendin had verteld dat zij zich de volgende dag voor de trein zou werpen. Klager heeft toen vernomen dat zij weer vrij mocht wandelen. Vervolgens heeft klager de Inspectie voor de Gezondheidszorg verzocht te bemiddelen. De Inspectie heeft klager later die dag meegedeeld dat F. op haar wandelingen zou worden begeleid. Deze mededeling was onjuist.
Klager en zijn echtgenote hebben de behandelaars van F. tijdens een gesprek op 2 december 1996 verzocht F. dwangmedicatie te geven. Dat verzoek is niet ingewilligd.
F. is in de avond van 7 december 1996 alleen gaan wandelen en niet teruggekeerd naar het psychiatrisch ziekenhuis. Rond 22.00 uur is het dienstdoend avondhoofd daarover ingelicht. Daarna is geen verdere actie ondernomen. Op 8 december 1996 hebben klager en zijn echtgenote van de politie vernomen dat F. die nacht haar leven had beeindigd door zich voor de trein te werpen.
Verweerder was bij het psychiatrisch ziekenhuis G. (eind)verantwoordelijk voor F.’s behandeling.
Klager heeft een klacht ingediend bij de klachtencommissie van het psychiatrisch ziekenhuis G., welke klacht bij beslissing van 3 februari 1997 grotendeels ongegrond is verklaard.
3. Het standpunt van klager en de klacht De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder:
- ernstig heeft gefaald in zijn toezicht op F. en onvoldoende maatregelen heeft getroffen voor haar beveiliging, terwijl zij bekend was met een stenische suicidewens;
- na haar suicidepoging in de nacht van 20 op 21 november 1996 heeft volstaan met een vrijwillige heropname van F., heeft nagelaten een rechterlijke machtiging aan te vragen en haar vier dagen later al weer vrij liet wandelen, ondanks een nieuw serieus signaal dat zij plannen had een einde aan haar leven te maken;
- nagelaten heeft F. onder dwang antipsychotische medicatie toe te dienen, terwijl daarvoor duidelijk een indicatie aanwezig was, deze medicatie ook dringend noodzakelijk was en F. haar wil niet kon bepalen;
- heeft nagelaten actie te ondernemen toen F. op 20 november 1996 was weggelopen en opnieuw toen zij op 7 december 1996 niet was teruggekeerd van haar wandeling;
- zijn verplichting uit artikel 465 lid 2 Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst niet is nagekomen, door klager als mentor van F. geen inlichtingen te verstrekken en te weigeren met hem te overleggen, waardoor klager zijn zorg van een goed mentor niet kon uitoefenen.
4. Het standpunt van verweerder
Verweerder voert aan dat het gevaar van suicide wel degelijk is onderkend. Hij zag echter geen heil in vrijheidsbeneming en dwang, omdat het gevaar daardoor niet zonder meer wordt verkleind. F. zou zich alleen nog meer in het nauw gedreven hebben gevoeld. Op 20 november 1996 is besloten tot een afwachtend beleid, in de geest van het tot dan toe gevoerde beleid. Achteraf gezien was het wellicht beter geweest F. thuis te laten bezoeken.
Verweerder verschilt met klager van mening over de toestand waarin F. de dag daarna thuis werd aangetroffen. F. had de gaskraan zelf weer dichtgedraaid. De case manager van psychiatrisch ziekenhuis G. heeft geen melding gemaakt van bedwelming door gas of koolmonoxide. F. kon zonder veel moeite worden teruggebracht naar het ziekenhuis.
Het paste binnen het geformuleerde beleid om geen rechterlijke machtiging aan te vragen en F. onbegeleid buiten de afdeling te laten wandelen. Daarmee werd wel een risico gelopen, maar dat risico moest worden afgewogen tegen de mogelijkheid dat de behandeling van F. volkomen zou vastlopen wanneer haar iedere vrijheid zou worden ontnomen.
F. is herhaaldelijk antipsychotische medicatie aangeboden. Zij heeft echter consequent geweigerd deze tot zich te nemen. Aan de wettelijke criteria voor dwangbehandeling was niet voldaan. Op 7 december 1997 is actie eveneens beperkt omdat de dienstdoende leidinggevende verpleegkundige niet wist welke acties zinnig zouden kunnen zijn.
Het psychiatrisch ziekenhuis G. had geen enkele aanwijzing over de plaats waar F. zich bevond. F. heeft verweerder en de behandelstaf uitdrukkelijk verboden met haar ouders overleg te voeren over haar behandeling. Verweerder heeft haar duidelijk gemaakt dat hij het hiermee niet eens was. Dit was een dilemma, gezien het mentorschap van klager. Verweerder heeft dit probleem voorgelegd aan de geneesheer-directeur en in samenspraak met hem besloten dat het verbod moest worden gerespecteerd. Wel heeft verweerder zich sterk gemaakt F. over te halen tot een ander standpunt. Eind november 1996 lukte dat, waarna op 2 december 1996 overleg is gevoerd met klager.
6. De overwegingen van het college
Ten tijde van de tragische afloop verbleef F. op vrijwillige basis in het psychiatrisch ziekenhuis G. Een gedwongen behandeling, zoals de toediening van medicatie of een verblijf op een gesloten afdeling tegen de zin van F., zou zeer waarschijnlijk averechts hebben gewerkt. Het college merkt daarbij overigens op dat een patient ook tijdens een verblijf in een gesloten inrichting het recht heeft een behandeling te weigeren. Verweerders beleid om in het belang
van de behandel- en vertrouwensrelatie met F. geen dwang toe te passen is dan ook verdedigbaar. Het is niet ondenkbaar dat F. bij een ander beleid al eerder een einde aan haar leven zou hebben gemaakt. De onderdelen van de klacht die zich richten op deze aspecten zijn dan ook ongegrond. Dit op zichzelf verdedigbare beleid is echter te lang volgehouden toen de situatie verslechterde. Kort na F.’s suicidepoging op 21 november 1996, die op 18 november 1996 was aangekondigd, mocht F. al weer onbegeleid buiten wandelen, ook 's avonds. Bij deze nieuwe ontwikkelingen had verweerder het beleid moeten bijstellen en
stringentere maatregelen moeten nemen. Op de avond van 7 december 1996 is geen dienstdoende arts of achterwacht gebeld.
De hierop gerichte onderdelen van de klacht zijn dan ook gegrond.
Dat geldt ook voor de onderdelen van de klacht die zien op de bejegening van klager in zijn hoedanigheid van mentor. Verweerder heeft in dat opzicht niet volledig voldaan aan zijn verplichtingen uit de wet, omdat hij een afweging heeft moeten maken tussen die verplichtingen en het te voeren beleid. Weliswaar is het op zich verdedigbaar dat hij daarbij het belang van een vertrouwensrelatie met F., die noodzakelijk was voor haar behandeling, zwaarder heeft laten wegen, maar verweerder had klager ten minste moeten uitleggen hoe hij die afweging heeft gemaakt. Niet is gebleken dat verweerder dit heeft gedaan. In september en in december 1996 is er wel overleg geweest tussen verweerder en
klager, maar dit is moeizaam tot stand gekomen. Op deze punten is verweerder tekort geschoten in zijn informatieplicht tegenover klager.
De conclusie is dat de klacht gedeeltelijk gegrond is. Verweerder heeft op de hiervoor besproken punten gehandeld in strijd met de zorg die hij behoort te betrachten tegenover zijn patiente en haar mentor. De volgende maatregel is daarvoor passend.
7. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege waarschuwt verweerder.
Aldus gewezen op 17 oktober 2000 door mr U.W. baron Bentinck, voorzitter, dr T.J. Bast en H.J. Dalewijk, ledengeneeskundigen,
met mr M. Nabar-Buis als secretaris, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 december
2000 door de voorzitter in aanwezigheid van de secretaris.
w.g. mr. U.W. baron Bentinck, voorzitter,
w.g. mr. M. Nabar-Buis, secretaris.
Prof. mr. J.H. Hubben
Over de uitspraken van het Medisch Tuchtcollege
Professor Hubben doet systematisch wetenschappelijk onderzoek naar uitspraken van
medisch tuchtcolleges. Prof.mr. J.H. Hubben is hoogleraar Gezondheidsrecht advocaat in Arnhem (Nysingh Dijkstra de Graaff, advocaten en notarissen).
In 1992 maakte Joep Hubben de overstap naar de advocatuur en trad toe tot de maatschap Nysingh Bitter & De Vries Robbé, die later is opgegaan in de huidige Nysingh advocaten- notarissen NV. Binnen dit kantoor legt hij zich volledig toe op de specialisatie gezondheidsrecht en is hij ook voorzitter van de sectie gezondheidsrecht, een van de landelijke speerpunten van Nysingh.
Zijn werk als advocaat is Joep Hubben steeds blijven combineren met het universitair onderwijs en onderzoek. Van 1999 tot 2004 was hij hoogleraar gezondheidsrecht aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, faculteit der rechtsgeleerdheid, terwijl hij vanaf 2004 deze functie in deeltijd vervult aan de Rijksuniversiteit Groningen, zowel aan de juridische faculteit als binnen het Universitair Medisch Centrum Groningen (UMCG). Hubben hecht groot belang aan de vorming van (aankomende) artsen op het gebied van het gezondheidsrecht.
In de afgelopen jaren vervulde Joep Hubben vele nevenfuncties, waaronder voorzitter van de Sectie Terbeschikkingstelling van de Centrale Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming, raadadviseur op het ministerie van Justitie en meerdere bestuurlijke functies in de gezondheidszorg. Tot 1 januari 2006 was Joep Hubben vice-voorzitter van het College Bouw Zorginstellingen. Voordien was hij ook bestuurslid van het College Sanering Ziekenhuisvoorzieningen en maakt o.a. deel uit van de door de minister van VWS ingestelde commissie-Dunning (Keuzen in de zorg).
De uitspraken van de medisch tuchtcolleges zijn lang niet altijd goed te voorspellen, meent
Hubben. Het gaat immers meestal om een complex van factoren die een rol spelen. ‘Kern van de zaak is vaak of een professionele norm is overschreden. Het gaat om vragen als: is er genoeg onderzoek gedaan, was de indicatie voor behandeling juist, et cetera. Als de professionele norm is overschreden, dan komt vervolgens de vraag aan de orde hoe ernstig de overtreding was. Was sprake van verzuim, of van een misslag? Zijn er verzachtende omstandigheden, was bijvoorbeeld op het moment van handeling sprake van grote hectiek in het ziekenhuis?’ Daarnaast is het van belang te weten of iemand al vaker met een tuchtcollege van doen heeft gehad. ‘Het gaat natuurlijk primair om de klacht, maar een kennelijk slechte praktijkvoering, blijkend uit meerdere klachten, kan in de beoordeling een rol spelen.’ In al deze zaken gaat het om een typisch professioneel oordeel waarop advocaten van tevoren maar moeilijk kunnen anticiperen.
Bovendien kunnen de – persoonlijke – opvattingen van de leden (medici) van het tuchtcollege ook van invloed zijn op de uitspraak, meent Hubben. ‘En die opvattingen hoeven niet de mening van alle collegae in het land te vertolken. Kijk maar eens naar de hoeveelheid ingezonden brieven in Medisch Contact naar aanleiding van sommige uitspraken van de tuchtcolleges.’
Bron: Memorad.nl, nummer 4-2002.
Nieuwsbericht | 24-12-2002
Levensmoeheid geen criterium voor hulp bij zelfdoding
Levensmoeheid is geen criterium voor hulp bij zelfdoding als iemand ,,geen medisch geclassificeerde lichamelijke of psychische aandoeningen'' heeft. Dat heeft de Hoge Raad geoordeeld in de zaak tegen de Haarlemse huisarts P. Sutorius. De huisarts is schuldig aan hulp bij zelfdoding van oud-PvdA-senator E. Brongersma in april 1998, zo bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het Amsterdamse Gerechtshof.
Vrijspraak van zelfdodingsconsultent
LJN: AZ6713, Rechtbank Amsterdam , 13/052076-04
|
 |
 |
Datum uitspraak:
|
22-01-2007
|
Datum publicatie:
|
22-01-2007
|
Rechtsgebied:
|
Straf
|
Soort procedure:
|
Eerste aanleg - meervoudig
|
Inhoudsindicatie:
|
Rechtbank spreekt zelfdodingsconsulent vrij.
|
 |
 |
 |
 |
Uitspraak
|
 |
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13/052076-04
Datum uitspraak: 22 januari 2007
op tegenspraak
VONNIS
van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op het adres [adres], en aldaar verblijvende.
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 december 2006 en 8 januari 2007.
1. Telastelegging
Aan verdachte is blijkens de dagvaarding zoals deze ter terechtzitting van 22 december 2006 is gewijzigd, telastegelegd dat:
[betrokkene] op of omstreeks 9 juni 2004 te Amsterdam zich van het leven heeft benomen door het innemen van (een combinatie van) een of meer medicijnen, waarbij hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 augustus 2003 tot en met 9 juni 2004 te Velp, in elk geval in Nederland, (telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest, terwijl die zelfdoding is gevolgd, immers heeft hij, verdachte toen en daar (telkens) opzettelijk
- eind 2003/begin 2004 die [betrokkene] geadviseerd omtrent het gebruik en/of werking van medicijnen en doseringen en/of
- een lijst met medicijnen die [betrokkene] hem, verdachte, op of omstreeks 25 januari 2004 had toegestuurd met die [betrokkene] besproken en/of
- op of omstreeks 5 februari 2004 een stuk getiteld “algemene informatie omtrent de wijze van zelfdoding” aan die [betrokkene] toegestuurd en/of
- in deze algemene informatie een geïndividualiseerde medicatie-instructie opgenomen waarin hij, verdachte aangaf hoe die [betrokkene] haar “pil van Drion” moest samenstellen en/of welke (hogere dan normale) dosering(en) voor die [betrokkene] het meest aangewezen was/waren;
2. Voorvragen
…
3. Waardering van het bewijs
De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte terzake het door haar bewezengeachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen is telastegelegd, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken.
Motivering van de vrijspraak
De relevante feiten.
Op 9 juni 2004 te omstreeks 04.10 uur is in haar woning te [woonplaats] overleden [betrokkene], naar moet worden aangenomen als gevolg van het innemen, vanaf omstreeks 03.15 uur, aanzienlijke hoeveelheden geneesmiddelen.
Het verslag betreffende een niet natuurlijke dood van de lijkschouwer van de gemeente Amsterdam L.D.M. Fassaert van 9 juni 2004 houdt dienaangaande onder meer het volgende in:
“In aanwezigheid van vriendinnen heeft betrokkene zich met opgespaarde medicijnen gesuïcideerd, waarschijnlijk depronal.”
Uit de verklaringen van de getuigen VdB. en VZ., die bij de zelfdoding van [betrokkene] aanwezig zijn geweest, blijkt dat zij vanaf omstreeks 03.15 uur geneesmiddelen heeft ingenomen voordat de getuigen om 04.10 uur tot de conclusie kwamen dat [betrokkene] was overleden.
[betrokkene] heeft begin augustus 2003 telefonisch contact opgenomen met verdachte, die zich blijkens zijn briefpapier onder meer afficheert als “suicidecounselor i.s.m. de stichting De Einder”. Dit heeft geresulteerd in diverse telefoongesprekken tussen verdachte en [betrokkene] over verschillende met haar voorgenomen zelfdoding verband houdende onderwerpen.
Vanaf januari 2004 werd er tussen verdachte en [betrokkene] onder andere gesproken over de door [betrokkene] opgespaarde en ter verwezenlijking van haar doodswens in te nemen geneesmiddelen.
In een aan verdachte gefaxte brief van 25 januari 2004 (hierna: de “fax van 25 januari 2004”) schreef [betrokkene] aan verdachte:
“Hallo [verdachte],
Hier mijn voorraad:
Temazepam capsules 10 mg. 100 st.
,, tabletten 10 mg. 15 st.
(....)
Flurazepam capsules 30 mg 30 st.
,, ,, 15 mg 15 st.
(....)
Depronal capsules 150 mg. 15 st.
Deze week wordt herhaal recept naar apotheek gezonden (heb niet gevraagd hoeveel)
We spreken elkaar,
(....)”
Bij gefaxte brief van 5 januari 2004 (hierna: “de brief van 5 februari 2004”) schreef verdachte aan [betrokkene] onder meer:
“Beste [betrokkene],
Met excuses voor de vertraging hierbij mijn informatie die ik je zoals afgesproken zou sturen.
Het spreekt denk ik voor zich. (....) Wel heb ik een combinatie opgesomd van jouw middelen, dit voor alle duidelijkheid.
Daarbij zie je dat ik doseringen heb genomen die beduidend hoger liggen dat (de rechtbank leest: “dan”) de werkgroep die zich ermee bezighoudt voorschrijft. Dit om je gevoel van zekerheid te vergroten.
(....)”
Bij laatstbedoelde brief was als bijlage een geschrift gevoegd met de volgende inhoud:
“Algemene informatie omtrent de wijze van zelfdoding
Uitgaande van de informatie die ik ontvangen heb, het volgende:
De werkgroep van de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding (....) bericht:
“De praktijk heeft uitgewezen dat 3 gram dextropropoxyfeen (20 capsules Depronal van 150 mg) dodelijk is, mits ingenomen in combinatie met tenminste één langwerkend benzodiazepine. Gebruik van nog een tweede benzodiazepine acht de werkgroep niet noodzakelijk, maar is in de praktijk doeltreffende gebleken.” De werkgroep vat later samen: “Dextropropoxyfeen is in de praktijk een doeltreffend dodelijk middel gebleken, mits: - tenminste drie weken geen opiaten en benzodiazepinen zijn gebruikt; en: - gecombineerd met tenminste één benzodiazepine dat een lange werkingsduur heeft.”
De dood treedt in door ademstilstand in de diepe slaap.
Je informatie voert, zoals besproken tot de volgende eigen “pil van Drion”:
-30 capsules depronal (dit is het middel dat voor de dood zorgt).
-15 capsules flurazepam 30 mg en 15 tabletten flurazepam 15 mg, samen 675 mg.
(De werkgroep beveelt aan 300 mg.) Dit is een doorslaapmiddel.
-40 capsules temazepam 10 mg en 15 tabletten temazepam 10 mg, 550 mg dus.
(de werkgroep beveelt aan 400 mg). Dit is een inslaapmiddel.
De depronalkorrels kunnen enkele dagen tevoren uit de capsules gehaald en bij de fijngemaakte tabletten gevoegd. De capsules flurazepam en temazepam kunnen worden geleegd of opgelost.
36 tot 48 uur tevoren een anti-braakmiddel gebruiken, bijvoorbeeld Primperan en Domperidon, om de 6 tot 8 uur één tablet, eventueel de laatste keer twee, ongeveer een uur voor de zelfdoding.
(....)”
Juridisch kader.
De vraag die voorligt is of de door verdachte aan [betrokkene] met het oog op haar zelfdoding geboden hulpverlening strafbaar is onder artikel 294 lid 2 Sr.
Na het arrest van de HR van 5 december 1995, NJ 1996, 322 wordt - naar blijkt uit de literatuur, jurisprudentie en door verschillende ministers van justitie op diverse schriftelijke vragen van de Tweede Kamer gegeven antwoorden - in de doctrine algemeen aangenomen dat de in art. 294 lid 2 Sr. bedoelde hulp bij zelfdoding niet strafbaar is, indien die hulp zich heeft beperkt tot het voeren van gesprekken, het geven van inlichtingen en/of het verlenen van morele steun. (1)
De toenmalige minister van justitie Korthals heeft in zijn op 25 februari 1999 ontvangen beantwoording van vragen van het lid Buijs (CDA) onder meer opgemerkt : (2)
“Indien sprake is van het geven van instructies is (....) wél sprake van strafbare behulpzaamheid. In het geven van een instructie ligt besloten dat het initiatief komt te liggen bij degene die de instructie geeft, die dus als het ware de regie in handen neemt.”
Na de inwerkingtreding van het gewijzigde art. 294 Sr. heeft de minister van justitie in de persoon van minister Donner het begrip “instructie” tot tweemaal toe nader afgebakend in de beantwoording van kamervragen (3) . In de eerste beantwoording spreekt de minister over:
“(....) duidelijke, op naleving gerichte instructies (....)”
In de tweede beantwoording stelt deze minister onder meer:
“Wel strafbaar is in beginsel degene die in het concrete geval middelen verschaft of toedient en duidelijke, op navolging en uitvoering gerichte instructies geeft aan degene die tot zelfdoding heeft besloten.”
In zijn arrest van 14 oktober 2003, dat de aanleiding vormde voor het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2005 ( zaak [AR8225]), overwoog het gerechtshof te Leeuwarden onder meer het volgende:
“(....)
Uit de (....) kamerstukken (....) Tweede Kamer, vergaderjaar 1999/2000, 26 691, no. 6) volgt (....) dat de Minister van Justitie de opvatting was toegedaan dat (....) vormen van hulp, zoals het voeren van gesprekken, het bieden van morele steun of het doen van louter informatieve mededelingen niet als strafbare behulpzaamheid bij zelfmoord kunnen worden beschouwd. Voorts geeft de Minister van Justitie aan dat algemene informatie of een advies in algemene zin die/dat het karakter krijgt van een ‘instructie’ en is gericht op een “concrete handeling of vaardigheid”, gekoppeld aan de uitvoering er van en komend van een persoon die daarin meer deskundig is dan degene die haar ontvangt, wel als strafbare vormen van hulp moeten worden aangemerkt.
(....)
Voorts overweegt het hof dat de opvatting van de Minister van Justitie strookt met de wijze waarop de Hoge Raad in voormeld arrest (de rechtbank voegt toe: van 5 december 1995, NJ 1996, 322) het delictsbestanddeel “behulpzaam zijn” heeft afgebakend. Naar het oordeel van de Hoge Raad dient bij het bepalen van de uitleg van dit delictsbestanddeel immers aansluiting te worden gezocht bij het algemeen spraakgebruik. “Instructies” en “concrete handelingen of vaardigheden”, welke voorafgaand aan de zelfmoord plaatsvinden, kunnen zogezien, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, in beginsel worden aangemerkt als vormen van hulp die onder de reikwijdte van het begrip “behulpzaam zijn” in artikel 294 (de rechtbank voegt toe: lid 2) van het Wetboek van Strafrecht vallen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot het oordeel, dat “instructies” en “concrete handelingen of vaardigheden” in beginsel als strafbare vormen van hulp aangemerkt kunnen worden (....)”
Standpunt van de officier van justitie.
De kern van het verwijt dat de officier van justitie aan verdachte in de telastelegging als ter terechtzitting gewijzigd maakt is, dat verdachte zich niet heeft beperkt tot het geven van algemene informatie, het voeren van gesprekken en het bieden van morele steun, maar dat zijn hulp zich tevens heeft uitgestrekt tot het geven van een concrete, op de bijzondere situatie van [betrokkene] toegesneden, en derhalve strafbare, instructie (4) . Dit zou met name zijn geschied in telefoongesprekken die ongeveer eind december 2003 en begin 2004 plaatsvonden, in de brief van 5 februari 2004 en - naar de rechtbank begrijpt - in de tweede alinea, in het bijzonder in de eerste zes regels daarvan, van de bijlage bij laatstbedoelde brief.
Standpunt verdachte.
Verdachte heeft hier tegenover ter terechtzitting betoogd dat hetgeen hij in de bewuste tweede alinea van de bijlage bij de brief van 5 februari 2004 heeft weergegeven slechts een bevestiging is van het door [betrokkene] aan hem, verdachte, medegedeelde voornemen om méér medicijnen in te nemen, dan worden genoemd in de algemene informatie, weergegeven in de eerste alinea van dit advies. De inhoud daarvan is ontleend aan de publicatie “Informatie over humane zelfdoding”, een uitgave van de stichting Wetenschappelijk Onderzoek naar Zorgvuldige Zelfdoding (SWOZZ, hierna: de SWOZZ-wijzer), pagina’s 51 en 55. [betrokkene] had, aldus verdachte, hem te kennen gegeven bang te zijn dat de dosering, waartoe in die publicatie wordt geadviseerd voor haar te gering zou zijn, althans dat zij om haar moverende redenen, waarover nader, behoefte had aan een hogere dosering teneinde de werking van de middelen te versnellen.
Dienaangaande heeft verdachte ter terechtzitting onder meer verklaard:
(....)
Ze heeft mij op 25 januari 2004 een fax gestuurd met een opgave van de middelen die ze in huis had. Daaruit blijkt dat ze al wist welke hoeveelheden nodig waren en dat ze wist dat ze van Depronal nog niet genoeg had. Haar fax over de medicijnen was naar aanleiding van een telefoongesprek waarin we uitvoerig hebben gesproken over de geschiktheid van de medicijnen die ze in huis had.
(....)
In reactie op haar fax heb ik op 5 februari 2004 die brief met bijlage met de informatie uit het boekje "Humane zelfdoding" aan haar gestuurd. Ik heb in die bijlage ook een alinea opgenomen die op haar was toegespitst.
(....)
[betrokkene] had een grotere hoeveelheid in huis dan strikt genomen nodig was. Ze vertelde me dat ze zoveel mogelijk zekerheid wilde. Ze wilde zo spoedig mogelijk overlijden, zodat de schouwarts zo snel mogelijk kon komen en haar lichaam ter beschikking kon worden gesteld van de wetenschap. Ze wilde zo zeker en zo snel mogelijk overlijden. Later heb ik in het strafdossier gelezen dat ze moeilijk onder narcose te brengen was. Dat wist ik op dat moment niet. Maar waarschijnlijk wilde ze daarom meer gebruiken. Ze zei tegen mij in het telefoongesprek dat ze dan wel de helft zou nemen van wat ze in huis had. Dat was beduidend meer dan wat de SWOZZ-wijzer aangaf. Ik heb met opzet in de bijlage de hoeveelheden die de SWOZZ-wijzer noemt opgenomen. Als ik mensen informeer over de medicijnen, geef ik altijd de hoeveelheden die door de SWOZZ-wijzer worden aanbevolen.
(....)
Ik heb haar beloofd haar een neerslag van ons gesprek te sturen. Wat in die brief en de tweede alinea van die bijlage staat is dus het resultaat, een bevestiging van eerder door haar getrokken conclusies. Ik heb niet uit eigen beweging het advies gegeven om een hogere dosis te gebruiken.
(....)
In de tweede alinea van de bijlage staat nadrukkelijk "je informatie". Dat is wel wezenlijk. Ik werk met háár informatie. Het ging om háár eigen "pil van Drion", zoals zij die zou gaan gebruiken. Zij aarzelde namelijk zelf of de in de eerste alinea van het advies als algemeen opgenomen dosering wel voldoende zou zijn.
De algemene informatie komt uit de SWOZZ-Wijzer. Ik heb het door elkaar geklutst in die brief. Het was juister geweest als ik nog duidelijker in de brief had opgenomen dat het haar wens en haar voornemen was om een hogere dosering toe te passen. Ik heb geen doseringen verhoogd. In de brief staat dat ik de doseringen heb aangepast om het gevoel van zekerheid te verhogen. Ik heb dus naar aanleiding van de gesprekken op haar verzoek de hogere doseringen vermeld en tussen haakjes de doseringen uit de SWOZZ-wijzer genoemd.
Standpunt van de raadsman.
De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte van de beschuldiging behoort te worden vrijgesproken. Aan het criterium van het arrest van het gerechtshof Leeuwarden in de zaak [X] wordt door de handelwijze van verdachte niet voldaan, aangezien hij niet aanwezig was bij de zelfdoding; geen geneesmiddelen, voorwerpen of medicijnen verschafte, geen instructies, op naleving gericht, aan [betrokkene] verschafte; nooit regie van haar zelfdoding voerde; nimmer daarbij de leiding had of sturend optrad en slechts reageerde op verzoeken van [betrokkene], die zélf wilde sterven, steeds zélf het initiatief nam en zélf informatie wilde, kortom zélf humaan wilde sterven; aldus, verkort en zakelijk weergegeven, de raadsman.
Subsidiair heeft de raadsman een beroep gedaan op rechtsdwaling. Verdachte kende de jurisprudentie en het standpunt van de minister van justitie over art. 294 Sr. en mocht er van uitgaan dat sprake was van straffeloze hulp.
Beoordeling.
Voor de beantwoording van de in dit strafproces voorliggende vraag, te weten of met de handelwijze van verdachte in verband met de zelfdoding van [betrokkene] de grenzen van een toelaatbare hulp bij zelfdoding zijn overschreden, behoeft de rechtbank een zo duidelijk mogelijk criterium.
In het arrest van het hof Leeuwarden, waarin aansluiting is gezocht bij de voormelde wetsgeschiedenis op het nieuwe artikel 294 Sr. zoals dat op 1 april 2002 in werking is getreden, kan een criterium worden gevonden in de formulering dat strafbaar is de hulp bij zelfdoding, indien die hulp het karakter krijgt van een instructie, gericht op een concrete handeling of vaardigheid gekoppeld aan de uitvoering ervan en komend van een persoon die daarin meer deskundig is dan de persoon die haar ontvangt.
De rechtbank acht echter het aldus omschreven begrip “instructie” alléén als toetsingsnorm minder goed bruikbaar. Weliswaar is het ontleend aan de wetsgeschiedenis op de wijziging van art. 294Sr., maar het woord “instructie” komt in het algemeen spraakgebruik, dat volgens het arrest van de Hoge Raad, NJ 1996, 322 leidraad dient te zijn bij de uitleg van het begrip “behulpzaam zijn“ in artikel 294 Sr., in verschillende betekenissen voor. De tweeledige afbakening van het begrip “instructie” door minster Donner, als hiervoor tevens weergegeven, is bovendien niet eenduidig.
De rechtbank geeft er dan ook de voorkeur aan om bij het aanleggen van een bruikbaar toetsingscriterium tevens aansluiting te zoeken bij de reeds op 25 februari 1999 ontvangen beantwoording van kamervragen door de toenmalige minister van justitie Korthals, die met zijn ambtgenote van VWS het begrip “instructie” in de parlementaire geschiedenis van het tweede lid van artikel 294 Sr. introduceerde (5).
De vraag waarvoor de rechtbank dan ook staat is of de feitelijke gedragingen van verdachte zoals in de telastelegging geformuleerd, zijn te kwalificeren als een “instructie” waarmee verdachte initiatieven heeft genomen dan wel regie heeft gevoerd, derhalve als het actief sturen van [betrokkene] bij de uitvoering van haar zelfdoding.
Het zwaartepunt van de beschuldiging en daarmee van de beoordeling ligt in de tekst achter het derde en vierde gedachtestreepje, in onderlinge samenhang, van de telastelegging. De omschrijving achter het eerste gedachtestreepje is te algemeen geformuleerd om daaronder een strafbare vorm van hulpverlening te kunnen begrijpen, nu immers het verstrekken van de algemene informatie omtrent gebruik of werking van medicijnen op verzoek zonder meer als niet-strafbare hulpverlening moet worden beschouwd. Voor de omschrijving achter het tweede gedachtestreepje geldt min of meer hetzelfde: zonder nadere precisering van hetgeen tussen verdachte en [betrokkene] zou zijn besproken over de lijst met medicijnen die zij hem had toegestuurd kan ook dit slechts worden begrepen onder de niet strafbare hulpverlening in de vorm van het voeren van gesprekken. De omschrijvingen achter het derde en vierde gedachtestreepje zijn weliswaar ook weinig specifiek, maar uit het requisitoir van de officier van justitie leidt de rechtbank af dat met name de eerste zes regels van de tweede alinea van de bijlage bij de brief van 5 februari 2004, als hiervóór geciteerd, in combinatie met de hierna te bespreken passage uit die brief, door de officier van justitie als strafbare hulp van verdachte worden beschouwd.
Enerzijds kán, letterlijk genomen, de passage in de brief van 5 februari 2004: “(....) hierbij mijn informatie die ik je zoals afgesproken zou sturen. (....) Wel heb ik een combinatie opgesomd van jouw middelen. (....). Daarbij zie je dat ik doseringen heb genomen (....)” als door verdachte actief sturend, initiatief nemend en regievoerend worden gelezen. Hij kan immers worden opgevat als een aansporing van [betrokkene] om, ter verwezenlijking van haar doodswens, een van de SWOZZ-wijzer afwijkende dosering geneesmiddelen in te nemen als nader omschreven in de tweede alinea van de bijlage. Zo beschouwd kán die passage in combinatie met de tweede alinea van de bijlage het karakter van regievoering aannemen in die zin, dat verdachte [betrokkene] als het ware bij de hand nam bij het uitvoeren van haar zelfdoding voor wat betreft de dosering van de in te nemen dodelijke middelen.
Anderzijds kan die passage, in combinatie met de tekst van de tweede alinea van de bijlage ook worden opgevat als een schriftelijke bevestiging door verdachte van hoeveelheden medicijnen, die [betrokkene] zélf al voornemens was in te nemen. Verdachte schrijft in de bijlage: “Je informatie voert, zoals besproken, tot de volgende eigen ‘pil van Drion’: (....). Het kan niet worden uitgesloten dat verdachte met deze zinsnede de door [betrokkene] beoogde hoeveelheden medicijnen schriftelijk voor haar vastlegde. Hij wist immers dat zij daarover kon beschikken en zij had aan hem in een of meer telefoongesprekken kenbaar gemaakt voornemens te zijn déze medicijnen in te nemen.
Voor de lezing van verdachte zijn tevens meer objectieve aanknopingspunten voorhanden. In de eerste plaats kan uit de fax van 25 januari 2004 worden afgeleid dat [betrokkene] reeds over aanzienlijk grotere hoeveelheden flurazepam en temazepam beschikte dan volgens de SWOZZ-wijzer benodigd zijn(6). In de tweede plaats bevestigt de verklaring van de getuige VZ de stelling van verdachte dat [betrokkene] grotere doseringen flurazepam en temazepam wilde innemen omdat zij in onzekerheid verkeerde of de doseringen van die middelen volgens de SWOZZ-wijzer snel genoeg tot haar dood zouden leiden met het oog op het feit dat zij haar lichaam op een verantwoorde wijze ter beschikking van de wetenschap wilde stellen - een keuze die uitsluitend aan [betrokkene] kan worden toegeschreven. Deze getuige heeft immers verklaard dat de dosering aan [betrokkene] was aangepast omdat zij moeilijk onder narcose was te brengen. Ook hierin ziet de rechtbank een aanwijzing voor het feit dat [betrokkene] zelf het initiatief heeft genomen tot het gebruik van verhoogde doseringen slaapmiddelen.
Bij deze stand van zaken, die geen uitsluitsel geeft over het antwoord op de vraag welke lezing van de brief van 5 februari 2004 en de bijlage de juiste is, dient verdachte het voordeel van de twijfel te krijgen met betrekking tot het antwoord op de vraag of hij actief sturend initiatieven tot de zelfdoding van [betrokkene] heeft genomen of daarbij regie heeft gevoerd.
Wél kan verdachte er een - overigens zonder strafrechtelijk gevolg te blijven – verwijt van worden gemaakt dat hij niet zorgvuldiger met de verslaglegging van zijn kontakten met [betrokkene] is omgegaan. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, zijn aantekeningen van de telefoongesprekken met [betrokkene] niet heeft bewaard, maar heeft weggegooid. Juist van déze verdachte, die uit volle overtuiging handelde, mocht immers worden verwacht dat hij met het oog op de waarheidsvinding alle beschikbare informatie rond de zelfdoding van [betrokkene] zou bewaren. Verdachte heeft zich er immers op laten voorstaan [betrokkene] met de grootst mogelijke zorgvuldigheid te hebben begeleid en moet zich bewust zijn geweest van de mogelijkheid dat hij door het openbaar ministerie ter verantwoording zou worden geroepen voor zijn optreden, mede gelet op het feit dat hij daarover ging publiceren. De rechtbank is zich er terdege van bewust dat niemand kan worden gedwongen aan zijn eigen veroordeling mee te werken (nemo tenetur-beginsel) en kan verdachte het voordeel van de twijfel daarom niet onthouden, maar het weggooien van mogelijk bewijsmateriaal dat raakt aan de kernvraag van het te verwachten strafproces is een smet op de zorgvuldigheid waarmee verdachte zijn betrokkenheid bij de zelfdoding van [betrokkene] overigens gestalte zegt te hebben gegeven.
Al met al acht de rechtbank het telastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen, nu niet kan worden uitgesloten dat sprake is geweest van een niet-strafbare wijze van hulp van verdachte bij de zelfdoding van [betrokkene] in de vorm van het al dan niet op verzoek van [betrokkene] schriftelijk vastleggen van een op haar initiatief besproken verhoogde dosering dodelijke geneesmiddelen. Verdachte dient te worden vrijgesproken. Het rechtsdwaling-verweer behoeft derhalve geen bespreking.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
4. Beslissing.
Verklaart het telastegelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.M. van den Bergh, voorzitter, mrs. A. Tegelaar en A.D. Belcheva, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. van den Berg, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 januari 2007.De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Noten:
1 De rechtbank tekent hierbij aan dat deze wetsuitleg niet kan worden toegeschreven aan Hoge Raad, NJ 1996, 322, zoals dikwijls gebeurt, maar rechtstreeks is terug te voeren op de wetsgeschiedenis van de wijziging van artikel 294 Sr., in werking getreden op 1 april 2002, in verband met de splitsing van het artikel in twee leden; zie hierna als door het gerechtshof Leeuwarden geciteerd de ministers van justitie en VWS in de Nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstuk 1999/2000, 26 691, nr. 6, Tweede Kamer, pag. 44; materieel gezien bevatte het nieuwe lid 2 overigens als enige nieuwigheid de toevoeging van de laatste volzin, welke voor de onderhavige beoordeling niet relevant is.
2 Tweede Kamer, vergaderjaar 1998-1999, Aanhangsel 837, pag. 1713.
3 Te weten in de beantwoording ontvangen op 16 april 2003 van kamervragen van 5 maart 2003 van het lid Sterk (CDA), Tweede Kamer, vergaderjaar 2002/2003, Aanhangsel 1143, pag. 2383 alsmede in de op 2 juli 2003 ontvangen beantwoording van kamervragen van 20 maart 2003 van de leden Van der Vlies (SGP) en Rouvoet (ChistenUnie), Tweede Kamer, vergaderjaar 2002/2003, Aanhangsel 1543, pag. 3227.
4 De rechtbank maakt in dit verband de kanttekening dat het hier bedoelde “instructie”-criterium niet kan worden toegeschreven aan de Hoge Raad, aangezien deze zich in zijn laatstbedoelde arrest over dit, door het hof Leeuwarden in de [zaak AR8225] uit de wetsgeschiedenis afgeleide criterium, niet heeft uitgesproken.
5 Zie hiervoor onder “Juridisch kader”, pag. 4.
6 Voor wat betreft het op zichzelf dodelijke middel Depronal geldt dit niet, maar daaromtrent liet mevrouw [betrokkene] aan verdachte in haar fax van 25 januari 2004 doorschemeren dat zij over een grotere hoeveelheid kon komen te beschikken d.m.v. een herhaalrecept. Wat er van dit laatste zij, de rechtbank acht de dosering Depronal voor de beoordeling niet van belang, nu verdachte in de tweede alinea van de bijlage bij zijn brief van 5 februari 2004 aan mevrouw De Kleine niet is afgeweken van de dosering die in het algemeen wordt voorgeschreven in de SWOZZ-wijzer.
|
 |
 |
