|
Nieuws
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) daagt drie artsen-microbiologen van het Rotterdamse Maasstad Ziekenhuis voor de tuchtrechter. Dat heeft de inspectie 25 januari 2012 bekendgemaakt. Een vierde arts-microbioloog hangt vervolging boven het hoofd. De inspectie heeft die zaak nog in onderzoek.
De artsen hadden volgens de IGZ adequater moeten optreden bij de uitbraak van de gevaarlijke Klebsiellabacterie. De bacterie dook in oktober 2010 in het ziekenhuis op. Pas in mei nam het ziekenhuis maatregelen. In totaal overleden 28 patiënten die besmet waren met de bacterie. Bij drie personen was de besmetting aantoonbaar de oorzaak van hun dood. In totaal raakten 107 patiënten besmet.Minister Edith Schippers van Volksgezondheid zegt ook in een reactie dat het ziekenhuis heeft gefaald. Volgens haar was sprake van ernstig normoverschrijdend gedrag. Ze noemt het 'vreselijk' voor de getroffen patiënten en nabestaanden.
Het ziekenhuis zegt te werken aan verbetering. (ANP)
Dokters voor de rechter is een boek over tien jaar tuchtrecht aan de hand van veelzeggende tuchtuitspraken.
Coauteur Diederik van Meersbergen licht toe hoe dit boek inzicht geeft in de juridische grenzen van het doktersvak.
Deelnemers aan het symposium Dokters voor de tuchrechter op 14 december 2011 ontvangen een exemplaar van het boek.
Toevallig ook op 14 december 2011? De machtige hand van de Farmaindustrie (titel van een boek dat in 2012 zal verschijnen)
Huisarts Hans van der Linde moet op woensdag 14 december 2011 voor de rechter verschijnen naar aanleiding van de zaak die het RIVM en Roel Coutinho tegen hem hebben aangespannen. Van der Linde vertelt aan Medisch Contact dat de hele toestand een grote druk op hem legt. ‘Het is buitengewoon vervelend. We hebben er gigantisch veel werk van, het kost zeeën van tijd. Het RIVM probeert me de mond te snoeren en me onder druk te zetten, omdat de griepvaccinaties door moeten gaan. Het is gewoon intimidatie.’
Tuchtrechter valt over liegende huisarts
Bron: KNMG
Artsen moeten de waarheid spreken in juridische procedures. Letselschadeadvocaat Reinboud Schoemaker wijst in dagblad Trouw op een recente uitspraak van het Centraal Tuchtcollege waaruit dit blijkt.
Een huisarts had in een gerechtelijke procedure een andere plaats van een weggehaalde moedervlek van een overleden patiënt aangegeven dan getuigen en een specialist deden. De echtgenote van de overleden patiënt diende daarop een tuchtklacht in en beschuldigde de huisarts van meineed. De tuchtrechter oordeelde dat niet vaststond dat de arts meineed had gepleegd, maar vond wel dat artsen de waarheid moeten spreken tijdens juridische procedures. 'Niet alleen het verlenen van individuele gezondheidszorg, maar ook gedragingen die er nauw verband mee houden vallen onder het tuchtrecht', aldus de uitspraak.
Principiële uitspraak
Een zeer principiële uitspraak, volgens de advocaat. In een eerdere zaak in 2006 had hij nog een cliënt bijgestaan in een zaak, waarin de arts volgens de letselschadeadvocaat een onwaarheid vertelde over de manier waarop een sterilisatie was verricht. Het tuchtcollege oordeelde dat een arts tuchtrechtelijk niet kan worden aangesproken op liegen.
Liegen mag natuurlijk niet, maar de kwestie in deze zaak is meer of de tuchtrechter daarover een oordeel mag vellen, aldus Aart Hendriks, juridisch adviseur en coördinator gezondheidsrecht van de KNMG. Deze uitspraak betekent een breder speelveld voor de tuchtrechter. ‘Een arts die in de hoedanigheid van arts een meinedige verklaring aflegt kan nu op zijn handelen worden getoetst via het tuchtrecht, terwijl dat er eerst buiten viel.’
Medici betrokken bij martelingen
Medisch en psychologisch onderzoek bij negen ex-gevangenen van Guantánamo Bay in Cuba toont aan dat artsen en ander medisch personeel in dienst van het Department of Defense van de VS medisch bewijs van gerichte geweldpleging negeerden dan wel achterhielden.
Negen voormalige gevangenen die door de auteurs en drie andere artsen onderzocht werden na hun vrijlating, zijn tijdens hun gevangenschap gemarteld met ondervragingstechnieken als slaapdeprivatie, blootstelling aan extreme temperaturen, ‘waterboarding’ (gesimuleerde verdrinking), langdurige isolatie, gedwongen naaktheid, ernstige dreigementen, en in elkaar slaan, waarbij zij vaak het bewustzijn verloren en botbreuken opliepen. Bron: Medisch Contact, 27 april 2011
Martelingen in Nederlandse ziekenhuizen
Ook in Nederlandse ziekenhuizen vinden martelingen plaats, maar die verdwijnen in de doofpot.
Geldboetes en berispingen die zijn opgelegd door de tuchtrechter worden openbaar gemaakt. Dat schrijft minister Schippers van Volksgezondheid aan de Tweede Kamer.
Bron: KNMG, Robert Crommentuyn, maart 2011
In de Kamer was er brede steun voor openbaarmaking van alle tuchtmaatregelen. Na debatten met de Kamer heeft minister Schippers geconcludeerd dat openbaarmaking van waarschuwingen niet passend is.
Berispingen en geldboetes worden wel openbaar. Doorhalingen in het artsenregister en schorsingen waren al openbaar. De tuchtrechtelijke maatregelen worden voor vijf jaar in het BIG-register opgenomen. Daarbij zal ook de aard van het vergrijp worden vermeld. Ook bevelen van de inspectie worden in het register aangetekend.
CDA-Kamerlid Uitslag (CDA) stelde in het Kamerdebat voor om de tuchtrechter te laten bepalen of een maatregel openbaar wordt. Minister Schippers ontraadt dit amendement.
Artsenfederatie KNMG en individuele tuchtrechters hebben zich uitgesproken tegen openbaarmaking van alle maatregelen.
ma 24 jan 2011
Geld megafraude naar buitenland
door Bart Mos, de Telegraaf
De Rotterdamse psychiaters die vorige week werden gearresteerd wegens een miljoenenfraude met uitkeringen, blijken nauw samen te hebben gewerkt met twee Iraanse vrouwen die afgelopen jaren via een schimmige Haagse zorgstichting een fortuin aan illegale toeslagen naar het buitenland smokkelden.
Zo blijkt uit onderzoek van De Telegraaf.
Zowel ABN Amro als Rabobank startte onlangs een intern fraude-onderzoek naar de praktijken van de in Iran geboren Haydeh B. (48) en haar dochter Nathalie J. (28) in Delft. Het was de banken opgevallen dat de dames afgelopen jaren enorm grote geldbedragen van uitkeringsinstanties op hun bankrekeningen gestort kregen, die vaak nog dezelfde dag naar het buitenland werden overgeboekt. De Rabobank blokkeerde daarom alle rekeningen van de twee, waarop zij gedwongen werden uit te wijken naar Fortis Bank (nu ABN Amro).
Nieuwe EU-wetgeving: Geen probleemartsen meer circuleren door Europa
Bron: CDA, donderdag 28 oktober 2010,
De Milieucommissie van het Europees Parlement heeft vandaag wetgeving aangenomen over patiëntenrechten bij grensoverschrijdende zorg. Deze wetgeving geeft patiënten het recht om in het buitenland een arts of tandarts te bezoeken. Onderdeel van deze wetgeving is dat er proactief informatie uitgewisseld moet worden over gezondheidswerkers, zodat een arts die in Nederland niet meer mag werken vanwege een tuchtzaak ook niet in Spanje aan de slag kan. Problemen zoals destijds met Dr. Wodka en de horrortandarts die vandaag nog in de media was, zullen daarmee tot het verleden behoren. Na instemming van het Europees Parlement moet ook de Raad van Ministers ermee instemmen.
Verschillende media berichten vandaag over tandarts Ben V., die in Nederland uit het tandartsenregisters is geschrapt na 5 berispingen van het medisch tuchtcollege en twee veroordelingen van de rechtbank, maar nu in Spanje nog steeds zijn werk blijkt uit te voeren.
Het circuleren van probleemartsen binnen de EU moet een halt toegeroepen worden. Ik ben daarom tevreden met dit verslag. Als het aan EP ligt moeten lidstaten onmiddellijk en proactief informatie over tucht- en strafrechtelijke uitspraken tegen gezondheidswerkers uitwisselen. Tevens moeten ze garanderen dat nationale registers door de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten kunnen worden geraadpleegd. Dit voorkomt veel patiëntenleed."
Het is nu aan de Europese Ministers van Volksgezondheid om hierin mee te gaan, en de Europese patiënt de bescherming te geven die hij verdient.
Artsen menen dat zij levenslang krijgen na een tuchtmaatregel
Gewaarschuwde of berispte artsen worden ten onrechte aan de schandpaal genageld als alle tuchtmaatregelen in de openbaarheid komen. Dat menen de vele tegenstanders van deze maatregel. ‘Het is een paardenmiddel’, beaamt SP-Kamerlid Van Gerven die het amendement indiende. Bron: Medisch Contact, 11 november 2010.
Daarentegen is het risico van het indienen van een tuchtklacht dat de advocaat en de arts zelf met modder gaan gooien en dat het (vervalste) medisch dossier van de indiener van een tuchtklacht op straat belandt.
Tuchtcollege vindt niet-pluisgevoel diagnostisch instrument
27 oktober 2010
Medisch tuchtcolleges vinden dat het niet-pluisgevoel tot de medische standaard hoort. Dat is de conclusie van ‘Niet-pluis’-gevoel-tuchtrechtelijk-gewogen"explorerend onderzoek van huisarts Erik Stolper dat is gepubliceerd in het Nederlands tijdschrift voor Geneeskunde. In 19 van de 34 gevallen is een maatregel opgelegd.
Het bestuur van de Orde van Medisch Specialisten draagt op de algemene ledenvergadering van 25 november 2010 Frank de Grave voor als voorzitter
Bron: Medisch Contact
Orde-directeur Bart Heesen: ‘De leden van de Orde zijn gewend aan een voorzitter uit eigen gelederen. Invloeden vanuit de politiek en het veld vragen in deze tijd om een persoon die zich op al deze terreinen goed kan bewegen. De Grave is een sterke bestuurder die ook binnen de Orde het voortouw kan nemen om de organisatie toekomstbestendig te maken.’
Frank de Grave heeft diverse politieke functies bekleed, onder meer als minister van Defensie in het kabinet-Kok II. Vanaf 2004 was hij voorzitter van het College Tarieven Gezondheidszorg dat in 2006 opging in de NZa. In 2009 stopte hij bij de NZa en volgde voormalig minister van Financiën Gerrit Zalm op als chief financial officer bij de DSB Bank, waar hij na twee maanden vertrok.
Noot van de webmaster: De Orde van Medische Specialisten heeft strategisch een goede keuze gemaakt om hun financiele belangen te laten behartigen door een politicus in plaats van door een arts uit de eigen gelederen.
Medici ontevreden over NZa
Bron: NRC Handelsblad 23 oktober 2010
De zorgverleners gaven de NZa gemiddeld een 3 als rapportcijfer. Er is kritiek op de sterke focus op efficientie.
De orthodontisten waren het meest negatief: De NZa wil kortingen op hun tarieven van 34-40 procent.
Klacht na amputatie voet
Bron: De Telegraaf, 26 oktober 2010
Twee Enschedese huisartsen zijn aangeklaagd voor het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Zwolle, omdat ze nalatig zouden zijn geweest bij het stellen van een diagnose. Daardoor moest een voet van een patiënt worden geamputeerd
Geen tuchtklachten: De doofpot in het Medisch Spectrum Twente
embargo tot 1 september 2009 12.00 uur
EN WAAR WAS DE PATIENT.....?
Rapport over het (dis)functioneren van een medisch specialist en zijn omgeving
Rapport van de externe onderzoekscommissie MTS
1 september 2009
Voorwoord
De aanleiding tot dit onderzoek is het disfunctioneren van een medisch specialist. In essentie gaat het in dit onderzoek echter vooral om de vraag of de professionele omgeving, waarin deze specialist werkzaam was, met dit gegeven is omgegaan zoals mocht worden verwacht, dat wil zeggen signalerend en corrigerend.
Patienten moeten er immers op kunnen vertrouwen dat zij in een ziekenhuis in goede handen zijn en dat zorgverleners en andere betrokkenen er alles aan doen om te voorkomen dat hun vertrouwen wordt beschaamd.
In het onderhavige onderzoek staat een concrete situatie centraal. De bevindingen, conclusies, en aanbevelingen van de commissie hebben echter een ruimere strekking. Disfunctioneren van een individuele medische specialist kan zich nu eenmaal voordoen en vormt een gegeven waarmee rekening moet worden gehouden bij inrichting en aansturing van kwaliteitssystemen. Het Medisch Spectrum Twente is een van de grotere Nederlandse opleidingziekenhuizen, dat in de wijze waarop kwaliteitsprocessen- en bewaking waren georganiseerd en ingebed niet afweek van vele andere Nederlandse ziekenhuizen. De affaire kan zich - naar overtuiging van de commissie - nog steeds voordoen, alle goede ontwikkelingen in het kwaliteitsdenken- en beleid ten spijt.
Het is daarom in het algemeen belang om een casus als de onderhavige onder de loep te nemen. Daarbij gaat het er de commissie vooral om dat lering wordt getrokken uit het gebeurde. Het is deze motivatie die de commissie heeft gedreven de opdracht van de Raad van Bestuur van het MST te aanvaarden. Het is dezelfde motivatie die alle personen die in het kader van het onderhavige onderzoek zijn bevraagd, ertoe heeft gebracht in alle openheid en kwetsbaarheid hun medewerking te verlenen. De commissie is hiervoor zeer erkentelijk.
Een andere belangrijke motivatie voor de commissie is het verschaffen van openheid aan patienten van de neuroloog in kwestie over wat gebeurd is en daarmee het beantwoorden van vragen die mogelijk bij hen leven of zijn gaan leven.
Voor een goed begrip van de feiten hecht de commissie eraan te benadrukken dat de gebeurtenissen in dit rapport zich afspeelden in de periode 1992-2003. In dit tijdperk as de verhouding tussen Raad van Bestuur en medische staf in alle ziekenhuizen anders dan nu: De medische staf was voornamelijk bezig met het bewaken van de professionele autonomie en het nevengeschikt zijn aan de Raad van Bestuur. Het kwaliteitsdenken stond nog in de kinderschoenen, evenals ontwikkelingen betreffende governance in de gezondheidszorg.
Tuchtrecht houdt op bij de grens
Bron: Medisch Contact, Nr. 24 - 10 juni 2009, R. Crommentuyn
Foute arts kan in ander EU-land vaak gewoon aan de slag
Artsen met een duister verleden kunnen binnen de Europese Unie van land naar land hoppen zonder dat een haan ernaar kraait. Maatregelen tegen uitwassen staan in de kinderschoenen.
Eind vorig jaar meldde zich een intensivist uit één van de nieuwe lidstaten van de Europese Unie bij de registratiecommissies voor medisch specialisten en bij het register voor professionals in de gezondheidszorg (BIG-register). Hij wilde voor korte tijd in Nederland aan de slag als waarnemer. Deze arts haalde zijn diploma voordat zijn land toetrad tot de EU, en moest daarom aantonen dat zijn opleiding voldeed aan de Europese minimumeisen.
Die conformiteitsverklaring liet enige tijd op zich wachten. Ook moest hij een niet-schorsingsverklaring overleggen. Maar omdat hij de laatste tien jaar buiten Europa had gewerkt, was dat nog niet zo eenvoudig. Tegen de tijd dat alle aanmeldingsformaliteiten waren afgerond, was de waarneming voorbij en de arts alweer vertrokken naar een ander land.
‘Deze intensivist was de eerste specialist die formeel als “tijdelijk en incidenteel dienstverrichter” in ons land aan de slag wilde’, zegt Lourens Kooij, coördinerend secretaris Opleiding & Registratie van artsenfederatie KNMG. ‘Ik dacht: als alle gevallen zo gaan, dan kunnen we nog wat beleven.’
Kwaadwillend
Er bestaan nu twee verschillende procedures voor Europese artsen die in een ander EU-land willen werken. Eén voor artsen die zich willen vestigen en één voor artsen die tijdelijk werk gaan doen. ‘Als een Europese arts zich wil vestigen in ons land, dan moet hij zich inschrijven bij het Ribiz (de beheerder van het BIG-register, RC) en bij de registratiecommissies’, legt Kooij uit. ‘Hij moet dan een paspoort, een artsendiploma en een verklaring van geldigheid – ook wel ‘niet-schorsingsverklaring’ of ‘certificate of current professional status’ – meenemen. Het Ribiz en de registratiecommissie controleren alle bescheiden in het land van oorsprong. Als alles in orde is, volgt registratie.’
Ter bevordering van het vrije verkeer van dienstverleners is daar een regeling bijgekomen voor tijdelijke werknemers (Richtlijn 2005/36/EG). Artsen die onder deze regeling naar Nederland willen komen – bijvoorbeeld om enkele weken waar te nemen – hoeven hun intenties enkel te melden bij het Ribiz. Ook zij moeten paspoort, diploma en een niet-schorsingsverklaring overleggen, maar een formele BIG-
registratie is niet vereist. Het Ribiz moet binnen vier weken laten weten of er bezwaar bestaat tegen de tijdelijke werkzaamheden. Wordt die termijn niet gehaald, dan is de arts vrij om aan de slag te gaan. ‘Door de snelheid van deze procedure, ontstaat het risico van onzorgvuldigheid’, zegt Kooij. ‘Een kwaadwillende arts dient zijn verzoek precies vier weken voor de startdatum van zijn waarneming in. Er is dan een gerede kans dat het Ribiz niet aan beoordeling toekomt.’
Ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg maakt zich zorgen over de snelle procedure, zegt inspecteur Jan Vesseur. ‘Doordat het zo snel moet, is onvoldoende zeker of iemand voldoende bevoegd is. Tegen de tijd dat wij of een ander lucht krijgen van onregelmatigheden, is de vogel allang gevlogen.’
Veroordeeld
Het is niet toevallig dat de ongerustheid bij Kooij en Vesseur over de gevolgen van het internationale verkeer van artsen juist nu oplaait. Een aantal recente zaken toonde immers aan dat het tuchtrecht vaak bij de landsgrenzen ophoudt. Zo kon een Nederlandse chirurg weer gewoon in eigen land aan de slag terwijl de General Medical Council in Groot-Brittannië hem een beroepsverbod had opgelegd wegens drankmisbruik.
En de overeenkomst van de inspectie met de Twentse neuroloog Jansen Steur om zijn werkzaamheden neer te leggen, voorkwamen niet dat hij uitweek naar Duitsland om daar opnieuw in de fout te gaan. Tot slot bleek een Emmense chirurg met een dubieuze track record voor maagverkleiningen in Duitsland veroordeeld voor dood door schuld. Hij stelde wel zijn werkgever op de hoogte, maar niet het Ribiz, de inspectie of de KNMG.
Kooij, die al jaren werkzaam is bij de registratiecommissies, vult deze casussen moeiteloos aan met reeksen voorbeelden uit een verder verleden. De kern is steeds dat uitspraken van tucht- en strafrechters zelden bekend zijn over de grens. ‘We kennen elkaar niet’, zegt inspecteur Vesseur over zijn collega’s in andere EU-landen.
‘We weten soms niet met wie we gegevens kunnen uitwisselen. De problematiek van de Twentse neuroloog hebben we om die reden niet met onze collega-toezichthouder kunnen bespreken. Daarom hebben we maar de directie van het ziekenhuis in Duitsland benaderd. Datzelfde geldt voor de casus van de Emmense chirurg. We willen wel informatie inwinnen bij onze evenknieën, maar kunnen het vaak niet eens.’
Moord
Punt is dat de organisatie van registratieautoriteiten en toezichthoudende organisaties per EU-land sterk verschilt. Kooij: ‘Nederland kent één registratieautoriteit en één inspectie. In Duitsland heeft elk van de zestien Bundesländer zijn eigen registratieautoriteit. In sommige deelstaten zijn toezichthouder en registratieautoriteit verenigd in één organisatie, in andere deelstaten niet. In Frankrijk is het per departement geregeld en het land heeft maar liefst honderd departementen. Om de zaak inhoudelijk te compliceren zijn sommige specialismen in het ene departement wel erkend en in het andere niet.’
Daar komt volgens Kooij nog bij dat het tuchtrecht per lidstaat verschilt. ‘De Nederlandse tuchtrechter kan bijvoorbeeld 4 verschillende sancties opleggen, Zweden kent tientallen sancties. Er zijn landen waar boetes veel populairder zijn dan schorsingen. En er zijn culturele verschillen. Om een voorbeeld te noemen: in Ierland geldt abortus als moord en in Nederland als een reguliere medische behandeling.’
Door deze lappendeken van organisaties en sancties is de informatie-uitwisseling tussen bevoegde autoriteiten in Europa problematisch. Kooij: ‘Er is nu binnen de EU wel een systeem (het Interne Markt Informatiesysteem, RC) dat informatieverzoeken automatisch bij het juiste adres bezorgt. Waar we voorheen met handgeschreven briefjes werkten, kunnen we zaken nu digitaal afhandelen. Het systeem heeft veel verbeterd, maar kent nog tekortkomingen. Ook al omdat er in sommige landen een cultuur van terughoudendheid bestaat rond het verstrekken van dit soort informatie. In Duitsland is de informatie-uitwisseling tussen deelstaten bijvoorbeeld ook niet optimaal.’
Ontucht
Om de status van een arts te kunnen beoordelen is het verder nuttig om op de hoogte te zijn van eventuele veroordelingen voor strafbare feiten. Maar ook de wisselwerking tussen straf- en tuchtrecht verschilt per land.
Kooij: ‘Een Britse arts die twee keer is betrapt met alcohol achter het stuur komt voor de fitness to practice committee van de General Medical Council. In Nederland is dat niet zo. Bij ons komen uitspraken van de strafrechter die een bevoegdheidsbeperking inhouden in principe in het BIG-register terecht, maar het systeem is niet waterdicht. Zo was er enkele jaren geleden een huisarts in Oss die tot vijf jaar cel werd veroordeeld wegens ontucht met jongetjes. De tuchtzaak tegen deze man werd door het regionale college geseponeerd “omdat hij toch naar de gevangenis moest”.’
Is het al moeilijk om helderheid te verkrijgen over eerdere straf- of tuchtrechtelijke veroordelingen in een ander land, helemaal gecompliceerd wordt het als er nog geen uitspraak is in een zaak. ‘Iemand is nog altijd onschuldig totdat het tegendeel bewezen is’, zegt Kooij.
‘Maar een tuchtrechtprocedure kan al snel twee jaar duren. In de tussentijd staat het een arts vrij zich in een ander land te vestigen. Een slimme arts die weet dat hem een schorsing of doorhaling te wachten staat, vertrekt naar Spanje en schrijft zich daar in. Daar kan hij probleemloos aan het werk. Ook als er daarna een uitspraak ten nadele van hem volgt, want niet alle lidstaten volgen bevoegdheidsbeperkende maatregelen van andere lidstaten. Bovendien bestaat er voor het tuchtrecht geen uitleveringsverdrag. En als het wettelijk in het gastland wel mogelijk is, hangt het van het initiatief van de toezichthouder in het gastland af of een sanctie wordt overgenomen.’
Antecedenten
Vesseur wijst erop dat er de laatste jaren op initiatief van Nederland vorderingen zijn gemaakt om op Europees niveau tot harmonisatie van toezicht en tuchtrecht te komen. ‘Tijdens het Nederlandse EU-voorzitterschap hebben de toezichthoudende organisaties zich verenigd in het project Healthcare Professionals Crossing Borders (HPCB). Dit samenwerkingsverband heeft inmiddels een uniforme verklaring over de beroepsbevoegdheid van artsen geformuleerd. In principe moet elke arts in Europa zo’n Certificate of Current Professional Status kunnen overleggen, al werkt dat in de praktijk dus nog niet altijd. We werken er hard aan om in de toekomst nader tot elkaar te komen.’
In de tussentijd blijft het voor artsen betrekkelijk gemakkelijk om ondanks een tucht- of strafrechtelijke veroordeling aan het werk te blijven in een ander land. Dat is ook de reden dat Kooij en Vesseur zich zorgen maken over het fenomeen van de ‘tijdelijke en incidentele dienstverrichting’. Kooij: ‘Er zijn nu nog weinig aanmeldingen onder deze regeling, maar de snelheid van die procedure maakt de kans groter dat er ‘foute’ artsen tussendoor glippen.’
Vesseur: ‘De Europese regelgeving kunnen we niet veranderen, maar ik zou graag werkgevers en maatschappen op hun verantwoordelijkheid wijzen. Zij zijn bij het aannemen van personeel en collega’s vaak nog erg naïef en vergeten om de antecedenten te controleren. Dat moeten ze wel doen. Als het fout gaat, kunnen ze immers wel aansprakelijk zijn voor de gevolgen.’
Robert Crommentuyn
Europese zwarte lijst
Vorige week maakte minister Klink van Volksgezondheid bekend dat hij een Europese zwarte lijst van ‘foute’ artsen wil. Die moet namen bevatten van artsen tegen wie een schorsing of doorhaling van kracht is. In juli zal hij dit voorstel bespreken met zijn Europese collega’s. Hij wil verder dat ziekenhuizen in EU-landen verplicht worden om ook reeds uitgezeten veroordelingen door te geven aan nieuwe werkgevers.
In het najaar komt er in elk geval een Nederlandse zwarte lijst. Daarop komen de namen van artsen, verpleegkundigen en andere professionals in het BIG-register die hun beroep tijdelijk of definitief niet mogen uitoefenen.
KNMG Symposium Juridische aspecten rond het EPD, maandag 11 mei 2009
In toenemende mate worden patiëntendossiers gedigitaliseerd. In voorbereiding is bovendien een landelijk Elektronisch Patiëntendossier (EPD). Er zijn raakvlakken met andere ontwikkelingen, zoals het Elektronisch Kind Dossier en de Verwijsindex Risicojongeren. Maar ook meer principiële onderwerpen staan ter discussie: wat zijn eigenlijk de consequenties van het zelfbeschikkingsrecht van patiënten met betrekking tot digitale dossiers en hoe staat het met de aansprakelijkheid van beroepsbeoefenaren en zorginstellingen in relatie tot EPD en daaraan gerelateerde ontwikkelingen? Over deze en andere juridische aspecten rond het EPD organiseert de KNMG op maandag 11 mei a.s. een symposium. Kosten niet leden: 315 euro.
Arts houdt publicatie boek tegen
Publicatie: Nr. 07 - 12 februari 2009
Rubriek: NieuwsReflex
Bron(nen): 268
De Nuenense arts Edwin ten W. heeft met succes bij de rechter bedongen dat het boek De wrede dood van Bebe Paña en Divina Urbi uit de handel wordt gehaald.
Bebe Paña was de Filippijnse echtgenote van Ten W. In 2004 werd haar lijk gevonden onder een betonnen vloer in het huis van Ten W.’s tweelingbroer. Divina Urbi was de eveneens Filippijnse oppas van het zoontje van Ten W. Zij werd door hem dood in bed aangetroffen. De doodsoorzaak is nooit opgehelderd.
Het boek is uitgegeven door de Stichting Abot Kamay die zich inzet voor Filippijnse meisjes met een Nederlandse huwelijkspartner. Ten W. wordt erin beschreven als een door seks geobsedeerde seriemoordenaar. Volgens de rechter in Breda worden die beweringen echter niet gestaafd met bewijs.
Het gerechtshof in Den Bosch sprak Ten W. in 2007 vrij van doodslag op zijn echtgenote. Het Openbaar Ministerie is daartegen in cassatie gegaan bij de Hoge Raad.
Casus: Bij (definitieve) beslissing van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 november 1989, is aan verzoeker op grond van de (vervallen) Medische Tuchtwet de bevoegdheid ontzegt om de geneeskunst uit te oefenen. Na de inwerkingtreding van art. 52 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) heeft verzoeker op de voet van dat artikel het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg om herziening verzocht van voornoemde beslissing van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2008-438
Instantie: HR 7 november 2008, BF0239, 08/03850 (CW 2443)
Onderwerp: Medisch tuchtrecht; cassatie in het belang der wet.
Artikelen: Art. 52 Wet BIG; 75 Wet BIG; 109 Wet BIG; 110 lid 2 Wet BIG
Bij beslissing van 19 augustus 1999, nr. 98/271, heeft het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg het verzoek van verzoeker tot herziening van de
Het Centraal Tuchtcollege heeft het verzoek afgewezen omdat het van mening is dat op grond van art. 109 lid 2 van de Wet BIG alle zaken die aanhangig waren op het tijdstip van de intrekking van de Medische Tuchtwet en de invoering van de Wet BIG op 1 december 1997 nog op de voet van of krachtens de oude wet worden afgedaan.
Tegen deze beslissing heeft de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad beroep in cassatie ingesteld in het belang der wet. De vordering van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de bestreden beslissing.
Rechtsvraag: Heeft het Centraal Tuchtcollege het recht geschonden door te oordelen dat de in art. 52 Wet BIG geregelde herziening alleen kan worden toegepast ten aanzien van na de inwerkingtreding van de Wet BIG opgelegde maatregelen?
Beslissing: De Hoge Raad is van mening dat het Centraal Tuchtcollege het recht heeft geschonden omdat uit de tekst van art. 110, gelezen in samenhang met de artt. 52 en 48 van de Wet BIG, en de parlementaire geschiedenis van art. 110, volgt dat sinds de inwerkingtreding van de Wet BIG op 1 december 1997 herziening op grond van art. 52 van die wet ook mogelijk is van de in art. 110 Wet BIG genoemde, op grond van de tot 1 december 1997 geldende Medische Tuchtwet opgelegde maatregelen.
De Hoge Raad vernietigt, in het belang der wet, de beslissing van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg van 19 augustus 1999 en verstaat dat deze vernietiging geen nadeel toebrengt aan de rechten door betrokkenen verkregen.
Meer eenheid en openheid in tuchtrecht
dinsdag 27 november 2007
Bron: Ministerie van Justitie
De Nederlandse tuchtrechtspraak moet meer eenheid en openheid krijgen. Dat staat in het kabinetsstandpunt tuchtrecht, waarmee de ministerraad op voorstel van staatssecretaris Albayrak van Justitie heeft ingestemd. Niet alleen wordt het tuchtrecht voor de verschillende beroepsgroepen geharmoniseerd, ook wordt het hoger beroep in het tuchtrecht gecentraliseerd binnen de reguliere rechtspraak. Bovendien wil het kabinet alle uitspraken op internet laten publiceren.
Het kabinet reageert met het kabinetsstandpunt op het rapport 'Beleidsuitgangspunten wettelijk geregeld tuchtrecht', dat eind 2006 is opgesteld door een werkgroep onder leiding van prof. mr. Huls. De maatregelen uit het kabinetsstandpunt gelden voor de advocatuur, het notariaat, de gerechtsdeurwaarders, accountants, octrooigemachtigden, beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg, veterinairen, loodsen en zeevarenden. Voor al deze beroepsgroepen geldt dat zij een wettelijk geregeld tuchtrecht kennen, te zien als sluitstuk van hun zelfregulering.
In de loop der jaren heeft de praktijk van het tuchtrecht zich in de verschillende beroepsgroepen verschillend ontwikkeld. Het systeem en het belang van het tuchtrecht staan wat het kabinet betreft niet ter discussie, maar het is wel zaak dat de organisatie en toegankelijkheid worden geharmoniseerd. Zo moet er meer eenheid komen in de benoemingsduur en -procedures van leden van de tuchtcolleges, worden de procesrechtelijke termijnen geharmoniseerd en dient er meer eenheid te komen in de hoogte van de boetes die de tuchtrechters kunnen opleggen. Deze veranderingen moeten ertoe leiden dat het tuchtrecht zijn normstellende functie voor beroepsgroepen behoudt, maar tegelijkertijd voor de klagers (burgers en bedrijven) toegankelijker en begrijpelijker wordt.
Het kabinet stelt voor om alle tuchtrechtelijke uitspraken (zo mogelijk via één website) op internet te publiceren, zoals dat nu al gebeurt bij de reguliere rechtspraak. Dit versterkt de preventieve werking in de richting van beroepsgenoten en versterkt de publieke toegankelijkheid van de informatie. Dit versterkt de positie van (potentiële) klagers. Voor de tuchtrechter, beroepsorganisaties en het openbaar ministerie zullen ook de naam en het tuchtrechtelijk verleden van de beroepsbeoefenaar opvraagbaar zijn. Klagers moeten ook de mogelijkheid krijgen om bij de tuchtrechter om een schadevergoeding te verzoeken. Het hoger beroep in tuchtrechtzaken wordt in de toekomst ondergebracht bij de reguliere rechtspraak, zoals dat nu de situatie is bij de meerderheid van de beroepen. Dit wordt gecentraliseerd bij één college. Wel blijft de tuchtrechtspraak ook in hoger beroep als zodanig herkenbaar, bijvoorbeeld door het inrichten van specifieke kamers waarin zowel rechters als beroepsgenoten uit de beroepscolleges zitting kunnen hebben. Het Centraal tuchtcollege voor de gezondheidszorg wordt niet meegenomen in deze centralisering.
Op dit moment leggen de tuchtrechters uit de verschillende beroepsgroepen nog verschillende maatregelen op. Het kabinet vindt dit onwenselijk en stelt één maatregelencatalogus voor waaruit tuchtrechters voortaan hun maatregel kunnen kiezen. Deze variëren van een waarschuwing of berisping tot schorsing voor bepaalde duur of ontzetting uit het ambt.
De voorstellen uit het kabinetsstandpunt worden uitgewerkt in een wetsvoorstel tuchtprocesrecht waarin ook ruimte gereserveerd zal worden voor de organisatorische aanpassingen in het tuchtrecht. Naar verwachting zal dit wetsvoorstel in 2008 aan de Tweede Kamer worden gezonden.
13 september 2007 KNMG symposium "Het Tuchtrecht in beweging"
Domus Medica te Utrecht
Samenvattingen (link naar symposiumverslag van de KNMP)
Het afgedwaalde tuchtrecht
door Ben V.M. Crul, arts/ hoofdredacteur Medisch Contact/ manager Artsennet
De kern van het medisch tuchtrecht als wettelijke regeling voor vertrouwensberoepen waarbij het openbaar belang bij een goede beroepsuitoefening centraal staat, wordt onvoldoende waargemaakt. Het straffen van de individuele beroepsbeoefenaar is belangrijker geworden dan het overstijgende grotere belang: voorkomen dat een volgende patiënt niet hetzelfde overkomt.
Deze educatieve rol kan uitgesplitst worden in primaire preventie (schrik aanjagen), secundaire preventie (voorkomen dat dezelfde arts het wéér doet) en groepspreventie (zorgen dat alle artsen het vernemen). Het om `reden van algemeen belang' aanbieden ter publicatie van uitspraken op welk medium dan ook, moet veel meer aandacht krijgen.
Ten onrechte adviseert Commissie Huls om alleen die zaken te publiceren met een maatregel die zwaarder is dan een waarschuwing. Het educatieve element van een uitspraak vertoont echter geen enkele relatie met de zwaarte van de `straf'. Ook zaken die nu nog niet-gegrond verklaard zijn, kunnen waardevolle leermomenten bevatten. Een reden temeer om een gegrondverklaring , zonder tuchtrechterlijke maatregel in het leven te roepen. Leden-geneeskundigen en Inspectie moeten een belangrijkere rol vervullen in het taggen van uitspraken voor het web met een leermoment. Zij kennen immers als geen ander de inhoud. Ook de voorzitter van het tuchtcollege mag educatieve elementen in de media benadrukken.
Omdat de gezondheidszorg van de 21e eeuw steeds minder individueel geleverde gezondheidszorg kent, zullen de ketens van zorg inclusief het management als verantwoordelijk blok aangesproken moeten worden. Kwaliteitswet, Wet BIG en Wet Klachtrecht moeten bij het beoordelen van die keten en de strafoplegging gesynchroniseerd worden. Wie doet wat is nu hinderlijk onduidelijk en belemmert een helder en slagvaardig optreden.
De fooi die de leden-beroepsgenoten van tuchtcolleges nu ontvangen (€190 per zitting) moet omgezet worden in een vergoeding die past bij de gevraagde kwaliteit en tijdsinvestering. Door het terugbrengen van het aantal regionale tuchtcolleges van vijf naar drie, verspreid over west, zuid en oost (bijv Amsterdam, Eindhoven en Zwolle) kan forse efficiencywinst geboekt worden zonder verlies van kwaliteit. Inbreng van een patienten vertegenwoordiger in het tuchtcollege past niet in het profiel van het tuchtrecht en heeft de schijn van het introduceren van een excuus Truus. De Wet Klachtrecht is primair bedoeld voor patienten, de Wet BIG voor beroepsbeoefenaren.
Het aantal leden geneeskundigen in de tuchtcolleges mag zeker niet verlaagd worden.
ABSTRACT bijdrage mr R.A. Torrenga,
voorzitter Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
Het tuchtrecht komt in beweging. De werkgroep Kalsbeek wil voorzien in een tuchtrecht voor de Jeugdzorg. Het is ook voor ons interessant om daar bij stil te staan, omdat als argument wordt gebruikt dat zorgverleners zelf belang hebben bij tuchtrecht, niet alleen als mechanisme van kwaliteitsbewaking, maar met name ook ter zelfbescherming: om als mechanisme van handhaving het strafrecht wind uit de zeilen te nemen.
Na ruim 75 jaar overheidstuchtrechtspaak in de gezondheidszorg wordt niet vaak meer stilgestaan bij het nut van de tuchtrechtspraak gelegen in het afwenden van erger onheil voor de beroepsbeoefenaar.
Het tuchtrecht beweegt omdat gezondheidszorg steeds meer ketenzorg wordt, hetgeen noopt tot een herbezinning op de individuele verantwoordelijkheid van de actoren in de keten. Het tuchtrecht beweegt om de one-liner dat het niet meer van deze tijd zou zijn te pareren. Een te gemakkelijke uitspraak die ook apert onjuist is, omdat het scherp houden van de individuele verantwoordelijkheid het door de eeuwen beproefde middel is om de voordelen van collectivisme te genieten en de nadelen ervan te verzachten.
Het tuchtrecht beweegt tenslotte ook, omdat het zo langzamerhand te gênant wordt om vijf jaar na de eerste evaluatie van de Wet BIG -en dus op het voor een tweede evaluatie bestemde moment- het nog langer wetgevend te verwaarlozen.
Het tuchtrecht beweegt ten einde de samenleving beter te dienen. Dat is niet noodzakelijk hetzelfde als het bewerkstelligen van consistentie van het overheidsbeleid ten aanzien van de verschillende soorten tuchtrecht, zoals de commissie Huls als doelstelling heeft gezien. Dergelijke consistentie bevredigt de jurist, maar steekt -als je niet oppast- de consument van het recht in een slecht zittend pak, dat de witte jas van de dokter, de toga van de advocaat, het krijtstreepje van de accountant, het rubber schort van de veterinair en de spijkerbroek van de jeugdwerker niet kan vervangen.
‘Medisch tuchtrecht voldoet niet meer’
NRC Handelsblad, 20 april 2007
Het medisch tuchtrecht moet worden herzien. Het stelt artsen enkel individueel verantwoordelijk, terwijl bij een behandeling vaak allerlei hulpverleners betrokken zijn.
In de jaarrede van de Vereniging voor Gezondheidsrecht op 20 april 2007, stelt voorzitter Johan Legemaate, bijzonder hoogleraar gezondheidsrecht aan de Vrije Universiteit, dat het mogelijk moet zijn om samenwerkingsverbanden, zoals maatschappen, als geheel aansprakelijk te stellen bij medische fouten.
Als patiënten een klacht indienen bij het tuchtcollege, is de kans klein (circa 18 procent) dat die gegrond wordt verklaard en tot een maatregel leidt. Dat komt onder meer doordat veel hulpverleners voor slechts een deel van de behandeling verantwoordelijk zijn. Ook schiet volgens Legemaate het Nederlandse klachtrecht als geheel voor patiënten tekort. Veel patiënten weten bijvoorbeeld niet waar ze met hun klachten terecht kunnen. Ook zouden patiëntenvertegenwoordigers in de tuchtcolleges moeten zitten, vindt hij. De tuchtcolleges bestaan nu enkel uit juristen en hulpverleners.
Bij het indienen van een schadeclaim is sprake van „moeizame en ontmoedigende trajecten, waarin uiteindelijk minder mensen worden gecompenseerd dan op grond van de feiten gerechtvaardigd zou zijn.” Verzekeraars van de artsen wijzen claims in veel gevallen af, zegt Legemaate. En veel patiënten zien emotionele en financiële belemmeringen om een rechtszaak te beginnen. Een no-fault verzekering zou uitkomst kunnen bieden. Daarbij krijgen patiënten bij medische ongevallen snel een financiële vergoeding zonder dat eerst vast hoeft komen te staan wie voor dat ongeval verantwoordelijk is. In België is zo’n systeem onlangs goedgekeurd door het parlement.
Reactie van mr. J.S.W. Holtrop, Voorzitter regionaal tuchtcollege Amsterdam:
Medische tuchtcolleges bewijzen hun betekenis, 12 mei 2007 ingezonden brief.
Johan Legemaate, voorzitter van de Vereniging voor Gezondheidsrecht werd in het NRC Handelsblad van 20 april 2007 aangehaald met de woorden: Medisch tuchtrecht voldoet niet meer. Hij heeft kritiek op het feit dat samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld doktersmaatschappen) niet op hun fouten kunnen worden aangesproken. Maar daarvoor is wetswijziging nodig. Slechts 18 procent van de ingediende klachten zou leiden tot bestraffing (opm. red. slechts 7 procent bij het Medisch Tuchtcollege in Eindhoven)
Door telkens - hij deed het al eerder - op dat geringe percentage te hameren miskent Legemaate dat tuchtcolleges vaak geconfronteerd worden met klachten over problemen van patiënten die niet in de hulpverlening zijn veroorzaakt en die elders moeten worden opgelost. Belangrijker is, dat medische missers vaak niet bij de tuchtrechter komen, omdat de fout niet wordt ontdekt of omdat de patiënt dat niet wil. Het zou beter zijn om dat eens te analyseren.
Volgens Legemaate worden problemen opgelost als patiëntenorganisaties tot de tuchtcolleges worden toegelaten. Dat suggereert ten onrechte een eenzijdige samenstelling van de colleges die geen oog hebben voor de belangen van patiënten. Maar het gaat niet om de belangen van patiënten of artsen, maar om het belang van de kwaliteit van de gezondheidszorg als geheel. De tuchtcolleges willen ruimte houden om met onpartijdige en deskundige rechtspraak aan die kwaliteit bij te dragen. Ze bewijzen in toenemende mate hun betekenis. Verdere ontwikkeling blijft natuurlijk nodig, maar aan ongefundeerde en suggestieve uitspraken, als zou men wel zonder het tuchtrecht kunnen, hebben we niets.
11 mei 2007
Tuchtcolleges onvoldoende bekend bij publiek??
De regionale tuchtcolleges voor de medische zorg vragen zich in hun jaarverslag af of hun bestaan wel voldoende bekend is bij het publiek.
De tuchtcolleges in Amsterdam, Den Haag, Eindhoven, Groningen en Zwolle ontvingen in 2006 bij elkaar 1322 klachten. Afgezet tegen de miljoenen contacten op jaarbasis van patiënten met artsen, tandartsen, ziekenhuizen, psychologen, apotheken en andere verleners van medische zorg lijkt dat erg weinig. De tuchtcolleges denken dat lang niet iedereen weet dat je bij klachten over zorgverleners bij hen terecht kan. Het aantal klachten stijgt wel de laatste jaren.
Jaarverslag 2006 Tuchtcolleges voor de Gezondheidszorg
Gepubliceerd op woensdag 2 mei 2007 op www.rechtennieuws.nl
Organisatie: Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg
De tuchtcolleges voor de gezondheidszorg maken zich zorgen over de eigen bekendheid bij het publiek. Dat blijkt uit het jaarverslag 2006 dat de colleges onlangs op hun website publiceerden.
Vorig jaar ontvingen de vijf regionale tuchtcolleges 1332 klachten. Het aantal klachten zit al jaren in de lift. In 2002 waren 1052 Nederlanders zo ontevreden over hun zorgverlener, dat ze een klacht indienden. Bij deze cijfers past volgens de colleges wel een relativering. Jaarlijks hebben patiënten tientallen miljoenen contacten met huisartsen, apothekers, tandartsen, psychologen, verloskundigen en andere verleners van medische zorg.
‘Indien het aantal beroepszaken wordt gerelateerd aan het aantal patiëntencontacten kan de conclusie worden getrokken dat dit slechts een zeer bescheiden deel is’, aldus de opstellers van het jaarverslag.
‘De vraag dringt zich op of het bestaan van de klachtmogelijkheid bij de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg ondanks de belangstelling van de journalistiek voor dit publieke terrein, wel voldoende bekendheid geniet.’
Op basis van de wet op de Beroepen in de individuele Gezondheidszorg (BIG) kunnen patiënten hun beklag doen bij regionale tuchtcolleges in Amsterdam, Den Haag, Groningen, Zwolle en Eindhoven. Wie het oneens is met een uitspraak van een regionaal tuchtcollege, kan naar het centraal tuchtcollege voor de gezondheidszorg, eveneens in Den Haag.
Dat gebeurt in de praktijk in ongeveer een kwart van alle zaken. Zo deed het hoogste tuchtcollege vorig jaar uitspraak in 317 hoger beroepszaken. In 74 zaken verklaarde dat het beroep om diverse redenen niet-ontvankelijk. In 39 zaken trokken klagers het beroep in. Van de resterende zaken verwierp het centraal college in 154 gevallen het beroep.
Het vernietigde 48 keer een beslissing in eerste aanleg geheel of gedeeltelijk. In negentien gevallen veroordeelde het de betreffende medische zorgverlener, nadat de klacht in eerste aanleg nog ongegrond was bevonden. Negen keer werd een in eerste aanleg gegrond geachte klacht in hoger beroep alsnog ongegrond verklaard. In twee gevallen legde het centraal tuchtcollege in hoger beroep een zwaardere maatregel op. Een beroepsprocedure leidde vijftien keer tot een lichtere straf.
Weinig artsen veroordeeld door Medisch Tuchtcollege
Voorzitter tuchtcollege Rudolf Torrenga over waarom maar weinig artsen worden veroordeeld
Ruim 1700 patiënten overlijden per jaar na fouten van artsen, terwijl maar 200 artsen worden veroordeeld. Torrenga: „Je moet oog hebben voor de proportie van het leed dat je een arts toebrengt.”
Door NRC Handelsblad redacteuren Jannetje Koelewijn Esther Rosenberg
Den Haag, 8 juni 2007
Hoe het mis kan gaan in de spreekkamer van de dokter heeft Rudolf Torrenga, voorzitter van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszor , zelf ervaren. Zijn arts vertelde hem onverwacht dat hij iets vervelends had en dat hij geopereerd moest worden. „Toen ik weer buiten stond, realiseerde ik me dat ik van het tweede deel van het gesprek niets onthouden had”.
Tuchtrechtspraak, bedoelt hij, is een precair soort rechtspraak. Vaststellen van de feiten is meestal niet moeilijk. De patiënt had buikpijn en was moe. Vaststellen van wat er had moeten gebeuren is – achteraf – meestal ook niet moeilijk. Meteen naar de chirurg, want het was kanker. Maar had de arts dat moeten weten? Artsen zien per dag wel tien vermoeide patiënten met buikpijn en het duidt bijna nooit op iets ernstigs. „Beoordelen of een arts aansprakelijk is”, zegt Torrenga, „is vaak heel lastig.”
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg is er voor patiënten met een klacht over een hulpverlener, die zich niet willen neerleggen bij de uitspraak van een regionaal tuchtcollege. Wie door zo’n regionaal tuchtcollege veroordeeld is, kan er ook naar toe.
Vorig jaar werden door alle tuchtcolleges bij elkaar duizend zaken behandeld. Ongeveer tweehonderd keer werd er een ‘maatregel’ opgelegd. Een waarschuwing, een berisping, een geldboete, een tijdelijke of definitieve schorsing.
Tweehonderd veroordeelde artsen en andere hulpverleners tegenover 1.735 patiënten die per jaar na fouten van artsen en ander personeel in ziekenhuizen overlijden. En 30.000 patiënten die na fouten schade oplopen. Die aantallen komen uit het onderzoek dat onder leiding van het VUmc werd gedaan en dat eind april tot voorpaginanieuws leidde.
Is het niet vreemd dat het tuchtcollege maar zo weinig klachten te verwerken krijgt?
Torrenga: „Wat is weinig? Er zijn gevallen waarin ernstige fouten zijn gemaakt die nooit bij ons terechtkomen. En gevallen waarin helemaal geen fouten zijn gemaakt die wel bij ons terechtkomen. Naar het tuchtcollege gaan, kan ook rouwverwerking zijn. Als er geen god meer is die je verantwoordelijk kunt houden voor het leed dat jou is overkomen, kan de behoefte ontstaan om te achterhalen of de arts een fout maakte. Dan kan die de schuld krijgen.”
Dan zou je toch nog veel meer klachten verwachten? Weten mensen het tuchtcollege wel te vinden?
„Ik zou niet weten wat ik nog meer moest doen om mensen op ons bestaan te attenderen. Je zou denken dat het anders was, maar we zitten bepaald nog niet in een klaag- en claimcultuur.”
Veel mensen denken dat het tuchtcollege artsen beschermt.
„We zijn met z’n vijven, drie juristen en twee artsen of andere beroepsgenoten van de aangeklaagde hulpverlener. Het valt mij op dat beroepsgenoten juist heel hoge maatstaven aanleggen. Zij kijken: is de zorg wel optimaal geweest. Juristen zeggen: wij toetsen of de zorg niet beneden een aanvaardbaar gemiddelde was, dát is het criterium.”
Veel patiënten zullen dat zo niet zien.
„Als het jezelf is overkomen dat er iets is misgegaan, dan is het hoe dan ook heel moeilijk om te accepteren dat er tuchtrechtelijk gezien geen misstap is begaan.”
Torrenga zegt dat hij graag de mogelijkheid zou krijgen om een klacht van een patiënt gegrond te verklaren zónder de arts een maatregel op te leggen. Dat kan nu niet volgens de wet. Maar het tuchtcollege doet het toch, vorig jaar zeven keer. „We hopen dat de wetgever door deze rebellie begrijpt dat de wet moet veranderen.”
Wat is het voordeel?
„Artsen, vooral huisartsen, hebben een zeer riskant beroep. De wachtkamer zit vol, de hele dag door moeten er beslissingen worden genomen, meestal op basis van een pluis- of nietpluis-gevoel. Hoeveel valt hun te verwijten als ze op goede gronden de verkeerde beslissing nemen?”
Houdt u niet te veel rekening met de gevoelens van artsen?
„Nee, nee. Je brengt artsen leed toe met een maatregel, je moet oog hebben voor de proportie van dat leed. Er is een categorie klachten waarvan wij zeggen: zo moet het niet, maar de les is al aangekomen, meer hoeft niet.”
Zou het zinvol zijn als ook een patiënt in het tuchtcollege plaatsneemt?
„Daar zou ik helemaal geen bezwaar tegen hebben. Het kan bijdragen aan het vertrouwen.
Maar wat voegt het toe?
„In het medisch tuchtrecht gaan veel klachten over de communicatie met patiënten. Ik kan me voorstellen dat dat een blinde vlek is voor een arts.”
Artsen in ziekenhuizen zijn steeds afhankelijker van managers. Zouden patiënten ook managers moeten kunnen aanklagen, zoals minister Klink overweegt?
„Er zijn hoogleraren die daarvoor pleiten, en ik verwacht dat het mogelijk zal gaan worden. Maar ik vind niet dat het medisch tuchtrecht zich daarvoor leent. Ik begrijp de redenering wel. Een manager bepaalt bijvoorbeeld dat de eerste hulp wegens personeelsgebrek op zaterdagavond bemand wordt door een onervaren arts-assistent. Dat gaat mis, maar dat valt de arts-assistent niet te verwijten. Wel die managers. Maar wat kan een tuchtrechter zeggen? Die kan niet beoordelen of de manager een foute afweging heeft gemaakt. Misschien waren er veel ergere dingen gebeurd als hij iets anders had besloten. Binnen de kortste keren gaat de tuchtrechter mee oordelen over de verdeling van budgetten in de gezondheidszorg.”
Wie moet dan wel oordelen over fouten van managers?
„Ik zou dat meer iets vinden voor Pieter van Vollenhoven en zijn Veiligheidsraad. En daarbinnen dan een groep specialisten in de gezondheidszorg.”
Medisch tuchtcollege / Geen optimale kwaliteit
Bron: Trouw, 12 december 2006
door Joop Bouma
Een lid van het Medisch Tuchtcollege in Amsterdam heeft kritiek op de kwaliteit van de tuchtrechtspraak. Leden van het tuchtcollege zijn soms onervaren, de juristen hebben te weinig medische kennis. De voorzitter van het tuchtcollege is het niet met haar eens. Twee opinies, na elkaar.
Ik heb niet het gevoel dat bij het tuchtcollege de opvatting heerst dat er optimale kwaliteit geleverd moet worden”, zegt mr. Rosemarijn Milo, voormalig advocaat en rechter-plaatsvervanger bij de rechtbank in Amsterdam. Milo is sinds 2001 als lid-jurist verbonden aan het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg in Amsterdam, kortweg het medisch tuchtcollege. In februari loopt haar termijn af.
Milo kijkt met gemengde gevoelens terug op haar werk in de medische tuchtrechtspraak. „In een rapport van vws over het functioneren van regionale tuchtcolleges, stond dat ’we het goed doen en aanzien hebben bij belanghebbenden in het medische veld’. Maar ik zou bij die zelfgenoegzaamheid een vraagteken willen zetten.”
Milo was letselschadeadvocaat, met als specialisatie medische fouten. Mede om haar kennis op het gebied van gezondheidsrecht, werd ze in 2001 benoemd tot lid-jurist in het medisch tuchtcollege in Amsterdam. „Ik ben er destijds met veel enthousiasme ingedoken. Ik bereidde me zeer uitvoerig voor op zittingen. In de dossiers plakte ik overal gele briefjes, zodat ik belangrijke passages kon terugvinden. „Wat ben jij een uitslover”, zei een arts, lid van het tuchtcollege, op een keer tegen mij. Dat heb ik een ellendige ervaring gevonden.”
Artsen denken negatief over tuchtrecht
Publicatie Medisch Contact: Nr. 09 - 3 maart 2006
Rubriek: NieuwsReflex
Pagina: 348
Artsen vinden dat tuchtcolleges onvoldoende rekening houden met de professionele normen. Driekwart denkt dat een tuchtrechtszaak de reputatie van een arts hoe dan ook schaadt.
Dat schrijft Erik Hout in zijn proefschrift over het medisch tuchtrecht, waarop hij op 9 maart promoveerde aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. De promovendus peilde de meningen van artsen, leden van de tuchtcolleges en advocaten over het tuchtrecht sinds de invoering van de nieuwe Wet BIG.
Artsen denken in vergelijking met advocaten en de leden van de tuchtcolleges veel negatiever over het tuchtrecht. Slechts 32 procent van hen vindt dat de tuchtcolleges in hun oordeel over tuchtklachten voldoende rekening houden met de professionele normen. Van de huisartsen vindt zelfs slechts 15 procent dit. Bijna alle advocaten (92 procent) en collegeleden (94 procent) vinden dat de tuchtcolleges juist wél goed rekening houden met de professionele normen.
De colleges hebben bij het vaststellen van hun standaarden soms weinig affiniteit met de medische praktijk, zo wordt nogal eens in de media gesteld. Opvallend is dat bijna de helft van de artsleden van de tuchtcolleges (46 procent) zich in deze kritiek kan vinden. De juristleden zijn minder zelfkritisch.
Uit het onderzoek van Hout blijkt opnieuw dat de gang naar de tuchtrechter zwaar is. Maar liefst 74 procent van de artsen denkt dat de reputatie van een arts tegen wie een klacht is ingediend, hoe dan ook beschadigd raakt ongeacht de uitspraak. Slechts 41 procent van de artsleden en 39 procent van de advocaten deelt die mening.
Maar liefst 86 procent van de leden van de tuchtcolleges vindt het een groot nadeel dat zij een klacht niet gegrond kunnen verklaren zonder de arts een sanctie op te leggen.
Symposiumverslag
DE TOEKOMST VAN HET TUCHTRECHT
1568 • Medisch Contact • 21 september 2007 • 62 nr. 38
Onder de 200 aanwezigen bevonden zich artsen en andere hulpverleners die onder het tuchtrecht
vallen, leden van de tuchtcolleges, vertegenwoordigers van koepelorganisaties, beleidsmakers,
gezondheidsjuristen en onderzoekers. Onder voorzitterschap van J. Legemaate (KNMG) namen zij niet alleen uitvoerig deel aan de discussie, maar stemden ook herhaaldelijk over de belangrijkste voorstellen voor wijziging van het tuchtrecht. Uit die stemmingen bleek ten aanzien van de meeste punten een
grote mate van eensgezindheid te bestaan (zie kader).
Doel tuchtrecht
Gevers benadrukte in zijn inleiding dat de commissie-Huls niet consequent omgaat met
het onderscheid tussen klacht- en tuchtrecht. Klachtrecht is er vooral voor de individuele
genoegdoening en tuchtrecht primair voor de kwaliteit van de zorg. Het ligt dan niet voor
de hand de klager te verplichten eerst naar de klachtencommissie te gaan, bijvoorbeeld
bij bejegeningsklachten. Ook R. de Roode (KNMG) en P. van der Sande (klachtenfunctionaris
Deventer Ziekenhuis) voerden bezwaren aan tegen zo’n verplichting. Wel wezen zij op de
noodzaak pati?nten beter over de verschillende klachtmogelijkheden te informeren. Het voorstel
van Van der Sande om de klachtenfunctionaris wettelijk te regelen, kreeg brede steun
van de zaal. Daardoor wordt het beter mogelijk de kwaliteit van de klachtenfunctionarissen te
verbeteren.
Reikwijdte tuchtrecht
Al langer is discussie gaande over de reikwijdte van het tuchtrecht. Dienen artsen in een
managementfunctie onder het tuchtrecht te vallen? En wat is de betekenis van het tuchtrecht
in het geval van groepsverantwoordelijkheid en ketenzorg? De meeste inleiders waren van
mening dat het tuchtrecht zich moet aanpassen aan nieuwe ontwikkelingen in de zorg, bijvoorbeeld
door een tuchtklacht tegen een groep of samenwerkingsverband mogelijk te maken.
Advocaat E. Meulemans pleitte ervoor dat alle handelingen die een arts in die hoedanigheid
verricht tuchtrechtelijk toetsbaar zouden moeten zijn. Dat is een iets ruimer criterium
dan er nu geldt (verrichten van individuele gezondheidszorg). Artsen die uitsluitend een
managementfunctie vervullen, zouden niet onder het tuchtrecht moeten vallen, evenmin
als instellingen.
Schadevergoeding
De commissie-Huls stelt voor de tuchtrechter de mogelijkheid te geven om (beperkte) schadevergoeding toe te kennen. Dit voorstel stuitte onder de inleiders, maar ook in de zaal, op
veel kritiek. Het tuchtrecht heeft een ander doel en is niet ingericht op debatten over
schadevergoeding. Zo’n bevoegdheid, aldus Gevers, zou ook een verkeerd signaal geven
aan het publiek.
Het tuchtrecht in de gezondheidszorg dient zijn specifieke invulling te blijven houden. Dat was de rode draad in de inleidingen die werden gehouden tijdens een drukbezocht KNMG-symposium over het tuchtrecht op 13 september. Er was de nodige kritiek op rapport van een werkgroep van het ministerie van Justitie (commissie-Huls), waarin wordt voorgesteld het tuchtrecht in negen maatschappelijke sectoren zoveel mogelijk te harmoniseren. Volgens hoogleraar gezondheidsrecht J. Gevers bevat het rapport vanuit de gezondheidszorg bezien ‘veel discutabele aanbevelingen’. Ook R. Torrenga, voorzitter van het Centraal Tuchtcollege, wees op ‘onvolkomenheden’ in het rapport en bekritiseerde het streven naar ‘tuchtrechtelijke eenheidsworst’.
Gegrond maar geen maatregel
Bij de evaluatie van de Wet BIG in 2002 werd voorgesteld de optie ‘gegrondverklaring
klacht zonder oplegging van maatregel’ te introduceren. Inmiddels passen
de tuchtcolleges dit in de praktijk al toe, strikt genomen in strijd met de Wet BIG.
Het strafrecht kent een dergelijke optie ook, evenals het tuchtrecht in enkele andere
sectoren. De commissie-Huls ziet er weinig in. Torrenga illustreerde met een voorbeeld
de betekenis van genoemde optie en kreeg veel bijval. De mogelijkheid van gegrondverklaring
zonder maatregel voorkomt dat de tuchtrechter een klacht die wel degelijk
gegrond is, maar waarbij de individuele schuld van de arts te gering is voor een
maatregel, ongegrond moet verklaren.
Preventie en educatie
P. Olde Kalter (kno-arts en lid tuchtcollege) en B. Crul (hoofdredacteur MC) vroegen de
aandacht voor de preventieve en educatieve werking van het tuchtrecht.
Olde Kalter meende dat het tuchtrecht wel degelijk een kwaliteitsbevorderende
werking heeft, maar ook dat er op dat punt nog verbeteringen mogelijk zijn. Zo zouden
belangrijke uitspraken door de wetenschappelijke verengingen beter onder de leden
bekend moeten worden gemaakt. Crul was zeer verbaasd over het voorstel van de commissie- Huls om alleen gegrondverklaarde uitspraken waarin is besloten tot een berisping
of ‘hoger’ op het internet te publiceren. Op basis van zijn jarenlange beoordeling
van tuchtuitspraken stelde hij dat de educatieve waarde juist te vinden is in de
categorie die tot een waarschuwing leidt, maar soms ook bij ongegrond verklaarde
klachten. Bij een berisping of ‘hoger’ gaat het vaak om zulke evidente fouten en missers
dat de educatieve waarde voor andere artsen zeer beperkt is.
Financiering
Aan de orde kwamen ook de lage honorering van de leden-beroepsgenoten in
de tuchtcolleges (door Crul een ‘fooi’ genoemd) en het voorstel van de commissie-
Huls om beroepsbeoefenaren en/of hun organisaties aan het tuchtrecht te laten
meebetalen. Ten aanzien van het laatste voorstel vreesde De Roode dat het vertrouwen
van klagers in de tuchtrechtspraak daardoor nog wel eens verder zou kunnen
dalen.
De KNMG gebruikt de uitkomsten van het symposium voor het opstellen van een definitieve
reactie op de plannen van de commissie-Huls. Deze reactie zal een dezer dagen op
de website van de KNMG zijn te vinden http://www.knmg.nl. Over enige tijd verschijnt een regeringsstandpunt
over het rapport van de commissie-Huls. Voor meer informatie kunt u terecht bij
J. Legemaate, tel. 030 2823 765 of via e-mail:j.legemaate@fed.knmg.nl.
Voorstellen rond het tuchtrecht
Veel steun:
- betere informatie voor patienten over klachtmogelijkheden;
- wettelijke regeling klachtenfunctionaris;
- indienen tuchtklacht tegen groep hulpverleners;
- introduceren gegrondverklaring zonder oplegging van maatregel;
- alle tuchtrechtelijke beslissingen via website toegankelijk maken;
- betere honorering leden-beroepsgenoten.
Weinig of geen steun:
- patienten verplichten eerst met arts te praten of naar klachtencommissie
te gaan, voordat tuchtklacht kan worden ingediend;
- patient die tuchtklacht indient griffiegeld laten betalen;
- patientenperspectief toevoegen aan samenstelling tuchtcollege;
- tuchtrechter mogelijkheid geven schadevergoeding toe te kennen;
- beroepsgroep laten meebetalen aan het tuchtrecht.
|
Aanwezige sprekers:
Ben Crul, hoofdredacteur MC: ‘Kern is: een volgende patient mag niet hetzelfde overkomen!’
Johan Legemaate (dagvoorzitter), Ben Crul (hoofdredacteur MC), Paula van der Sande (klachtenfunctionaris), Peter Olde Kalter (kno-arts en lid tuchtcollege), Erik Meulemans (advocaat)
Robinetta de Roode, beleidsmedewerker KNMG:‘Tuchtrecht: Leuker kunnen we ’t niet maken, beter wel.’
Sjef Gevers, hoogleraar gezondheidsrecht UvA: ‘Het primaire doel van het tuchtrecht, kwaliteitsbewaking, moet voorop blijven staan.’
Rudolf Torrenga, voorzitter centraal tuchtcollege: ‘Het tuchtrecht komt in beweging. Dat werd tijd ook.’
|