|
Psychiatrie en fouten
7 november 2011
Inspectie sluit praktijk psychiater
Bron: Medisch Contact
De Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft een psychiater uit Lochem bevel gegeven onmiddellijk met haar werk te stoppen. De betrokken psychiater geeft in een reactie toe niet verstandig te hebben gehandeld.
In januari 2011 kreeg de IGZ een verzoek van het Regionaal Tuchtcollege in Zwolle om onderzoek te doen naar het functioneren van psychiater X uit Lochem. Eerder had X nagelaten om te reageren op aanschrijvingen van het tuchtcollege over de klacht van een van haar patiënten, die ondanks herhaalde verzoeken geen inzage had gekregen in het eigen medisch dossier. Het tuchtcollege gaf X een waarschuwing, maar het medisch dossier heeft zij nog altijd niet verstrekt.
Eind september sprak de IGZ met mevrouw X, die een vermoeide, gelaten, trieste en zeer in zichzelf gekeerde indruk maakte, wat bedenkingen opriep over de kwaliteit van de zorg. Tijdens dat gesprek werd afgesproken dat de psychiater binnen een week een plan van aanpak zou opstellen voor de afbouw van haar praktijk, maar ook dat heeft de inspectie nooit ontvangen. Evenmin liet zij zich zien toen de IGZ medio oktober een vooraf aangekondigd bezoek bracht aan haar praktijk en bleef zij telefonisch onbereikbaar. Ook bij patiënten, zo bleek uit het onderzoek, waren er klachten over de bereikbaarheid.
X, door Medisch Contact moeiteloos telefonisch om commentaar gevraagd, wil inhoudelijk niet reageren: Het lijkt mij niet handig om dat te doen. Wel geeft zij toe niet verstandig te hebben gehandeld: Maar soms ben je door omstandigheden zo belast dat je niet doet wat verstandig is. Zij wil zich eerst goed laten adviseren alvorens verdere stappen te ondernemen.
Het bevel van de IGZ houdt in dat X met onmiddellijke ingang geen patiënten meer mag behandelen in de praktijk in Lochem in haar hoedanigheid van psychiater en psychotherapeut. Het bevel wordt pas opgeheven als de inspectie heeft kunnen vaststellen dat de praktijkvoering voldoet aan de eisen van verantwoorde zorg.
Datum uitspraak: 2 augustus 2011
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te 's-Gravenhage heeft de navolgende beslissing gegeven inzake de klacht van:
A,
wonende te B,
klager,
tegen:
C, psychiater,
wonende te D,
de persoon over wie geklaagd wordt,
hierna te noemen de arts.
1. Het verloop van het geding
Het klaagschrift met bijlagen is ontvangen op 13 april 2010. De arts heeft op de klacht gereageerd, waarna partijen hebben gerepliceerd, respectievelijk gedupliceerd. Klager heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid om in het vooronderzoek mondeling te worden gehoord. De mondelinge behandeling door het College heeft plaatsgevonden ter openbare zitting van 7 juni 2011. Partijen zijn verschenen en hebben hun standpunten mondeling toegelicht. De arts werd bijgestaan door mr. F. Westenberg, advocaat te Hoorn. Voorts zijn ter zitting twee getuigen gehoord, één van de zijde van klager en één van de zijde van verweerster.
2. De feiten
2.1 Klager heeft klachten van sociale angst en lijdt daardoor sinds het stoppen van zijn studie een teruggetrokken bestaan. Klager heeft zich voor zijn klachten aangemeld bij PsyQ te E. Tijdens het vooronderzoek heeft PsyQ de diagnose PDD-NOS (Pervasive Developmental Disorder - Not Otherwise Specified)gesteld. PDD-NOSis een groepsnaam voor symptomen die niet onder andere stoornissen te plaatsen zijn. PDD-NOS maakt deel uit van het autismespectrum. PsyQ stelde als voorwaarde voor behandeling van klager, dat bij hem geen sprake mag zijn van een autistische stoornis. Omdat klager zich niet in de diagnose van PsyQ kon vinden en behandeld wilde worden, heeft hij ingestemd met een second opinion bij het Centrum Autisme. PsyQ heeft hem vervolgens op 2 september 2008 verwezen.
2.2 De arts is sinds 2007 werkzaam als psychiater in het Centrum Autisme. De arts heeft bij klager diagnostisch onderzoek verricht; er zijn twee gesprekken met klager gevoerd en voorts is gesproken met de moeder van klager. Voorts heeft de arts samen met een GZ-psycholoog een aanvullend gesprek met klager gevoerd. Van de onderzoeken is een verslag opgemaakt. Als conclusie en advies is in het verslag aangegeven dat op grond van de resultaten van het diagnostisch onderzoek gesteld kan worden dat er bij klager sprake is van een autismespectrumstoornis en dat er sprake is van de stoornis van Asperger. Het verslag is besproken in de multidisciplinaire diagnostiekstaf van het Centrum Autisme. Daar is het verslag goedgekeurd.
2.3 Klager heeft per e-mail gevraagd om de uitslag van het onderzoek en heeft de arts verzocht te bevestigen dat bij hem geen sprake is van een autistische stoornis. De arts heeft per e-mail geantwoord dat zij dat niet kon bevestigen. Klager is vervolgens uitgenodigd voor een persoonlijk uitslaggesprek. Klager heeft hiervan geen gebruik willen maken. Klager heeft de arts geen toestemming gegeven om de verwijzer informatie over de second opinion te geven.
2.4 Klager is ten tijde van de onderzoeken bij het Centrum Autisme onder behandeling gekomen van PsyQ te F, alwaar de diagnose persoonlijkheidsstoornis NAO en sociale angststoornis is gesteld. PsyQ is door klager op de hoogte gesteld van de uitslag van het onderzoek van het Centrum Autisme. Gezien de door de arts gestelde diagnose heeft PsyQ de behandeling gestaakt.
3. De klacht
Klager verwijt de arts dat zij onvoldoende onderzoek heeft verricht en een onjuiste diagnose heeft gesteld. De gestelde diagnose belemmert klager bij het vinden van een goede psychiatrische behandeling voor zijn klachten.
4. Het standpunt van de arts
Klager is gedurende drie sessies zorgvuldig onderzocht en voorts is een ontwikkelingsanamnese afgenomen bij de moeder van klager. In het rapport wordt op inzichtelijke en consistente wijze uiteengezet op welke gronden de conclusie steunt. Voorts vinden in die uiteenzetting genoemde gronden op hun beurt aantoonbaar voldoende steun in de feiten, omstandigheden en bevindingen, zoals vermeld in de rapportage. De gronden kunnen de daaruit getrokken conclusie rechtvaardigen. De arts heeft zich beperkt tot haar deskundigengebeid. Het rapport voldoet mitsdien aan de eisen.
5. De beoordeling
5.1 De arts heeft naar aanleiding van drie gesprekken met klager en een gesprek met de moeder van klager een verslag uitgebracht. Dit verslag kan, gelet op de inhoud en strekking, worden beschouwd als een rapport, dat volgens vaste jurisprudentie van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg dient te voldoen aan de volgende criteria:
- in het rapport dient op inzichtelijke en consistente wijze te worden uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt
- de in het rapport uiteengezette gronden moeten aantoonbaar voldoende steun vinden in de feiten, omstandigheden en bevindingen van het rapport;
- de bedoelde gronden kunnen de daaruit getrokken conclusie rechtvaardigen;
- de rapportage beperkt zich tot de deskundigheid van de rapporteur;
- de methode van onderzoek om te komen tot de beantwoording van de voorgelegde vraagstelling kan leiden tot het beoogde doel, of heeft de rapporteur daarbij de grenzen van de redelijkheid en billijkheid overschreden?
5.2 Nu klager zich niet in de gestelde diagnose kan vinden, van mening is dat de feiten zijn verkregen mede door een horen van de moeder dat volgens klager geen open gesprek was en van mening is dat de conclusie geen steun vindt in de feiten en omstandigheden, ligt de vraag voor of het verslag voldoet.
5.3 Het College stelt voorop dat het geen oordeel kan geven over de juistheid van de diagnose. Mitsdien wordt niet geoordeeld dat sprake is van een autistische stoornis, maar ook niet dat daarvan geen sprake is. Dit oordeel wordt aan andere ter zake deskundige en/of behandelend artsen overgelaten. Overigens staat niet ter discussie dat de arts op zichzelf over voldoende deskundigheid beschikt om een diagnose als de onderhavige te stellen. Het enkele feit dat zij zo dit achteraf het geval zou blijken te zijn in het geval van eiser een onjuiste diagnose zou hebben gesteld, doet niet zonder meer af aan haar bekwaamheid. Evenmin staat ter discussie dat het verslag zich heeft beperkt tot de deskundigheid van de arts.
5.4 Het College is voorts van oordeel dat de methode van onderzoek zorgvuldig is geweest. Er zijn drie gesprekken gevoerd met klager en eveneens met moeder. Uit het verhoor van de getuigen ter zitting is niet gebleken van een gesprek dat zich kenmerkte door sturing van moeder door middel van suggestieve vragen. Ook zijn er geen aanwijzingen dat klager op een onjuiste wijze is gehoord of dat op voorhand werd uitgegaan van een autistische stoornis, ook al is kennis genomen van de erkenning door de arts dat zij op de hoogte was van het belang van de diagnose en met name het uitsluiten van een autistische stoornis.
5.5 Daarentegen kan niet geoordeeld worden dat het verslag voldoet aan de overige punten. De conclusie dat sprake is van een autismespectrumstoornis, meer specifiek de stoornis van Asperger, is getrokken op grond van de resultaten van het diagnostisch onderzoek, zo wordt in het verslag weergegeven. Voorafgaand aan de diagnose volgt een opsomming van die onderzoeksresultaten. Echter, welke onderzoeksresultaten nu tot de conclusie van de arts hebben geleid en welke weging van de feiten en omstandigheden heeft plaatsgevonden, is niet verwoord in het verslag, waardoor de conclusie een ondersteuning ontbeert. In het bijzonder ontbreken uitlatingen van de moeder ten aanzien van de ontwikkeling van klager, die de conclusie zouden kunnen ondersteunen. Duidelijkheid was aangewezen, nu er door klager onderbouwde en door de arts niet weersproken aanwijzingen in de ontwikkelingsanamnese zijn - welke anamnese van groot belang is, zo wordt ook door de arts onderkend - voor een andersluidende diagnose. Kortom, een verslag dat aan de eisen zou voldoen, had inzichtelijk moeten maken waarom de arts de diagnose stoornis van Asperger heeft vastgesteld en waarom andere - gezien de voorliggende feiten, omstandigheden en onderzoeksresultaten eveneens verdedigbare - diagnoses volgens de arts moesten worden uitgesloten.
5.6 Aan het oordeel van het College op dit punt doet niet af dat klager geen gebruik heeft gemaakt van het uitslaggesprek. Uit het verweer van de arts is gebleken dat het uitslaggesprek bedoeld is om onjuistheden in de feitelijke weergave op te merken en niet om met de patiënt tot een betere motivering van de diagnose of tot een andere diagnose te komen.
5.7 Het bovenstaande brengt met zich dat de arts in tuchtrechtelijk opzicht een verwijt treft en dat de klacht gegrond is.
6. De beslissing
Het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te s-Gravenhage beslist als volgt:
legt op de maatregel van waarschuwing.
Deze beslissing is gegeven door: mr. P.A. Offers, voorzitter, mr. R.P. Wijne, lid-jurist, R.H.P. van Beest, M. Bakker en prof.dr. R.G. Pöll, leden-artsen, bijgestaan door mr. J.P. Hoogland, secretarisen uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 augustus 2011.
voorzitter secretaris
Tegen deze beslissing kan binnen zes weken na de dag van verzending van het afschrift ervan schriftelijk hoger beroep worden ingesteld bij het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg door:
a. de klager en/of klaagster, voorzover de klacht is afgewezen, of voorzover hij/zij niet-ontvankelijk is verklaard;
b. degene over wie is geklaagd;
c. de hoofdinspecteur of de regionale inspecteur van de volksgezondheid, wie de aangelegenheid uit hoofde van de hun toevertrouwde belangen aangaat.
Het tot het Centrale Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg gerichte beroepschrift wordt ingezonden bij de secretaris van het Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te
's-Gravenhage, door wie het binnen de beroepstermijn moet zijn ontvangen.
Beroepsgeheim is onontbeerlijk
Publicatie
|
Nr. 10 - 11 maart 2011, KNMG
|
Jaargang
|
2011
|
Rubriek
|
Brieven
|
Auteur
|
Rutger Jan van der Gaag, Paul van Rooij, Bart Heesen
|
Pagina's
|
630-631
|
Psychiater Kasper Mengelberg is tegen het gebruik van de DBC-systematiek in de geestelijke gezondheidszorg, omdat daarmee het beroepsgeheim van de arts en de privacy van de patiënt in gevaar zouden komen (MC 4/2011: 198). Nu onderschrijven wij uiteraard dat het beroepsgeheim, ook voor de psychiater, van groot belang is in de behandelrelatie. Echter, het geven van classificatie-informatie over de patiënt aan zorgverzekeraars rekenen wij niet tot dit domein van het beroepsgeheim. Er worden door psychiaters geen diepgaande diagnosegegevens verstrekt, of persoonlijke informatie uit de behandelgesprekken, maar een classificatie van de stoornis, volgens de DSM-systematiek.
Deze informatie is uitsluitend bedoeld om zorgverzekeraars in staat te stellen hun wettelijke taak uit te voeren en de rechtmatigheid en doelmatigheid van de geleverde zorg te beoordelen. Om goede patiëntenzorg te kunnen leveren, is een goed werkend bekostigings- en financieringssysteem nodig, dat past binnen de kaders van de zorgverzekeringswet en dat recht doet aan de rollen die de verschillende partijen in de zorgverzekeringswet zijn toebedeeld. Onze patiënten zijn gebaat bij een adequate bekostiging van de zorg, zodat zij erop kunnen rekenen dat de behandeling die zij nodig hebben, wordt vergoed.
De ledenraad van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie heeft daarom in december 2010 opnieuw ingestemd met het verstrekken van diagnose-informatie van individuele patiënten op het niveau van de DBC-hoofdgroepen aan de zorgverzekeraar.
Utrecht, februari 2011
prof. dr. Rutger Jan van der Gaag, bestuursvoorzitter Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
ir. Paul van Rooij, directeur GGZ Nederland
dr. Bart Heesen, directeur Orde van Medisch Specialisten
Medisch tuchtcollege berispt GGZ-psychiater
Bron: De Telegraaf, 3 november 2010
Een GGZ-psychiater is woensdag door het medisch tuchtcollege in Groningen op de vingers getikt, omdat door zijn toedoen een zwaar autistische patiënt maandenlang opgesloten zat in een isoleercel.
De Groningse familie van de 50-jarige GGZ-patiënt vond de opsluiting onterecht en stapte naar het tuchtcollege. Die stelde de familie in het gelijk. De psychiater van GGZ-instelling Lentis in Zuidlaren (Drenthe) meende dat opsluiting nodig was, omdat de man agressief en onvoorspelbaar gedrag begon te vertonen.
Het lot van de man leidde vorig jaar al tot Kamervragen en nieuw kabinetsbeleid om het aantal opsluitingen in isoleercellen in Nederland terug te dringen. De advocaat van de familie had via de tv de publiciteit gezocht en de familie zelf bracht beelden naar buiten van hoe de man naakt en ongeschoren in een isoleercel zat.
Uitspraak CBB: vermelding diagnoses op declaraties psychiaters van de baan (02-09-2010)
Het College van Beroep voor het bedrijfsleven heeft op 2 augustus 2010 uitspraak gedaan in de beroepen van (o.m.) de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, Stichting de Koepel van DBC-vrije praktijken van Psychotherapeuten en Psychiaters en een aantal individuele psychiaters tegen een besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit. De psychiaters hebben in hun beroepschriften bezwaar gemaakt tegen de aan hen opgelegde verplichting om diagnose-informatie op hun declaraties te vermelden. Deze informatie komt de zorgverzekeraars onder ogen. De psychiaters (appellanten) vinden dit in strijd met hun beroepsgeheim en een schending van de privacy van hun patiënten.
Het College overweegt in zijn uitspraak dat het verkrijgen van diagnose-informatie voor de zorgverzekeraars van belang is voor het vervullen van hun taken van zorginkoop en controle van de geleverde prestaties. Tegenover deze belangen staat dat het verstrekken aan zorgverzekeraars van diagnose-informatie over individuele patiënten inbreuk maakt op de medische privacy van deze patiënten. Appellanten hebben uitvoerig toegelicht welke bezwaren vanuit het perspectief van de patiënt, de behandeling en het beroepsgeheim van de behandelaar zijn verbonden aan het doorgeven van dergelijke informatie aan derden die niet bij de behandeling zijn betrokken.
Naar het oordeel van het College zijn deze bezwaren zwaarwegend. Het gaat om diagnoses die de kern van het privé-leven van de betrokken persoon raken, zodat informatie hierover zeer privacygevoelig is. Daar komt bij dat, zoals appellanten hebben betoogd, vertrouwelijkheid en geheimhouding bij de behandeling van psychische klachten van groot belang zijn. Het kunnen waarborgen daarvan is dan ook voor appellanten ongeacht de door De Nederlandse Zorgautoriteit opgeworpen vraag of alleen door patiënten een beroep op artikel 8 Europees Verdrag voor de rechten van de Mens (EVRM) kan worden gedaan uit hoofde van het deugdelijk kunnen uitoefenen van hun beroepspraktijk, een zelfstandig bij de tariefbeschikking in aanmerking te nemen belang.
De diagnose-informatie die door de psychiaters op de declaraties wordt vermeld komt bij de verzekeraars onder ogen van medewerkers voor wie het medisch beroepsgeheim niet geldt en die niet vallen onder het medisch tuchtrecht. Tot 2008 was er een ander systeem voor het verwerken van de declaraties, waarbij deze informatie uitsluitend gezien werd door personen die wel onder het medisch beroepsgeheim vallen. De Nederlandse Zorgautoriteit heeft in haar besluitvorming geen aandacht besteed aan deze werkwijze. Bij patiënten die de behandeling zelf betalen is er helemaal geen belang van zorgverzekeraars bij vermelding van diagnose-informatie op de declaratie.
Het College oordeelt dat de belangenafweging die ten grondslag heeft gelegen aan de invoering van de verplichting om diagnose-informatie op declaraties te vermelden en aan zorgverzekeraars te verstrekken, onvolledig is geweest. De Nederlandse Zorgautoriteit heeft verzuimd om te onderzoeken of, voor gevallen als door appellanten bedoeld, wijzen van informatieverstrekking aan zorgverzekeraars mogelijk zijn, die recht doen aan genoemde zwaarwegende belangen, en op basis van de uitkomsten van dat onderzoek de in het geding zijnde belangen opnieuw te overwegen. Gelet hierop is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid en ontoereikend gemotiveerd. Het College verklaart de beroepen gegrond en vernietigt het besluit van de Nederlandse Zorgautoriteit.
BRONNEN
Uitspraak CBB 2 augustus 2010, LJN BN3056
Aanbevelingen 2007 (www.vrouwenraad.be)
Seksueel misbruik komt voor in de gezondheidszorg en de hulpverlening, zowel in residentiele als in
ambulante settings, zowel in instellingen en centra als in privepraktijken.
Een scala aan handelingen
Er kunnen verschillende vormen van seksueel misbruik plaatsvinden:
- Erotiserend en seksueel getint gedrag: uiting van ongepaste intieme gevoelens in woord en/of
gedrag;
- Onnodig aanraken: aanraking of betasting zonder dat dit binnen de professionele standaard van
de betreffende beroepsgroep past;
- Onnodig uitkleden: de patient wordt gevraagd zich te ontkleden in een mate die voor het
onderzoek of de behandeling niet noodzakelijk is; de pati?nt wordt begluurd tijdens het
uitkleden;
- Onnodig uitwendig en inwendig onderzoek: de patient wordt inwendig (vaginaal of rectaal) of
uitwendig (borsten, geslachtdelen) onderzocht zonder dat dit voor de diagnose of behandeling
noodzakelijk is;
- Aanranding
- Verkrachting
Deze feiten kunnen eenmalig zijn, maar ze kunnen zich ook gedurende een lange periode
opbouwend voordoen, van verleiding tot verregaand seksueel misbruik.
Soms kan het zelfs een hele tijd duren voordat patienten/clienten beseffen dat ze misbruikt worden
of werden. Dit heeft te maken met de afhankelijkheidspositie waarin ze zich bevinden en de manier
waarop die afhankelijkheid wordt misbruikt en vaak in stand wordt gehouden ten dienste van de
professional zelf. De patient/client bevindt zich dan in een kwetsbare en gevaarlijke situatie omdat
de professional veel over haar/hem weet en die vertrouwelijke informatie tegen haar/hem kan
inzetten. Bij de patient/client is er (lang) nadien altijd sprake van enorme schaamte] en
schuldgevoelens.
Er zijn zelfs professionals die de patienten/client voorspiegelen dat seksueel contact een onderdeel is van de therapie. Sommige professionals proberen via het bieden van therapie hun eigen
onverwerkte emoties en psychische problemen te helen.
In de psychotherapie bijvoorbeeld, gebeurt het dat patienten positieve overdrachtgevoelens
ontwikkelen. Dit zijn in feite gevoelens van verliefdheid naar de professional toe. Er zijn professionals
die ingaan op deze gevoelens. Dit wordt tegenoverdracht genoemd.
Het speelt geen rol of patienten/clienten toestemmen met seksueel getint gedrag of er zelf op
aandringen. Ze zijn als hulpvrager afhankelijk van de professional. Deze bevindt zich in die
hoedanigheid in een machtspositie. De relatie, in het kader van (een) consultatie/s, tussen de
professional en de patient/client is dus op zich ongelijkwaardig.
Het is aan de professional om niet over de grens te gaan.
Een Nederlands rapport1 meldt dat 7% van de mannelijke psychiaters en 3% van de vrouwelijke psychiaters en 5 tot 10% van de mannelijke psychologen en 0,5 tot 1% van de vrouwelijke psychologen ooit seksueel misbruik heeft gepleegd ten aanzien van een patient. Bij KNO artsen en gynaecologen gaat het om 4%.
Meestal gaat het om man/vrouw misbruik, voornamelijk door mannen van een eind in de dertig tot
begin in de vijftig. Vaak hebben ze een eigen prive]praktijk.
Maar er bestaat ook vrouw/vrouw misbruik, vrouw/man misbruik en man/man misbruik. Bij misbruik
door vrouwen zijn vrouwen vaak het slachtoffer.
Volgens onderzoek is er in de VS een hoog percentage recidive bij hulpverleners die seksueel
grensoverschrijdend gedrag plegen, van 30 tot 80% en zelfs rond 80% bij hulpverleners die voor
meervoudig seksueel grensoverschrijdend gedrag worden aangeklaagd.
Strafwet
Seksueel misbruik wordt als een ernstig misdrijf beschouwd. Een aantal seksuele handelingen
worden strafbaar gesteld, met name verkrachting, aanranding van de eerbaarheid, (aanzetten tot)
ontucht en prostitutie, exhibitionisme
Voor de patient/client is het grote probleem de bewijsvoering. Meestal is hun verklaring het enige bewijsmateriaal. Tijdens confrontaties tussen professionals en patienten/clienten delven deze
laatsten vaak het onderspit. Ze worden op een manipulatieve wijze de mond gesnoerd. Hun vaak psychiatrische stempel heeft een invloed op hun ongeloofwaardige getuigenis. Klachten worden dan ook vaak geseponeerd.
In Vlaanderen is Trefpunt Zelfhulp in Leuven in 2006 gestart met een zelfhulpgroep voor slachtoffers
van seksueel misbruik door professionals.
De kans dat hulpverleners seksueel contact hebben met
hun clienten is het grootst bij degenen die voordien al
seksueel contact hebben gehad in de professionele
relatie. Ook op andere vertonen deze hulpverleners een
gebrek aan zelfbeheersing, bijvoorbeeld
alcoholmisbruik. Ze geloven dat ze onorthodoxe
methoden kunnen hanteren waarvoor andere collegas
niet competent zijn, dat ze patienten helpen die
niemand anders kan helpen en dat ze de unieke
eigenschap bezitten om aan de noden van de patienten
tegemoet te komen. Hun clienten omschrijven hen vaak
als charismatische persoonlijkheden.Onderzoekers zijn het erover eens dat intiem seksueel
contact altijd schadelijk is voor de client, zowel op korte
als op lange termijn, ook al gebeurde het met de
instemming van de client.
Seksuele grensoverschrijdingen zijn ernstige
beroepsfouten maar er zitten ook gevaren aan het
creeren van een achtervolgingssfeer. Seksuele
gevoelens van de hulpverleners tegenover de
clienten kunnen in de taboezone belanden,
waardoor de hulpverlener zijn eigen gevoelens niet
meer durft te onderkennen of er nog met collegas
durft over te spreken. Het is volgens onderzoek
nochtans normaal dat ook hulpverleners seksuele
gevoelens voor hun clienten kunnen hebben.
Seksuele grensoverschrijdingen zijn meestal pas de
laatste in de rij van eerdere grensvervagingen
waaraan dan te weinig aandacht is besteed.
6. Houding van officiele instanties ten aanzien van seksueel misbruik en geweld
Wanneer een cliente het punt bereikt heeft waarop ze klacht wil indienen is het van uitermate groot
belang de doelstelling van client te bevragen en dient zij er op voorbereid te zijn dat, hoewel het
misbruik reeel is, dit zeker niet altijd als dusdanig zal beoordeeld worden en dit om meerdere
redenen.
Vooreerst is er de bewijslast, maar bovendien speelt ook de houding van officiele instanties ten
aanzien van seksueel misbruik en geweld een niet te onderschatten rol.
Bij Aghassi en Noot(Aghassy G & Noot (1990) Seksuele kontakten binnen psychotherapeutische hulpverleningsrelaties.
Uitgave van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Den Haag: Vuga pg 34)
vinden we: "Ook wanneer een vrouwelijke client tot het indienen van een klacht
kwam (hetgeen zeer sporadisch gebeurt, omdat vrouwelijke clienten gelijk slachtoffers van
verkrachting en incest last hebben van gevoelens van schaamte, schuld en/of hun loyaliteit ten
aanzien van de dader) werd er door tuchtcolleges vaak meer geloof gehecht aan de ontkenning van
de therapeut dan aan de klacht van de client. De gevallen van klachten tegen psychiaters in
Nederland die Hubben (1984) gepubliceerd heeft, suggereren dat maatregelen, genomen door
medische tuchtcolleges ontoereikend zijn. Ook in gevallen waarbij het gaat om herhaald misbruik
vinden de medische tuchtcolleges geen aanleiding om te spreken van nalatigheid van de "kant van de
therapeut", of om zijn vermogen verder te gaan met het uitoefenen van psychotherapie in twijfel te
trekken. Verder nemen de colleges in geen van de gevallen in overweging dat de patient schade is
berokkend. Kennelijk worden psychisch lijden en vernedering niet gezien als vormen van schade.
Davidson (1977) vraagt zich af in hoeverre deze toegevendheid van de kant van collega]artsen
gerelateerd is aan seksisme binnen de professie, en neerkomt op bedekte goedkeuring door
mannelijke beoefenaren van denigrerend gedrag ten opzichte van vrouwelijke pati?nten. Davidson
suggereert verder dat vrouwelijke pati?nten vrouwelijke pleitbezorgers binnen de professie zouden
nodig hebben, met name in de ethische en klachtencommissies om zich ervan te verzekeren dat hun
klachten niet zonder meer van de hand worden gewezen. (21)
Binnen deze context is het belangrijk de client die haar therapeut]misbruiker aanklaagt altijd inzicht te geven in de essentie van deze keuze met name voeling te krijgen met haar eigen macht t.a.v. de therapeut.
Volgend citaat uit het boek Trauma en Herstel van J.L. Herman houdt een boodschap in dewelke elk
slachtoffer van seksueel geweld die het waagt een aanklacht in te dienen, zich dient te realiseren:
"De overlevende die in het openbaar de strijd aangaat, mag zichzelf niet wijsmaken dat een
overwinning onvermijdelijk is. Ze moet overtuigd zijn van het feit dat ze alleen al door haar
bereidheid om een confrontatie met de dader te zoeken een van de ergste gevolgen van het trauma
heeft overwonnen. Ze heeft hem kenbaar gemaakt dat hij haar niet door angst onder de duim kan
houden, en ze heeft anderen van zijn misdaad op de hoogte gesteld. Haar herstel is niet gebaseerd
op de illusie dat het kwaad overwonnen is, maar op de wetenschap dat het niet volledig heeft
gezegevierd en op de hoop dat er in de wereld nog liefde bestaat die genezing brengt. (22)
Belgie
Slachtoffers kunnen zich ook wenden tot het Fonds voor Slachtofferhulp. En we weten natuurlijk ook
wel dat de uitgekeerde bedragen altijd te weinig zullen zijn in verhouding tot wat er gebeurd is.
Zie: http://www.belgium.be/nl/justitie/slachtoffer/financiele_hulp/
Tijdschrift voor Psychiatrie 29 (1987) 3
Sociale klasse en psychische stoornissen: een Hollands drama?
R. Giel, D. Wiersma, A. de Jong
Het verband tussen sociale klasse en psychische stoornissen, vooral schizofrenie, wordt telkens opnieuw als een voldongen feit aanvaard. Daarbij wordt meestal verondersteld dat er een causale relatie bestaat tussen een ondergeschikte positie en het vaker voorkomen van psychische problemen. Over het begrip sociale klasse als zodanig bestaat geen duidelijke overeenstemming. Daarnaast blijken op een enkele uitzondering na goede theoretische modellen nagenoeg te ontbreken.
Prof. Hodiamont, psychiater en medisch tuchtrechter deed onderzoek naar het verband tussen sociale klasse en geestesziekte in 1986.
Zijn conclusie is dat vrouwen, laaggeschoolden, stadsmensen, mensen die een partner verloren hebben, werklozen en arbeiders een hogere kans hadden op een geestesziekte, een psychiatrische prevalentie.
Altijd aangifte van seksuele relatie tussen medewerker en patiënt
Als een medewerker van een tbs-kliniek of een ggz-instelling een seksuele relatie onderhoudt met een patiënt moet zijn werkgever hiervan altijd aangifte doen bij het Openbaar Ministerie. Dat besloot een meerderheid van de Tweede Kamer tijdens een kamerdebat op dinsdag 6 november 2007.
De motie die hieraan vooraf ging, werd ingediend door de SP en de VVD. De enige partijen die tegen de motie stemden, waren het CDA en de Christenunie. Rikus Jager, Tweede Kamerlid voor het CDA, laat telefonisch weten: Het CDA heeft per abuis tegen gestemd, achteraf bezien zijn we voor de motie. Het betreft een interne communicatiefout waar ik verder niet op in wens te gaan.
Seksueel misbruik van patiënten, mannen, vrouwen en kinderen, is een groeiend probleem onder psychiaters en psychologen, dat lange tijd niet in de openbaarheid kwam door de ongeëvenaarde en machtige invloed die specialisten in de geestelijke gezondheidszorg op hun patiënten hebben. Minder dan vijf procent van de patiënten die seksueel misbruikt zijn door hun therapeut heeft ooit actie tegen hen ondernomen.
GGZ-medewerker gebruikt cliënte als seksslavin
Een 61-jarige ex-medewerker van de GGZ Friesland heeft voor de rechter bekend dat hij met twee van zijn cliëntes jarenlang een seksuele relatie heeft gehad. Eén gebruikte hij als seksslavin. (Bron: Detelegraaf, 28 juni 2009)
Cassatieberoep tegen opsluiting door psychiater
Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2008-532
Instantie: HR 19 december 2008, BG5860, 08/04607
Onderwerp: Bopz; machtiging tot voortgezet verblijf, geneeskundige verklaring, vereisten onafhankelijk psychiatrisch onderzoek
Artikelen: Art. 5 Wet Bopz
Casus: Betrokkene verblijft op grond van een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis.
Op 31 juli 2008 verzoekt de Officier van Justitie de Rechtbank om verlening van een machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Bij dit verzoekschrift was gevoegd een door de waarnemend geneesheer-directeur van het psychiatrisch ziekenhuis ondertekende geneeskundige verklaring d.d. 25 juli 2008, die betrokkene heeft laten onderzoeken door een niet bij de behandeling betrokken psychiater die deze verklaring heeft mede ondertekend.
Bij beschikking van 22 augustus 2008 houdt de Rechtbank de behandeling van de zaak aan tot 29 augustus 2008, zodat de Officier van Justitie de gelegenheid kan worden geboden om alsnog aan de wettelijke eisen te voldoen door het dossier aan te vullen met de ontbrekende aantekeningen over de behandeling en het ziektebeloop als bedoeld in art. 37a Wet Bopz. Bij beschikking van 29 augustus 2008 verleent de Rechtbank de verzochte machtiging voor de duur van een jaar.
Betrokkene stelt cassatieberoep in. Betrokkene klaagt dat niet blijkt dat de Rechtbank onder ogen heeft gezien of de psychiater datgene heeft gedaan wat redelijkerwijs verwacht mocht worden om tot een persoonlijk onderzoek van betrokkene te (kunnen) komen en evenmin dat, en op welke grond, de Rechtbank van oordeel is dat de overgelegde geneeskundige verklaring, in weerwil van het ontbreken van een uit direct contact bestaand psychiatrisch onderzoek, een voldoende basis vormt voor de verlening van de machtiging.
Rechtsvraag: Heeft de psychiater die de geneeskundige verklaring heeft opgesteld, onvoldoende gedaan om betrokkene persoonlijk te onderzoeken?
Beslissing: De klacht slaagt. In cassatie moet ervan worden uitgegaan dat de psychiater die was belast met het onafhankelijk medisch onderzoek als bedoeld in art. 16 lid 4 en lid 2 in verbinding met art. 5 lid 1 Wet Bopz, betrokkene niet persoonlijk heeft gesproken en niet in een rechtstreeks contact heeft onderzocht. Uit de bestreden beschikking blijkt niet dat de Rechtbank, zoals zij had behoren te doen, heeft onderzocht of de onafhankelijke psychiater aan deze vereisten heeft voldaan, zodat de beschikking ontoereikend is gemotiveerd. (rov. 3.5)
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Rechtbank.
Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2008-529
Instantie: HR 19 december 2008, BG1817, 08/04174
Onderwerp: Bopz; voorlopige machtiging, verlening, geen psychiatrisch ziekenhuis
Artikelen: Art. 1 lid 1 Wet Bopz
Casus: Op 8 juli 2008 verzoekt de Officier van Justitie, onder overlegging van de vereiste stukken, de Rechtbank om verlening van een voorlopige machtiging om het verblijf van betrokkene in BAVO Europoort te Rotterdam te doen voortduren. Bij beschikking van 25 juli 2008 verleent de Rechtbank de verzochte machtiging tot uiterlijk 25 januari 2009.
De betrokkene stelt cassatieberoep in. De betrokkene klaagt dat de Rechtbank het verzoek niet had mogen toewijzen omdat de locatie waar betrokkene ten tijde van de beslissing verbleef, niet is aangemerkt als een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van art. 1 lid 1 sub h Wet Bopz.
Rechtsvraag: Is sprake van een psychiatrisch ziekenhuis in de zin van art. 1 lid 1 sub h Wet Bopz?
Beslissing: De klacht slaagt. Betrokkene verbleef op de open afdeling Verslavingzorg van BAVO Europoort en dit wordt niet aangemerkt als een psychiatrisch ziekenhuis.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de Rechtbank
Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2008-471
Instantie: HR 28 november 2008, BF8921, 08/02901
Onderwerp: Bopz; voortzetting van inbewaringstelling, onderzoek door niet-behandelend psychiater, niet-ontvankelijkheid
Artikelen: Art. 20 lid 1 en art. 27 Wet Bopz, art. 5 lid 1 sub e EVRM
Casus: Op 1 april 2008 is door een wethouder namens de burgemeester van Leiden ten aanzien van betrokkene een last tot inbewaringstelling afgegeven als bedoeld in art. 20 lid 1 Wet Bopz. Betrokkene is dezelfde dag in een psychiatrisch ziekenhuis opgenomen.
Onder overlegging van een ondertekende geneeskundige verklaring dient de Officier van Justitie op 2 april 2008 een verzoek in bij de Rechtbank tot het verlenen van een machtiging tot voorzetting van de inbewaringstelling van betrokkene.
Nadat de Rechtbank betrokkene en haar behandelend arts op 7 april 2008 heeft gehoord, verleent zij bij beschikking van diezelfde datum de verzochte machtiging.
Betrokkene stelt beroep in cassatie in. Zij klaagt onder andere dat zij in strijd met art. 5 lid 1 onder e EVRM van haar vrijheid is beroofd en dat de Rechtbank het namens haar dienaangaande gevoerde verweer ten onrechte heeft verworpen.
Rechtsvraag: Is betrokkene in strijd met art. 5 lid 1 sub e EVRM van haar vrijheid beroofd omdat de last tot inbewaringstelling is verstrekt op basis van een geneeskundige verklaring welke is afgegeven door een arts die niet psychiater is?
Beslissing: De geldigheidsduur van de door de Rechtbank op 7 april 2008 verleende machtiging is ingevolge art. 30 Wet Bopz op 28 april 2008 verstreken, zodat betrokkene geen belang meer heeft bij haar beroep en om deze reden daarin niet kan worden ontvangen.(rov. 3)
De Hoge Raad verklaart betrokkene niet-ontvankelijk in haar beroep.
Archiefnummer:
Jurisprudentie @ctueel 2008-431
Instantie: HR 31 oktober 2008, BF3918, 08/03723
Onderwerp: Bopz; voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf, verlening
Artikelen: Art. 81 RO
Casus: Betrokkene verbleef op basis van een voorlopige machtiging in een psychiatrisch ziekenhuis. Nadat de geldigheidsduur van deze machtiging was verstreken, verbleef zij vrijwillig in dat ziekenhuis.
Op 19 mei 2008 verzoekt de Officier van Justitie, onder overlegging van de vereiste stukken, de Rechtbank om een voorlopige machtiging tot voortgezet verblijf van betrokkene. Bij beschikking van 29 mei 2008 verleent de Rechtbank een machtiging tot voortgezet verblijf tot uiterlijk 29 november 2008.
De betrokkene stelt cassatieberoep in. Haar klacht heeft betrekking op de bereidheid tot verblijf, het gevaarscriterium en de vraag of sprake is van een stoornis.
Rechtsvraag: Is de voorlopige machtiging tot voorgezet verblijf van betrokkene op juiste gronden verleend?
Beslissing: De Hoge Raad oordeelt dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (ro. 3.).
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
De conclusie van de A-G strekt tot verwerping van het beroep.
Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2008-403
Instantie: HR 10 oktober 2008, BF0471, R08/03218
Onderwerp: Bopz; voorlopige machtiging tot het doen voortduren van verblijf, gevaar
Artikelen: Art. 81 RO
Casus: De Officier van Justitie verzoekt op 22 april 2008 de Rechtbank, onder overlegging van de vereiste stukken, om verlening van een voorlopige machtiging tot voortduring van het verblijf van betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis. Nadat de Rechtbank de betrokkene, zijn echtgenote, zijn zoon, de verpleeghuisarts en de verantwoordelijk verpleegkundige op 24 april 2008 heeft gehoord, verleent zij bij beschikking van diezelfde datum de verzochte machtiging verleend tot en met 23 oktober 2008.
De betrokkene stelt beroep in cassatie in. Hij klaagt dat het onbegrijpelijk is dat de Rechtbank heeft vastgesteld dat aan het gevaarcriterium is voldaan.
Rechtsvraag: Is aan het gevaarcriterium voldaan?
Beslissing: De Hoge Raad oordeelt dat de in het middel aangevoerde klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (ro. 3.).
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
De conclusie van de A-G strekt tot verwerping van het beroep.
Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2008-402
Instantie: HR 10 oktober 2008, BD7583, R08/02554
Onderwerp: Bopz; voorwaardelijke machtiging, verlening
Artikelen: Art. 14 Wet Bopz
Casus: De Officier van Justitie verzoekt op 15 februari 2008, onder overlegging van een op 8 februari 2008 ondertekende geneeskundige verklaring, een behandelingsplan en een beschrijving als bedoeld in art. 14 lid 5 Wet Bopz, de Rechtbank om verlening van een nieuwe voorwaardelijke machtiging. Nadat de Rechtbank betrokkene en de behandelend psychiater op 13 maart 2008 heeft gehoord, verleent zij bij beschikking van diezelfde datum de verzochte machtiging voor de duur van zes maanden onder voorwaarde dat betrokkene zich onder behandeling stelt van de behandelaar overeenkomstig het overgelegde behandelingsplan.
De Officier van Justitie stelt beroep in cassatie in. De Officier van Justitie klaagt dat er in het geheel geen nieuwe voorwaardelijke machtiging had mogen worden verleend
Rechtsvraag: Kan een nieuwe voorwaardelijke machtiging worden verleend nadat betrokkene in een psychiatrisch ziekenhuis wordt opgenomen en zo ja, is daarbij de juiste geneeskundige verklaring gebruikt?
Beslissing: De bestreden beschikking is op 13 maart 2008 gegeven. De geldigheidsduur van de bij deze beschikking verleende nieuwe voorwaardelijke machtiging, welke duur door de Rechtbank is beperkt tot zes maanden, is derhalve inmiddels verstreken. Om deze reden heeft de Officier van Justitie geen belang bij het beroep, zodat deze daarin niet kan worden ontvangen, aldus de Hoge Raad (rov. 3).
De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie niet-ontvankelijk in het beroep.
Medische Fout
Archiefnummer: Jurisprudentie @ctueel 2008-480
Instantie: HR 5 december 2008, BE9998, C07/127HR
Onderwerp: Medische fout, onrechtmatige daad, aansprakelijkheid, schadevergoeding, kosten huishoudelijke hulp
Artikelen: Art. 6:107 BW
Casus: Tijdens een onderzoek is een knobbel in de linkerborst van de verweerster in cassatie ontdekt. Nadat is gebleken dat sprake zou kunnen zijn van een kwaadaardig gezwel, is de verweerster in cassatie door een arts in een ziekenhuis, de eiseres tot cassatie, geopereerd. Tijdens de operatie is niet alleen het gezwel verwijderd maar ook enkele lymfklieren. Uit een nader onderzoek is gebleken dat het gezwel goedaardig is geweest, zodat de lymfklieren onnodig zijn verwijderd. Sinds de operatie ondervindt de verweerster in cassatie pijnklachten. Zij heeft hiervoor de eiseres tot cassatie aansprakelijk gesteld. De verzekeraar van de eiseres tot cassatie heeft de aansprakelijkheid erkend. Partijen zijn het echter niet eens geworden over de te vergoeden schade.
De verweerster in cassatie heeft de eiseres tot cassatie en de arts voor de rechter gedagvaard en gevorderd de eiseres tot cassatie en de arts te veroordelen tot betaling van een materiële en immateriële schadevergoeding alsmede tot betaling van een vergoeding in verband met het verlies aan verdienvermogen. De eiseres tot cassatie en de erven van de arts hebben de vordering bestreden.
Rechtsvraag: In cassatie staat de vraag de schadepost huishoudelijke hulp na letsel centraal.
Beslissing: De rechtbank heeft de verweerster in cassatie niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen tegen de erven van de arts en de eiseres tot cassatie veroordeeld tot betaling van een bedrag aan schadevergoeding en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het hof heeft na een tussenarrest bij het eindarrest het eindvonnis van de rechtbank vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de eiseres tot cassatie veroordeeld tot betaling van een ander bedrag aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente, aan de verweerster in cassatie.
De Hoge Raad wijst erop dat bij de berekening van de omvang van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding als uitgangspunt moet worden genomen dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand wordt gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. Dit geldt ook wanneer sprake is van letselschade. (r.o. 3.3) Indien sprake is van letselschade, worden de kosten van huishoudelijke hulp vergoed wanneer de benadeelde niet langer in staat is deze werkzaamheden zelf te verrichten, voor zover het bij de benadeelde gaat om werkzaamheden waarvan normaal en gebruikelijk is dat zij worden verricht door professionele hulpverleners. (r.o. 3.5.1)
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep
|