Kabinetsstandpunten

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA 'S-GRAVENHAGE
Ons kenmerk
MEVA/BO-2821906
17 nov. 08
Onderwerp: Moderniseren Tuchtrecht voor de gezondheidszorg (Wet BIG)
1. Inleiding
In deze brief geef ik mijn voornemens aan hoe ik de modernisering van het wettelijke tuchtrecht in de gezondheidszorg zoals geregeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) vorm wil geven. Ik sluit hierbij aan op de uitgangspunten uit het kabinetsstandpunt over wettelijk geregeld tuchtrecht1. Bij brief van 7 december 2007 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan de Tweede Kamer het kabinetsstandpunt aangeboden bij het rapport “Beleidsuitgangspunten wettelijk geregeld niet hiërarchisch tuchtrecht” (hierna: rapport Huls2). Daarin heeft het kabinet een aantal beleidsuitgangspunten geformuleerd voor het tuchtrecht en aangekondigd te willen komen tot meer uniformiteit in het tucht(proces)recht voor de wettelijk gereglementeerde beroepen. Ter uitvoering van het kabinetsstandpunt bij het rapport Huls werkt de Staatssecretaris van Justitie, samen met de andere betrokken bewindspersonen, op dit moment aan een Kaderwet tuchtrecht. Deze Kaderwet heeft ook gevolgen voor het tuchtrecht geregeld in de Wet BIG. Als hoofdregel zal het tuchtprocesrecht voor de wettelijk gereglementeerde beroepen worden geregeld in deze Kaderwet. Verschillende van de hierna te bespreken onderwerpen zullen dan ook worden betrokken in dat wetgevingsproject. Op de afstemming van onderwerpen op het terrein van het tuchtprocesrecht van de Wet BIG met deze Kaderwet kom ik, waar van toepassing, in het onderstaande terug.
Hiernaast betrek ik bij mijn voorstellen ook de aanbevelingen uit de evaluatie van de Wet BIG over het tuchtrecht3 (hierna: het evaluatierapport) en de verschillende reacties van de geconsulteerde veldpartijen.
1 Kabinetsstandpunt over wettelijk geregeld tuchtrecht, brief van de Staatssecretaris van Justitie van 7 december 2007, kenmerk 5519448/07, Kamerstukken II 2007/08, 29 279, nr. 61.
2 “Beleidsuitgangspunten wettelijk geregeld tuchtrecht”, prof. mr. N.J.H. Huls, Den Haag, 7 december 2006. Het rapport bevat aanbevelingen ter versterking van de kwaliteit van de uitvoering en de efficiency van het tuchtrecht.
3 Cuperus-Bosma e.a, Evaluatie Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, ZonMw, oktober 2002.
Postbus 20350
2500 EJ DEN HAAG
Telefoon (070) 340 79 11
Bezoekadres:
Parnassusplein 5
2511 VX DEN HAAG
Correspondentie uitsluitend
richten aan het postadres
met vermelding van de
Internetadres:
www.minvws.nl
Fax (070) 340 78 34 datum en het kenmerk van
deze brief.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
2
Kenmerk
MEVA/BO-
Ik volg in grote lijnen de structuur van mijn brief van 10 juli 20074, waarmee de bij het tuchtrecht betrokken organisaties zijn geraadpleegd over hoe ik voornemens ben om te gaan met het wettelijke tuchtrecht (zowel materieel als procedureel) voor gezondheidszorgberoepen5.
Geconstateerde knelpunten
In de brief van 10 juli 2007 schetste ik (kort samengevat) een aantal knelpunten voor het tuchtrecht voor de gezondheidszorg.
Voor veel klagers is niet duidelijk waar ze het beste met hun klacht over de zorgverlening terecht kunnen. Veel klagers voelen zich bij de behandeling van een klacht onvoldoende gehoord. Zij komen dan vaak bij de tuchtrechter met een klacht waarvoor het tuchtrecht niet bedoeld is. Daarmee ontstaat een te groot verschil tussen wat men wil bereiken met het aanspannen van een zaak versus wat eruit komt. Dat frustreert de klager. Er is sprake van negatieve beeldvorming: “beroepsbeoefenaren houden elkaar toch wel de hand boven het hoofd”. Als er dan een uitspraak volgt waarbij de maatregel “waarschuwing” aan een beroepsbeoefenaar wordt opgelegd, ervaren veel mensen dit niet als een stevige straf. Zij verwachten dat stevige maatregelen worden genomen waar fouten zijn gemaakt. Wanneer tevergeefs de gang naar het tuchtrecht wordt gemaakt heeft dat als grootste gebrek dat het probleem achter de klacht niet wordt opgelost. Bovendien draagt het beeld dat ontstaat niet bij aan het vertrouwen van de burger in het tuchtrecht. Daarnaast komt de lerende werking van het tuchtrecht voor de beroepsgroep te weinig uit de verf. Deels heeft dat te maken met onvoldoende aansluiting van de geldende tuchtnormen op ontwikkelingen in de organisatie en praktijkvoering van de zorg (denk aan ketenzorg), deels ook met de onvoldoende openbaarheid die aan uitspraken wordt gegeven. Slechte toegankelijkheid van de uitspraken beperkt de transparantie van die uitspraken voor de burger.
In mijn brief van 10 juli 2007 schetste ik een aanpak die aansluit op deze knelpunten, waardoor een beter werkend wettelijk tuchtrecht in de gezondheidszorg kan worden gerealiseerd. Die aanpak bestaat uit:
goede voorlichting c.q. bewegwijzering, zodat een klacht op de juiste plek terecht komt gelet op wat men met de klacht wil bereiken;
een betere aansluiting van de tuchtnormen op ontwikkelingen in de organisatie van de zorg en in de praktijk;
het verbeteren van de procedure van de tuchtrechtspraak;
betere openbaarheid en toegankelijkheid van de uitspraken;
Daarnaast zal ook het verbeteren van de mogelijkheden tot handhaving door de Inspectie voor de Gezondheidszorg bijdragen aan een beter werkend tuchtrecht.
2. Reacties op mijn voorstellen
Op de brief zijn veel reacties gekomen. De toon en inhoud van de reacties op de voornemens zijn positief. Er bestaat een zeer brede maatschappelijke behoefte aan wettelijk geregeld tuchtrecht in de gezondheidszorg ter bewaking en bevordering van de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Er is echter ook aangegeven dat in dit wettelijk geregeld tuchtrecht duidelijk verbetering is aan te brengen.
4 Brief van 10 juli 2007, kenmerk MEVA/BO-2778505, Kamerstukken II 2006/07, 30 800 XVI, nr 167.
5 Zie de bijlage bij deze brief voor een overzicht van de geconsulteerde organisaties.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
3
Kenmerk
MEVA/BO-
Het moderniseren van het tuchtrecht moet samengaan met andere acties voor het effectiever omgaan met klachten en acties ter verbetering van de kwaliteit van de zorg.
De Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF) bepleit bijvoorbeeld een heldere opdeling in enerzijds een transparant tuchtrecht dat slechts gericht is op (de kwaliteitsbewaking van) de desbetreffende beroepsgroep en anderzijds een daarvan los staand en vereenvoudigd klachtrecht voor patiënten.
De gesignaleerde knelpunten in de brief worden door de geconsulteerde organisaties onderschreven, net als de geschetste aanpak tot modernisering van het tuchtrecht. Dat neemt niet weg dat op onderdelen door betrokken partijen soms wel andere accenten worden gelegd.
De reacties hebben een rol gespeeld bij de totstandkoming van het kabinetsstandpunt over het wettelijke tuchtrecht. Daarnaast zijn zij belangrijk geweest voor de beleidsvorming rond het wettelijke tuchtrecht in de gezondheidszorg. Ik ben de betrokken organisaties dan ook erkentelijk voor hun waardevolle inbreng.
3. Tuchtrecht versus klachtrecht
Tuchtrecht heeft als doel het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening door de beroepsbeoefenaren als bedoeld in artikel 3 van de Wet BIG. De tuchtrechter doet dit door te bewaken dat de beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg zich houden aan de regels en normen die gelden op hun gebied van de beroepsuitoefening. Hiertoe gebruikt de tuchtrechter de norm van verantwoorde zorg, aanbevelingen omtrent gedragsregels, normen die zijn ontleend aan de wetenschap (Gezondheidsraad) en maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen. Rechtstreeks belanghebbenden en hun naaste betrekkingen, maar ook maatschappelijke organisaties zoals beroepsorganisaties of patiëntenorganisaties, alsmede instellingen zoals ziekenhuizen en de IGZ kunnen een zaak bij de tuchtrechter aanhangig maken.
Het bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening is in het bijzonder ook in het belang van de burger. Om te bereiken dat burgers zich met vertrouwen tot de beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wenden, is het noodzakelijk dat gedragingen van beroepsbeoefenaren kunnen worden getoetst en beoordeeld. Omdat behalve juristen ook beroepsgenoten over beroepsgenoten oordelen, draagt het tuchtrecht bij aan normontwikkeling binnen de beroepsgroepen (zelfreinigende, lerende werking). Dit staat uiteraard ten dienste aan het hoofddoel van het tuchtrecht: het bevorderen en bewaken van de kwaliteit van de beroepsuitoefening door de beroepsbeoefenaren. Individuele genoegdoening van de klager is echter niet het doel van het tuchtrecht. Maar wel geldt dat, indien een klacht van een burger leidt tot het aanpassen van de beroepsnormen of protocollen, dit zal leiden tot een belangrijke persoonlijke genoegdoening van de klager.
Het klachtrecht in de zorg heeft als een belangrijk doel de individuele genoegdoening. De onvrede die bij cliënten ontstaat moet zo snel en zo goed als mogelijk is door de zorgaanbieder worden opgelost. Daarbij geldt dat signalen en klachten benut moeten worden om te komen tot een (verdere) verbetering van de zorgverlening. Daar waar het tuchtrecht zich richt op het algemeen belang, is het klachtrecht gericht op het oplossen van de individuele kwestie. Anders dan het tuchtrecht is het klachtrecht niet beperkt tot het handelen van specifiek benoemde personen, maar staan de geleverde prestaties onder verantwoordelijkheid van de zorgaanbieder centraal.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
4
Kenmerk
MEVA/BO-
In het programma “Zeven rechten voor de cliënt in de zorg: Investeren in de zorgrelatie”6 is aangegeven hoe de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik het recht van de cliënt op een effectieve en laagdrempelige klacht- en geschillenbehandeling willen vormgeven.
4. Modernisering van het tuchtrecht
In deze brief geven wij aan op welke punten modernisering van het tuchtrecht in de gezondheidszorg naar onze mening wenselijk is. Achtereenvolgens komen aan de orde: de toegankelijkheid van de tuchtrechter, het tuchtproces, de verheldering van de reikwijdte van de tuchtnormen, de op te leggen tuchtmaatregelen, het verbeteren van de transparantie van de tuchtrechtelijke uitspraken en de organisatie en financiering van de tuchtcolleges. Waar van toepassing, ga ik daarbij tevens in op de afstemming met de Kaderwet tuchtprocesrecht.
a. Toegeleiding naar de tuchtrechter
Goede voorlichting, bewegwijzering en ondersteuning
Voorlichting en bewegwijzering rond klachten over de zorg moeten zodanig worden vormgegeven dat allereerst gewaarborgd wordt dat een klacht op de goede plek komt gelet op wat de klager wil bereiken. Indien dit het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de zorgverlening betreft, moet de burger bij de tuchtrechter zijn. Is dit primair bijvoorbeeld het verkrijgen van genoegdoening of schadevergoeding, dan staan daar voor hem andere en betere wegen open. Daarnaast moet sprake zijn van laagdrempeligheid bij het kunnen indienen van een klacht, moet de klager gehoord worden in zijn klacht en moeten klachten als signaal gezien en benut worden voor verbetering van de zorgverlening.
Welke inzet dat concreet betekent, maakt deel uit van het eerder genoemde programma ‘Investeren in de zorgrelatie: zeven rechten voor de cliënt in de zorg’. Dit programma draagt er aan bij dat ook het doel van het tuchtrecht beter tot zijn recht komt7. Na effectuering van dit programma zullen mensen worden begeleid naar de plaats waar hun klacht het meest effectief geuit kan worden. De klachten die bij de tuchtrechter thuishoren en de daarop volgende uitspraken, zullen dan naar verwachting beter aansluiten bij de verwachtingen van de indiener van de klacht. Dit kan bijdragen aan versterking van het vertrouwen in de werking van het tuchtrecht.
Laagdrempelige klachtenbespreking bevorderen
Een laagdrempelige klachtbespreking, zoals met de betrokken beroepsbeoefenaar, kan voorkomen dat een klacht een geschil wordt. Waar excuses worden gemaakt of erkend wordt dat er zaken verkeerd zijn gegaan – wat deel is van de te betrachten openheid in de zorgrelatie – kan escalatie worden voorkomen. Direct contact tussen de klager en de beroepsbeoefenaar geeft ook de beroepsbeoefenaar gelegenheid op een klacht te reageren en samen met de klager een oplossing te zoeken.
6 brief aan de Tweede Kamer van 23 mei 2008, kenmerk MC-U-2852129, Kamerstukken II 2007/08, 31476, nr. 1.
7 Voorgesteld wordt bijvoorbeeld om één loket in het leven te roepen die mensen daarheen begeleidt waar hun klacht het beste thuishoort.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
5
Kenmerk
MEVA/BO-
Dat doet recht aan beider verantwoordelijkheid en draagt eraan bij dat de klager zich meer gehoord voelt. Hieraan blijkt in de praktijk de meeste behoefte bij klagers te bestaan.
Bespreking van een klacht met de beroepsbeoefenaar voorafgaande aan een tuchtrechtelijke procedure moet worden bevorderd. De staatssecretaris van Justitie zal hiertoe in de Kaderwet een bepaling opnemen die de klager verplicht om, wanneer hij besluit een klacht bij de tuchtrechter in te dienen, in het klaagschrift te vermelden, of en zo ja, welke stappen hij voorafgaande aan de schriftelijke klacht heeft gezet en wat daarvan het resultaat was. Dit helpt om te voorkomen dat procedures te lichtvaardig bij de tuchtrechter worden gestart en om de procedure beter gedocumenteerd te doorlopen. Bovendien stelt dit de tuchtcolleges in staat zo nodig tijdig te verwijzen naar een andere instantie of bemiddelaar. Voorgaande stemt overeen met het kabinetsstandpunt bij het rapport Huls8.
Bespreking van de klacht met de beroepsbeoefenaar zal echter niet als voorwaarde worden gesteld voor ontvankelijkheid bij de tuchtrechter9. Het is niet in alle gevallen zinvol en kan, zoals ook het Landelijk Expertisecentrum Verpleging en Verzorging (LEVV) terecht heeft opgemerkt, in ernstige situaties zelfs niet van een klager verlangd worden.
Wel krijgt de tuchtrechter de bevoegdheid om de klacht door te zenden naar de toepasselijke klachteninstantie, wanneer de klacht daarvoor zijns inziens in aanmerking komt en de klager met zijn klacht niet eerder de toepasselijke klachtenprocedure heeft doorlopen. Wanneer een klager bij de indiening van zijn klacht echter een advies van de toepasselijke klachteninstantie overlegt of anderszins goed weet aan te voeren dat er voor hem redenen zijn om de zaak direct door de tuchtrechter te laten behandelen, zal dat voor de tuchtrechter aanleiding zijn om deze bevoegdheid niet te gebruiken en de zaak direct in behandeling te nemen. Hier zal een duidelijke prikkel vanuit gaan om - voordat een tuchtrechtelijke procedure wordt begonnen -, eerst te onderzoeken welke wijze van geschiloplossing het meest aangewezen is. Dat past bij het beleid om de cliënt te ondersteunen in het snel en eenvoudig behandeld krijgen van zijn of haar klacht. De invulling van één en ander zal worden betrokken bij de werkzaamheden aan de Kaderwet.
Griffierecht
Het vragen van griffierecht, zoals in het rapport Huls bepleit, past volgens het kabinetsstandpunt niet bij het tuchtrecht. Het tuchtrecht is er primair voor om de beroepsstandaard, zoals vastgelegd in de binnen de beroepsgroep levende gedragsregels, te handhaven. Het past hierbij niet om klagers hiervoor te laten betalen. Dit standpunt is in lijn met de reacties van de door mij geraadpleegde partijen in de gezondheidszorg.
Geen kostenveroordeling
Een veroordeling van de in het ongelijk gestelde partij om de kosten te vergoeden van de in het gelijk gestelde partij wordt ook wel geopperd als manier om het percentage ongegronde klachten terug te dringen. Andere wegen, zoals goede bewegwijzering en betere voorlichting, zijn echter meer geschikt om het aantal ongegronde klachten terug te dringen. Ik ben er geen voorstander van de mogelijkheid tot kostenveroordeling van de in het ongelijk gestelde partij opnieuw10 te introduceren.
8 Een klager dient in zijn beroepschrift te vermelden of een klachtenprocedure is doorlopen en zo nee, waarom niet en zo ja, wat daarvan de uitkomst was (zie p. 5 kabinetsstandpunt).
9 De reacties van de meeste geconsulteerde beroepsorganisaties, de Centrale Samenwerkende Ouderenorganisatie (CSO) en de Landelijke Organisatie Cliëntenraden (LOC) ondersteunen dit standpunt.
10 Dit was oorspronkelijk geregeld in de Medische Tuchtwet van 1928, maar is in de Wet BIG geschrapt.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
6
Kenmerk
MEVA/BO-
Ik sluit me hiervoor aan bij onder andere de Landelijke Organisatie Cliëntenraden (LOC), die dit niet wenselijk vindt; klagers die gebruik maken van het tuchtrecht moeten hierbij geen financiële belemmeringen ondervinden.
b. Tuchtproces
Harmonisatie
In het kabinetsstandpunt bij het rapport Huls is aangekondigd dat er een uniforme, moderne regeling voor het tuchtprocesrecht komt, waarbij -waar nodig- rekening wordt gehouden met de eigenheid van de specifieke beroepen. Het credo is dus: harmonisatie waar mogelijk, differentiatie waar wenselijk. Voorbeelden van meer gewenste uniformiteit in het tuchtprocesrecht zijn regelingen van termijnen, het horen van getuigen en deskundigen, mogelijkheden voor vereenvoudigde afdoening door de voorzitter van het college en dergelijke. Waar nodig in verband met de eigenheid van de specifieke beroepsgroep, biedt het kabinetsstandpunt ruimte voor afwijking van het geharmoniseerde tuchtprocesrecht. Hieronder ga ik in op enkele specifieke onderdelen van het tuchtprocesrecht die voor de gezondheidszorg met name van belang zijn, mede gelet op de aanbevelingen in het kader van de evaluatie van de Wet BIG. Ik besteed daarbij waar nodig ook aandacht aan de afstemming met de harmonisatie van het tuchtrecht voor wettelijk geregelde beroepen.
Vooronderzoek
De Wet BIG verplicht het tuchtcollege in eerste aanleg tot een vooronderzoek11. Dit moet er aan bijdragen dat nodeloze formalisering wordt voorkomen. Het biedt ruimte om te bezien of de klacht op een eenvoudige manier kan worden afgedaan, bijvoorbeeld bij kennelijk ongegronde klachten, zodat niet onnodig de belastende weg naar de terechtzitting wordt bewandeld. Ook kan een minnelijke schikking beproefd worden of kan de patiënt geadviseerd worden een andere, meer geschikte procedure te volgen.
Ik ben er voorstander van om de regeling van het vooronderzoek voor het tuchtrecht, zoals deze nu voor de gezondheidszorg geldt, te handhaven. Het onderwerp vooronderzoek zal uitgewerkt worden bij de werkzaamheden aan de Kaderwet tuchtprocesrecht. In het kader van transparante en eenduidige werkwijzen wil ik de tuchtcolleges verzoeken om een eenduidig protocol vooronderzoek op te stellen. Hierin kan onder andere aan de orde komen hoe het vooronderzoek wordt uitgevoerd, hoe te komen tot verheldering van de klacht of hoe wordt omgegaan met advisering over andere klachtwegen.
Ik merk op dat het verplichte karakter van het vooronderzoek tot gevolg heeft dat, ook als al vaststaat dat er een mondelinge behandeling ter zitting komt, partijen toch nog in de gelegenheid moeten worden gesteld om in het vooronderzoek te worden gehoord. Dit wordt in brede kring ervaren als een zinloze doublure. Ik ben daarom voorstander van een zodanig aanpassing van de regelgeving dat12, als vaststaat dat de zaak op een zitting zal worden behandeld (waarbij partijen altijd worden gehoord), het voldoende is dat de vooronderzoeker de mogelijkheid heeft de klager en degene over wie is geklaagd in de gelegenheid te stellen om te worden gehoord.
11 Voor het Centraal Tuchtcollege is de regeling van het vooronderzoek facultatief van aard (art 74, lid 1 Wet BIG).
12 Thans nog geregeld in artikel 66 van de Wet BIG.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
7
Kenmerk
MEVA/BO-
Procedure in hoger beroep
In het kabinetsstandpunt wordt uitgegaan van de concentratie van het hoger beroep bij één college. Het kabinet heeft echter besloten het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg niet in deze operatie te betrekken. Het tuchtrecht voor de gezondheidszorg heeft pas relatief kort geleden zijn huidige structuur gekregen. Het is onwenselijk om wederom een organisatieverandering teweeg te brengen.
Ook zijn de zaaksaantallen waarover dit college jaarlijks in hoger beroep een uitspraak doet, dusdanig dat een aparte organisatie te rechtvaardigen is13.
Ik ben er voorstander van om in de procedure in hoger beroep het Centraal Tuchtcollege de mogelijkheid te geven om, op voorstel van de voorzitter, kennelijk ongegronde zaken buiten zitting af te doen14. Hiermee wordt alle betrokkenen een bij voorbaat heilloos en niet zelden inhoudloos debat ter openbare terechtzitting bespaard15. Het is aan de prudentie van de voorzitter om van deze bevoegdheid alleen gebruik te maken wanneer de klacht duidelijk geen inhoudelijke betekenis heeft16.
Verder is het thans zo dat de klager niet in beroep kan gaan als het college in eerste aanleg een klacht gegrond heeft verklaard, maar een maatregel heeft opgelegd die in de ogen van de klager te licht is17. Vanuit het perspectief van de patiënt bezien is dit onbevredigend. Ik wil daarom een vol beroepsrecht regelen voor beide partijen. Deze onderwerpen betreffen het tuchtprocesrecht en zullen daarom ook worden betrokken in de harmoniseringsoperatie.
Samenstelling tuchtcolleges
Voor het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening in de gezondheidszorg via het tuchtrecht is van belang dat de colleges adequaat zijn samengesteld en met voldoende deskundigheid kunnen oordelen. In artikel 55 van de Wet BIG is geregeld dat een regionaal tuchtcollege bestaat uit twee rechtsgeleerde leden en drie leden beroepsgenoten18. Het evaluatierapport Wet BIG beveelt aan om, teneinde het inhoudelijk-professioneel draagvlak van de tuchtrechtelijke beslissingen te vergroten, het aantal beroepsgenoten in het regionaal tuchtcollege uit te breiden door de met de Wet BIG geïntroduceerde extra jurist te laten vervallen en te vervangen door een lid-beroepsgenoot (dit betekent dat er dan in totaal vier leden-beroepsgenoten en een voorzitter-jurist deel uitmaken van het regionaal tuchtcollege)19. Ik wil de aanbeveling uit het evaluatierapport niet opvolgen. Ter bewaking van het juridisch oordeel is het naar mijn mening beter een tweede jurist in het college zitting te laten hebben.
In het kabinetsstandpunt bij het rapport Huls is aangegeven dat in eerste aanleg recht wordt gesproken door een jurist als voorzitter en twee beroepsgenoten20. Voor ingewikkelde zaken zal het mogelijk worden om met vijf leden zitting te houden, zulks ter beoordeling van het betreffende college. Dit zal worden betrokken in de harmoniseringsoperatie.
13 Zie p. 6 Kabinetsstandpunt.
14 Hiertoe dient artikel 74, eerste lid, van de Wet BIG gewijzigd te worden.
15 Thans geldt dat, ook als bij eerste kennisneming van het dossier volstrekt helder is dat er sprake is van een zinloos beroep, het centraal college de klacht toch ter zitting moet behandelen. Het gaat om zo’n 150 beroepszaken per jaar. Zie het Evaluatierapport p. 160.
16 Dit kan het geval zijn in zaken waarin het regionale tuchtcollege van oordeel is dat de klacht kennelijk ongegrond is en het beroepschrift geen enkel aanknopingspunt bevat voor een andersluidend oordeel.
17. De klager kan alleen beroep instellen voor zover zijn klacht is afgewezen of voor zover hij niet ontvankelijk is verklaard (artikel 73, eerste lid, onderdeel a, van de Wet BIG).
18 Indien de zaak daartoe geschikt is kan de zaak ook worden behandeld door alleen de voorzitter en twee leden beroepsgenoten.
19 Vgl. evaluatierapport, aanbeveling 57, p. 212.
20 Zie p. 7 Kabinetsstandpunt.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
8
Kenmerk
MEVA/BO-
Gelet op de aard van de tuchtrechtspraak voor de gezondheidszorg en het belang van vertrouwen in de onafhankelijkheid daarvan, ben ik er voorstander van om voor de gezondheidszorg vast te houden aan de samenstelling van twee juristen (waaronder de voorzitter) en drie leden-beroepsgenoten in een grote kamer. De samenstelling van het centraal tuchtcollege kan ongewijzigd blijven21.
Bevorderen deskundigheid
Ik acht het noodzakelijk een aantal maatregelen te nemen teneinde te bevorderen dat de uitspraken van de colleges van voldoende kwaliteit zijn. Het gaat dan om de volgende maatregelen:
Ik zal bezien hoe de onderlinge uitwisselbaarheid van leden-beroepsgenoten mogelijk kan worden gemaakt, zodat de colleges beschikken over een voldoende aanbod van leden-beroepsgenoten uit de verschillende disciplines. Bereikt moet worden dat een aangeklaagde beroepsbeoefenaar wordt beoordeeld door leden-beroepsgenoten uit diens eigen beroepsgroep. Voor de (plaatsvervangend) leden juristen en (plaatsvervangend) voorzitters zal ik de wet zodanig aanpassen dat de benoemingen gelden voor alle regionale tuchtcolleges.
Voor het op peil houden van de gezondheidsrechtelijke kennis van leden-beroepsgenoten (en zonodig ook de rechtsgeleerde leden) zal ik de komende twee jaar een daartoe door de KNMG te organiseren scholingsdag financieel ondersteunen22. Dit wordt ook bepleit door o.a. het Nederlands Instituut voor Psychologen (NIP) en CNV Publieke Zaak;
Ik zie het als een voorwaarde voor de leden-beroepsgenoten van de tuchtcolleges dat zij voldoende voeling hebben met het vakgebied. Ook het LEVV wijst daarop. Ik ben er voorstander van dat leden-beroepsgenoten uiterlijk twee jaar na feitelijke beëindiging van de beroepspraktijk het lidmaatschap van het tuchtcollege neerleggen23. Dit zal verder worden vorm gegeven in de Kaderwet tuchtprocesrecht;
Ik zal de instelling van een centrale en gemeenschappelijke deskundigenbank bevorderen24. Deze moet te raadplegen zijn door alle tuchtcolleges, klagers en betrokken beroepsbeoefenaren. Dit zal een adequate inzet van deskundigheid mogelijk maken en bijdragen aan het equiperen van tuchtcolleges. Overigens zal in de Kaderwet geregeld worden dat het deskundigenrapport voorafgaande aan de behandeling van de zaak ter zitting aan beide partijen ter kennisname wordt toegezonden25.
Door het realiseren van deze maatregelen moet een goede beoordeling door de tuchtcolleges in de huidige samenstelling gegarandeerd kunnen worden.
Patiëntenperspectief
In mijn brief van 10 juli 2007 ben ik ingegaan op de vraag of een patiëntvertegenwoordiger een plek zou moeten krijgen in de tuchtcolleges. Achtergrond daarvan was de negatieve beeldvorming over het tuchtrecht voor de gezondheidszorg, in het bijzonder de vraag of het patiëntenperspectief daarin voldoende tot uiting komt.
21 Zie evaluatierapport, aanbeveling 57, p. 212.
22 De eerste cursusdag Gezondheidsrecht voor leden-beroepsgenoten in de tuchtcolleges heeft inmiddels plaatsgevonden op 17 maart 2008.
23 Vgl. evaluatierapport, aanbeveling 59, p. 212.
24 Vgl. evaluatierapport, aanbeveling 63, p. 212.
25 Vgl. evaluatierapport, aanbeveling 62, p. 212.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
9
Kenmerk
MEVA/BO-
In de reacties op mijn brief wordt breed onderkend dat het primair gaat om het voldoende tot uiting komen van het perspectief van de patiënt en niet zozeer om de patiëntvertegenwoordiger als middel om dit te bereiken. Ik sluit mij hierbij aan.
Ik vind het van het grootste belang dat de leden van een tuchtcollege – naast hun inhoudelijke expertise – ook gevoel hebben voor de positie van de patiënt. Dat moet gelden voor alle leden van het tuchtcollege en niet enkel voor een aparte patiëntvertegenwoordiger26. Daarnaast is het zo dat het patiëntenperspectief onderdeel vormt van de wettelijke normen waaraan het handelen van de beroepsbeoefenaren wordt getoetst. Deze omvatten begrippen zoals “verantwoorde zorg” en “goed hulpverlenerschap”. Terecht merkt de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (KNMG) op dat het belangrijk is dat het patiëntenperspectief ook duidelijk tot uiting komt in de motivering van de uitspraak.
Ik verwacht dat effectuering van de in deze brief genoemde maatregelen, alsmede de algemene herziening van het tucht(proces)recht zal helpen om de negatieve beeldvorming over het tuchtrecht in de gezondheidszorg te verminderen. Immers het tuchtrecht zal - bijvoorbeeld door een betere bewegwijzering, voorlichting en ondersteuning - méér ingeroepen worden voor zaken waar het de toegevoegde waarde voor de kwaliteit van de beroepsuitoefening kan bewijzen. Een betere toegankelijkheid van de openbaar gemaakte uitspraken en transparantie over het gevolg dat de beroepsgroepen geven aan uitspraken, zal de beeldvorming gunstig beïnvloeden.
c. Reikwijdte van de tuchtnormen
De tuchtnormen, zoals neergelegd in artikel 47 van de Wet BIG, hebben betrekking op handelingen waarbij wordt tekortgeschoten ten opzichte van een patiënt (eerste tuchtnorm) of gedragingen die niet door de eerste norm worden bestreken, maar niettemin in strijd zijn met het algemeen belang gelegen in een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg (tweede tuchtnorm). Er is behoefte aan duidelijkheid over de omvang en de reikwijdte van de tuchtnormen.
Bij het afbakenen van de omvang en reikwijdte van het tuchtrecht kunnen drie verschillende situaties worden onderscheiden:
1.
het indienen van een klacht tegen samenwerkingsverbanden van beroepsbeoefenaren, zowel binnen een bepaalde instelling als in het kader van ketenzorg;
2.
het indienen van een tuchtklacht tegen een beroepsbeoefenaar in een managementfunctie;
3.
het indienen van een klacht tegen een rechtspersoon.
Ad 1. Samenwerkingsverbanden en ketenzorg
Ik wil er voor zorgen dat binnen de moderne, complexe vormen van zorgverlening de zorgaanbieders hun geleverde of te leveren zorg goed op elkaar afstemmen om samen (tegelijkertijd of na elkaar) de beste zorg te leveren aan hun cliënten. Zoals gemeld in het programma “Zeven rechten voor de cliënt in de zorg: Investeren in de zorgrelatie” wil ik wettelijk verankeren dat de cliënt een recht krijgt op afstemming van de zorg tussen zorgverleners, op een goede overdracht van informatie en op nazorg27.
26 Hieraan kan ook specifiek aandacht worden gegeven bij de scholingsdagen voor leden-beroepsgenoten.
27 Zie het vijfde recht van de cliënt in de zorg (recht op afstemming tussen zorgverleners) in mijn programma.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
10
Kenmerk
MEVA/BO-
Zorgverleners die tegelijkertijd, of na elkaar, (samenhangende) zorg verlenen aan een cliënt moeten die zorg en de informatie over de cliënt zo goed mogelijk met elkaar afstemmen. Onderzocht wordt in het kader van de nieuwe wetgeving voor cliëntenrechten of, en op welke wijze, dit nadere invulling kan krijgen zonder afbreuk te doen aan de rechten van cliënten ten aanzien van de keuze voor zorg en zorgverlener. Bij de gewenste duidelijke rechten voor cliënten hoort ook dat de cliënt weet wie verantwoordelijk is als bij zorgverlening in een keten of in een samenwerkingsverband iets niet goed gaat. Hierop heeft ook de IGZ aangedrongen28. Dit uitgangspunt is ook direct van betekenis voor de toepassing van de tuchtnormen.
Zoals in het kabinetsstandpunt bij het rapport Huls is aangekondigd, is het wenselijk dat de mogelijkheid wordt geopend om een klacht in te dienen tegen een collectief van beroepsbeoefenaren dat voor een cliënt in teamverband heeft gewerkt29. Daarbij geldt dan als voorwaarde dat het beroepsbeoefenaren betreft die onder het tuchtrecht vallen. De tuchtrechter is immers niet bevoegd om tegen niet-beroepsgenoten op te treden.
De klager hoeft niet meer vooraf precies te weten welke beroepsbeoefenaar welke fout heeft gemaakt, aangezien dat door de toegenomen complexiteit van de zorgverlening steeds minder makkelijk vooraf is vast te stellen. De geconsulteerde organisaties hebben ook aangegeven dat hieraan grote behoefte bestaat.
Onderzocht moet nog worden wie het beste de taak op zich kan krijgen om vast te stellen
welke individuele beroepsbeoefenaren bij de procedure betrokken moeten worden30. Hierbij zal aangesloten worden bij de uitgangspunten die de Kaderwet tucht(proces)recht daarvoor zal gaan hanteren. Bepaald zou kunnen worden dat, tot aan de behandeling van de klacht ter zitting, de omvang van de klacht kan worden gewijzigd, hetzij op verzoek van de klager, hetzij ambtshalve door het tuchtcollege. Indien tijdens het vooronderzoek dan wel de behandeling van de klacht problemen in de afstemming tussen zorgverleners onderling een rol spelen of blijken te spelen, zou het wenselijk zijn ook beroepsbeoefenaren tegen wie de klacht aanvankelijk niet was gericht, te betrekken in de procedure. De tuchtrechter richt zich dan op het handelen of nalaten van de individuele beroepsbeoefenaren afzonderlijk31, maar hij moet in zijn beoordeling ook betrekken de mogelijke effecten van samenwerking of inhoudelijk samenhangende opeenvolgende behandelingen. Ook effecten gerelateerd aan onvoldoende afstemming of coördinatie kan hij daarbij in zijn beoordeling betrekken. Bekeken moet worden hoe en waar dit wettelijk verankerd moet gaan worden.
Ad 2. Beroepsbeoefenaren in managementfuncties
Gebleken is dat aan de uitleg van de tweede tuchtnorm in tuchtrechtelijke uitspraken een verschillende interpretatie is gegeven en dat er behoefte is aan verduidelijking van de bedoeling van de wetgever.
In de parlementaire geschiedenis32 wordt vermeld dat handelen in strijd met het openbare (algemene) belang van een goede individuele gezondheidszorg tuchtrechtelijk getoetst kan worden, ook als er geen rechtstreekse relatie is met een bepaalde patiënt. Dit kan op basis van de tweede tuchtnorm van artikel 47, tweede lid, van de wet BIG.
28 “De Staat van de Gezondheidszorg 2006, Patiënt en recht: de rechtspositie van de patiënt goed verzekerd?”, waarin de IGZ wijst op de gebrekkige mogelijkheden van de tuchtrechter om te oordelen in zaken waarin ketenzorg een rol speelt, zie o.a. p. 74.
29 Zie p. 9 Kabinetsstandpunt.
30 Dit zou een rol kunnen zijn voor de vooronderzoeker, van de tuchtrechter of van de IGZ.
31 Een tuchtrechtelijke groepsaansprakelijkheid acht ik niet wenselijk.
32 Kamerstukken II 1987/88, 19 522, nr 7, p. 97-98. Zie ook het evaluatierapport Wet BIG p. 159.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
11
Kenmerk
MEVA/BO-
Het kabinet33 heeft tot uitgangspunt genomen dat alle activiteiten die een beroepsbeoefenaar in zijn hoedanigheid van zorgverlener beroepsmatig uitoefent onder het bereik van het tuchtrecht vallen. Dit betekent dat alle handelingen en besluiten die genomen worden door BIG-geregistreerde zorgverleners in een andere hoedanigheid, bijvoorbeeld in de hoedanigheid van manager, voorzitter van de Raad van Bestuur of als bestuurslid van een beroepsorganisatie, niet onder het bereik van de tweede tuchtnorm vallen. Een directeur patiëntenzorg - die overigens tevens zorgverlener (bijvoorbeeld arts) kan zijn -, zal vanuit zijn of haar organisatorische, beleidsbepalende verantwoordelijkheid als directeur keuzes maken in de bedrijfsvoering die gevolgen hebben voor de individuele zorgverlening, zorgverleners of patiënten. Voor dat bedrijfsmatige handelen is het gerechtvaardigd om hem of haar buiten het bereik van het tuchtrecht te houden. Immers hij of zij handelt dan niet in de hoedanigheid van zorgverlener (in dit geval arts), maar uitsluitend in de hoedanigheid van manager. Dit is in lijn met de reacties van de veldpartijen34 op mijn brief van 10 juli 2007, zoals die van de KNMG35 en de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Pharmacie (KNMP)36. Een bedrijfsmatig handelen of nalaten vanuit een bedrijfsmatige verantwoordelijkheid, met nadelige consequenties voor verantwoorde zorg, moet via de Kwaliteitswet zorginstellingen aangepakt worden. Dat sluit aan bij de onderscheiden verantwoordelijkheden van instellingen en individuen.
Coördinatoren of clusterhoofden van een afdeling37 die een coördinerende rol vervullen in de hulpverlening aan een patiënt (dus zonder dat sprake is van een individuele behandelrelatie met die patiënt38), kunnen ook onder de reikwijdte van de tweede tuchtnorm vallen, indien zij handelen in de hoedanigheid van hulpverlener en door het handelen of nalaten het openbare (algemene) belang van een goede individuele gezondheidszorg in het geding komt. Zeker nu in de praktijk in toenemende mate hulpverlening plaatsvindt in of vanuit een samenwerkingsverband is het belangrijk dat ook coördinerende (BIG-geregistreerde) hulpverleners onder de reikwijdte van het tuchtrecht vallen, ook in het geval dat er geen sprake is van een directe behandelrelatie met de patiënt.
Indien een coördinator echter alleen algemene coördinerende of managementtaken uitoefent, zoals taken op het gebied van PIOFAH39, zullen deze worden uitgevoerd in de hoedanigheid van manager en niet als hulpverlener. In dat geval valt het handelen of nalaten buiten het bereik van de tweede tuchtnorm.
Waar geneeskundig adviseurs en andere artsen handelingen verrichten rechtstreeks betrekking hebbend op een persoon, zoals het beoordelen van de gezondheidstoestand van een persoon (waarbij dus sprake is van individuele gezondheidszorg), valt dat gewoon onder het bereik van het tuchtrecht.
33 Zie Kabinetsstandpunt, paragraaf 5, p. 9.
34 De NPCF, LOC en CSO hebben zich hier niet over uitgelaten. De LEVV stelt zich op het standpunt dat bedrijfsmatig handelen primair via de Kwaliteitswet zorginstellingen moet worden aangepakt.
35 Bij de interne tuchtrechtspraak door de KNMG wordt al nagegaan of de aangeklaagde arts in die hoedanigheid heeft gehandeld.
36 Daar waar een klacht het bedrijfsmatige deel van de zorgverlening betreft moet dit door een andere instantie dan de tuchtrechter worden beoordeeld.
37 Uiteraard alleen indien zij als beroepsbeoefenaar staan geregistreerd in het BIG-register.
38 Te denken valt aan een arts die een coördinerende functie uitoefent bij een (multidisciplinaire) behandeling van een patiënt of van een groep van patiënten (bijvoorbeeld na een calamiteit), terwijl hij geen directe behandelrelatie heeft met die patiënt(en). Hij oefent de coördinerende functie juist uit omdat hij arts is. In dat geval handelt hij in de hoedanigheid van arts, zonder dat er sprake is van een directie arts-patiënt relatie, en valt hij onder het bereik van het tuchtrecht.
39 Personeel, informatievoorziening, organisatie, financiën, automatisering en huisvesting.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
12
Kenmerk
MEVA/BO-
Waar zij buiten het kader van de individuele gezondheidszorg handelen, maar het handelen wel weerslag heeft op het belang van de individuele gezondheidszorg en het handelen plaatsvindt in de hoedanigheid van geregistreerde, is dat met de tweede tuchtnorm tuchtrechtelijk toetsbaar40.
In de Memorie van Toelichting bij aanpassing van de wet BIG aan de Kaderwet en aan de in deze brief aangekondigde aanpassingen, zal een nadere toelichting worden gegeven op de tweede tuchtnorm, waarmee ik hoop meer duidelijkheid over deze norm te verschaffen.
Ad 3. Rechtspersonen
De mogelijkheid van het indienen van een tuchtklacht tegen een rechtspersoon wordt in het kabinetsstandpunt afgewezen41. Problemen die behoren tot de verantwoordelijkheid van een instelling behoren te worden aangepakt in het kader van de Kwaliteitswet zorginstellingen. Deze verplicht zorgaanbieders tot het leveren van verantwoorde zorg en tot het in stand houden van een kwaliteitssysteem. Dit sluit goed aan bij het systeem van de Wet BIG, die in artikel 40 solistisch werkende beroepsbeoefenaren vergelijkbare verplichtingen oplegt. In het kader van nieuwe wetgeving voortvloeiend uit mijn programma “Zeven rechten voor de cliënt in de zorg: Investeren in de zorgrelatie” wordt onderzocht hoe de bepalingen uit beide wetten over verantwoorde zorg op elkaar kunnen worden afgestemd, zodat het recht op kwaliteit en veiligheid van zorg door de individuele patiënt kan worden afgedwongen.
Ongedeeld tuchtrecht
Voor activiteiten die niet beroepsmatig worden uitgeoefend, is in het kabinetstandpunt gemeld dat deze onder het tuchtrecht kunnen vallen als ze het vertrouwen in het hoofdambt schaden42. Ik zal bekijken of het mogelijk is dit uitgangspunt op te nemen in de Wet BIG.
d. Tuchtmaatregelen
Schadevergoeding
Op de mogelijkheid dat de tuchtrechter een schadevergoeding kan opleggen wordt in het kabinetsstandpunt ingegaan. Het kabinet stelt voor dat de tuchtrechters de bevoegdheid krijgen om schadevergoeding op te leggen tot de hoogte van de competentiegrens van de kantonrechter in handelszaken (nu 5.000 euro). Een uitzondering is mogelijk in een sector waar aan drie voorwaarden is voldaan: 1) de hoogte van de schades zal doorgaans de grens van 5.000 euro overstijgen, 2) het zal doorgaans ingewikkelde situaties betreffen en 3) er zijn andere eenvoudige manieren om kleine schades vergoed te krijgen43.
Toetsing aan de door het kabinet gestelde criteria heeft tot de conclusie geleid dat in de gezondheidszorg een bevoegdheid voor de tuchtrechter tot het vaststellen van een facultatieve schadevergoeding niet wenselijk is, omdat de schades doorgaans hoger zijn, het doorgaans ingewikkelde kwesties betreft en in de gezondheidszorg andere eenvoudige mechanismen om beperkte schadevergoeding te verkrijgen voor handen zijn, zoals alternatieve geschillenregelingen.
40 Zie de antwoorden op de vragen van het Kamerlid Kant (SP) over tuchtrechtelijke aanspreekbaarheid van medische adviseurs (vervolgvragen) (2060721250).
41 Zie Kabinetsstandpunt, paragraaf 5, p. 9.
42Zie Kabinetsstandpunt, paragraaf 5, p. 9.
43 Zie Kabinetsstandpunt, paragraaf 4, p. 8.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
13
Kenmerk
MEVA/BO-
Bovendien zou zo’n bevoegdheid eerder verkeerde verwachtingen scheppen bij de burger. Gelet op deze conclusie zal ik geen voorstellen doen op grond waarvan de tuchtrechter voor de gezondheidszorg de bevoegdheid krijgt tot het opleggen van een schadevergoeding. Dit sluit aan bij de overheersende mening van de door mij geraadpleegde partijen in de gezondheidszorg44.
Gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel
In mijn brief van 10 juli 2007 heb ik de mogelijkheid geopperd van het wettelijk verankeren van de maatregel “gegrond verklaren van de klacht zonder oplegging van een maatregel”. Dat zou bijvoorbeeld denkbaar kunnen zijn in gevallen waar de “overtreding” van een individuele beroepsbeoefenaar in de keten heel beperkt blijkt te zijn, maar de optelsom van handelen of nalaten leidt tot een gegronde klacht.
Over de wenselijkheid van het invoeren van deze mogelijkheid wordt blijkens de reacties op mijn brief van 10 juli 2007 wisselend gedacht45. Gebleken is echter dat in de praktijk van het tuchtrecht voor de gezondheidszorg hieraan wel behoefte bestaat. Uit de evaluatie van de Wet BIG blijkt dat een ruime meerderheid van de leden van de tuchtcolleges en advocaten het een gemis vindt dat het niet mogelijk is een klacht gegrond te verklaren zonder oplegging van een maatregel. Voor een deel kan dit ook het hoge percentage ongegronde klachten verklaren: omdat het opleggen van een maatregel aan een individuele beroepsbeoefenaar niet rechtvaardig wordt geacht46, wordt de klacht ongegrond verklaard, terwijl toch duidelijk is dat het geheel van gebeurtenissen heeft geleid tot een op zichzelf gegronde klacht.
Ik ben daarom voorstander van het opnemen van de mogelijkheid om geen maatregel op te leggen bij een gegrond bevonden klacht47. Dit zal worden betrokken bij de harmonisering van het tuchtprocesrecht. De tuchtrechter moet in de motivatie duidelijk voor klager maken waarom, terwijl de klacht wel gegrond wordt bevonden, toch niet tot een oplegging van een maatregel wordt overgegaan. Tegen deze beslissing zal hoger beroep kunnen worden opengesteld48.
Werkadres opnemen in BIG-register
De burger kan het BIG-register49 raadplegen of een beroepsbeoefenaar als zodanig is geregistreerd. Er zijn echter veel gegevens voor nodig om deze informatie te kunnen opvragen. Niet alle gegevens – zoals geboortedatum en woonadres – zijn voor de burger of de patiënt gemakkelijk te achterhalen. Het werkadres van de beroepsbeoefenaar daarentegen zal vaak wel bekend zijn. Dit wordt echter niet als zoekcriterium gehanteerd. Dit wordt als een gemis ervaren. Daarnaast moet het BIG-register werkgevers of instellingen in kennis stellen van een schorsing, gedeeltelijke ontzegging en doorhaling ten aanzien van een beroepsbeoefenaar die daar werkt (artikel 5 Registratiebesluit). Het registreren van het werkadres zal dit beter mogelijk maken.
44 Waaronder de KNMG, CNV publieke zaak, NIP, KNOV, NMT, NVP, LEVV. De NPCF heeft zich hierover niet uitgelaten.
45 De NPCF en de KNMP staan hier afwijzend tegenover. De meeste reacties ondersteunen deze mogelijkheid echter.
46 Omdat bv een op zichzelf gegronde klacht gericht blijkt te zijn tegen een beroepsbeoefenaar die persoonlijk niets of weinig te verwijten valt.
47 Kabinetsstandpunt p. 7.
48 Evaluatierapport, aanbeveling 66, p. 213.
49 Bedoeld wordt het RIBIZ (het Registratie en Informatiepunt Beroepen in de Zorg) die de inschrijving in de registers genoemd in artikel 3 van de Wet BIG voor de Minister van VWS uitvoert.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
14
Kenmerk
MEVA/BO-
Bij de evaluatie van de Wet BIG is aanbevolen om in het BIG-register het werkadres van de beroepsbeoefenaren op te nemen50. Ik zal daartoe passende maatregelen nemen.
Ook zal ik onderzoeken of het door koppeling van verschillende gegevensbestanden mogelijk is om dit adressenbestand zo actueel mogelijk te houden. Indien dit niet mogelijk is of niet op eenvoudige en kostenefficiënte wijze te realiseren is, is de meest voor de hand liggende manier om de beroepsbeoefenaren zelf mutaties in hun werkadres te laten doorgeven aan het BIG-register. Het werkadres zal in ieder geval elke vijf jaar worden geactualiseerd op het moment van het ontvangen van de aanvraag voor periodieke registratie conform artikel 8 van de Wet BIG. Aan de aanschrijving van de BIG-geregistreerden over de gevolgen van de invoering van de periodieke registratie in 2009 zal ik in elk geval het verzoek koppelen een opgave te doen van het werkadres, waardoor snel een actueel bestand beschikbaar komt. Een actueel adressenbestand zal de toegankelijkheid van het BIG-register vergroten en het indienen van klachten tegen beroepsbeoefenaren vergemakkelijken.
Verstrekken adresgegevens aan tuchtcolleges
Het komt voor dat een tuchtcollege aan het RIBIZ vraagt om bekendmaking van een adres van een beroepsbeoefenaar in verband met een ingediende klacht. De tuchtrechter wil de beroepsbeoefenaar oproepen om hem te kunnen horen, maar heeft niet de beschikking over een actueel adres. De Wet BIG biedt geen grondslag voor het verstrekken van adresgegevens door het RIBIZ aan de tuchtcolleges. Deze beperking verhoudt zich niet goed tot het doel van het BIG-register, te weten een effectief instrument zijn om de kwaliteit van de beroepsuitoefening te kunnen waarborgen. Daarom zal ik bevorderen dat de Wet BIG in die zin wordt gewijzigd dat het wettelijk mogelijk wordt dat de tuchtcolleges - ten behoeve van het behandelen van een ingediende klacht - via het BIG-register toegang krijgen tot de benodigde adresgegevens van aangeklaagden.
e. Transparantie tuchtrechtspraak
De toegankelijkheid van tuchtrechtelijke uitspraken moet worden verbeterd51. Ik acht het daarom van groot belang dat alle uitspraken van de tuchtcolleges geanonimiseerd via een centrale website te raadplegen zijn. Het Centraal Informatiepunt Beroepen in de Gezondheidszorg (CIBG)52 heeft dit op mijn verzoek inmiddels met de tuchtcolleges gerealiseerd53. Het gaat hierbij niet alleen om zaken waarbij bijvoorbeeld doorhalingen en schorsingen zijn opgelegd, maar ook om zaken waarbij een waarschuwing wordt gegeven. Deze uitspraken zijn vaak van grote educatieve én preventieve waarde voor de praktijk. Die kan met openbare publicatie beter benut worden. Het gaat ook om ongegrond verklaringen en verklaringen van niet-ontvankelijkheid. Daarmee wordt immers bijgedragen aan duidelijkheid over wat wel en niet kansrijk is voor de tuchtrechter. Los daarvan kunnen de tuchtcolleges uiteraard uitspraken die zij specifiek onder de aandacht willen brengen, ter publicatie aanbieden aan vakbladen54 maar bijvoorbeeld ook aan nieuwsbrieven van patiëntenorganisaties.
50 Evaluatierapport, aanbeveling 69, p. 213.
51 Tot kort werden niet alle uitspraken digitaal ontsloten; informatie was wel verkrijgbaar in boekvorm, bijvoorbeeld het boek “Chirurg en tuchtrecht 1996-2007”. Dit bevat een overzicht van gepubliceerde en nog niet gepubliceerde tuchtrechtspraak binnen de chirurgie.
52 Het CIBG is onderdeel van het RIBIZ.
53 www.tuchtcollege-gezondheidszorg.nl
54 Uitspraken worden regelmatig (geanonimiseerd) gepubliceerd in het vakblad Medisch Contact van de KNMG.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
15
Kenmerk
MEVA/BO-
Hiermee kan echter niet volstaan worden. Om de lerende werking van het tuchtrecht voor de beroepsgroep te bevorderen en beter te kunnen inspelen op het verwachtingspatroon van burgers is meer nodig:
Op de website moet een goed ontwikkelde zoek- en trefwoordenfunctie worden gerealiseerd. Ik zal het CIBG vragen dit in samenwerking met de tuchtcolleges tot stand te brengen.
Ik wil, conform het voorstel van de Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN), aan de beroepsgroepen vragen om helder te maken wat het effect van tuchtrechtelijke uitspraken is op de kwaliteit van de beroepsuitoefening. Te denken is dan aan zaken als: wat wordt van een bepaalde uitspraak geleerd? Worden er protocollen aangepast zodat het geleerde ook in de beroepspraktijk gevolg krijgt? Hoe krijgen uitspraken aandacht in de bij- of nascholing?
Ook van belang is dat de beroepsgroepen over de leermomenten en de daarmee gemoeide ervaringen communiceren met de patiëntenorganisaties. Patiënten en cliëntenorganisaties kunnen hiermee hun voordeel doen. Dit is de primaire verantwoordelijkheid van de beroepsorganisaties, maar ook cliënten en cliëntenorganisaties moeten dit zelf kunnen oppakken als alle uitspraken openbaar worden gemaakt.
Ik wil de openbare informatie over zorgverleners die na een tuchtrechtelijke uitspraak hun beroep niet meer mogen uitoefenen of dit slechts met beperkingen mogen doen zo toegankelijk mogelijk maken. Het College bescherming persoonsgegevens stemt in met het openbaar maken van de namen van zorgverleners aan wie bevoegdheidsbeperkende maatregelen zijn opgelegd via een actuele digitale weergave op de site van het BIG-register en KiesBeter.nl, na aanpassing van het Registratiebesluit BIG op dit punt. Ik zal een voorstel tot aanpassing van dit besluit doen.
Ik merk in dit verband nog op dat door de overheid wordt gewerkt aan de centrale ontsluiting van tuchtrechtelijke uitspraken via één website (tuchtrecht.nl)55. Over de inrichting van zo’n website vindt nog afstemming plaats met de tuchtcolleges van de verschillende wettelijk gereglementeerde beroepsgroepen. Doel daarvan is tot een goede toegankelijkheid van alle tuchtuitspraken te komen.
f. Organisatie en financiering
Organisatie
Het kabinetsstandpunt gaat in op de toekomstige organisatie van het tuchtrecht56.
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg zal niet in de operatie voor het centraliseren van het hoger beroep worden betrokken.
Per 1 januari 2006 is het beheer van de tuchtcolleges voor de gezondheidszorg overgeheveld naar het CIBG. Deze overgang naar het CIBG heeft geleid tot een verdere professionalisering van de organisatie van de tuchtrechtspraak in de gezondheidszorg.
Financiering tuchtrechtspraak
55 Het is de bedoeling deze site als een subsite van de website Overheid.nl te presenteren.
56 Hierbij zijn twee modellen mogelijk. Enerzijds een model waarin een tuchtcollege als kamer bij de rechtspraak is georganiseerd en anderzijds een model waarbij de tuchtcolleges geheel los van de reguliere rechtspraak zijn georganiseerd. Zie het Kabinetsstandpunt, p. 6.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
16
Kenmerk
MEVA/BO-
Het kabinetsstandpunt gaat in beginsel uit van financiering van het tuchtrecht in eerste aanleg door de beroepsgroepen. Daarbij is maatwerk mogelijk.
Er kunnen redenen zijn, aldus het kabinetsstandpunt, waarom een ministerie in plaats van de beroepsgroep de kosten draagt57. Bijvoorbeeld omdat een ministerie in de bredere context van het kwaliteitsbeleid met de beroepsorganisaties een andere verdeling van financiële verantwoordelijkheden kiest. Het ministerie van VWS heeft om deze reden altijd al de kosten voor de tuchtrechtspraak in eerste aanleg bekostigd. Ik zal – gelet daarop - niet van de beroepsgroepen verlangen dat zij de financiering van de tuchtrechtspraak in eerste aanleg financieren. De Staat zal ook de kosten voor het hoger beroep (blijven) betalen.
Vergoedingsregeling
Het kabinetsstandpunt geeft aan dat de bezoldiging van voorzitters of andere rechterlijke leden van een tuchtcollege via de Raad voor de Rechtspraak zal plaatsvinden. Maatwerk is echter mogelijk. Voor de tuchtcolleges die los staan van de reguliere rechtspraak, zoals het geval is bij de tuchtcolleges in de gezondheidszorg, is het de verantwoordelijkheid van de beleidsverantwoordelijke minister om tot een adequate financieringsregeling (vacatiegeldregeling) te komen van de leden beroepsgenoten in de tuchtcolleges.
In afwachting van de harmonisatieregeling over de bezoldiging zal ik de vacatiegeldenregeling voor de leden-beroepsgenoten gelijk trekken aan die voor de juristen in de tuchtcolleges door voor beiden een vergoeding per zaak mogelijk te maken58. Tevens zullen de bestaande oude vacatiegeldregelingen worden geïndexeerd en worden vervangen door één nieuwe vacatiegeldregeling.
5. Toezicht en handhaving
Hoewel toezicht en handhaving onderwerpen zijn die niet direct het tuchtrecht betreffen, hangen zij zodanig hiermee samen dat ik er voorstander van ben de volgende aanpassingen door te voeren.
Aantekening in BIG-register van bevel IGZ
Ik vind het belangrijk dat het publiek kan nagaan dat de IGZ een bepaalde beroepsbeoefenaar een schriftelijk bevel op grond van artikel 87a heeft gegeven wanneer dit bevel de beroepsuitoefening beperkt. Dit betekent dat er een wettelijke grondslag moet komen om hierover een aantekening te maken in het BIG-register. Ik zal hiertoe een voorstel tot wijziging van de Wet BIG voorbereiden.
Ik wijs verder nog op het wetsvoorstel inzake uitbreiding bestuurlijke handhaving van volksgezondheidswetgeving59, dat de IGZ de mogelijkheid geeft te handhaven door middel van het opleggen van een bestuurlijke boete. Dit is een goede uitbreiding van het arsenaal aan mogelijkheden dat de IGZ thans heeft om haar taak uit te voeren.
57 Kabinetsstandpunt, p. 11.
58 Op basis van de oude regeling kregen de leden-beroepsgenoten een vacatiegeld per zitting.
59 Kamerstukken II 2006/07, 31 122, nr. 2.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
17
Kenmerk
MEVA/BO-
De in artikel 73 van de Wet BIG opgenomen mogelijkheid dat de in artikel 65, eerste lid, onder d, bedoelde hoofdinspecteur en regionale inspecteur van de IGZ hoger beroep kan instellen in een zaak waar ze eerder geen partij is geweest vind ik – gelet op de rol van de IGZ als toezichthoudend orgaan – goed verdedigbaar. Dit zal dan ook zo in de Wet BIG gehandhaafd blijven.
6. Wetgeving
De in deze brief voorgestelde aanpassingen van de Wet BIG ten aanzien van het tuchtprocesrecht zullen worden meegenomen bij de uitvoering van het kabinetsstandpunt bij het rapport Huls. Zij zullen worden geregeld in de Kaderwet tucht(proces)recht, die thans wordt opgesteld door de Staatssecretaris van Justitie. Dit betekent dat grote delen van het tuchtprocesrecht uit de Wet BIG zullen verdwijnen. Bij latere tranches worden ook andere onderdelen van het tuchtrecht geharmoniseerd. Waar nodig wordt rekening gehouden met de eigenheid van het tuchtrecht voor de specifieke beroepen.
De overige aanpassingen die niet in de Kaderwet worden geregeld zullen via een afzonderlijk wetsvoorstel tot aanpassing van de Wet BIG ter hand genomen worden.
Verder zal ik maatregelen nemen om de andere voorstellen, die geen wijzigingen van de regelgeving vergen, zo spoedig mogelijk te implementeren.
De Minister van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport,
dr. A. Klink
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Blad
18
Kenmerk
821906
MEVA/BO-2
Bijlage
Overzicht van geconsulteerde organisaties:
Nederlandse Patiënten Consumenten Federatie (NPCF)
Centrale Samenwerkende Ouderenorganisatie (CSO)
Landelijke Organisatie Cliëntenraden (LOC)
Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN)
De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG)
De Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Tandheelkunde (NMT)
De Koninklijke Nederlandse Maatschappij tot bevordering der Pharmacie (KNMP)
Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV)
Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)
Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF)
Nederlandse Vereniging van Psychotherapie (NVP)
Nederlandse Vereniging van pedagogen en Onderwijskundigen (NVO)
Associatie Nederlandse Tandartsen (ANT)
Het Centrale Tuchtcollege te Den Haag
De regionale tuchtcolleges te Eindhoven, Amsterdam, Den Haag, Zwolle en Groningen College van Medisch Toezicht
Bij de standpuntbepaling zijn ook van belang geweest de bijdragen van:
Landelijk Expertisecentrum Verpleging en Verzorging (LEVV)
CNV Publieke zaak
Beer advocaten
Misbruik door Hulpverleners (MdH)



Ministerie van Justitie
Directoraat-Generaal Rechtspleging en Rechtshandhaving
Directie Rechtsbestel
Postadres: Postbus 20301, 2500 EH Den Haag
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA ‘S-GRAVENHAGE
Bezoekadres
Schedeldoekshaven 100
2511 EX Den Haag
Telefoon (070) 3 70 79 11
Fax (070) 3 70 79 00
Onderdeel DGRR/DRB/RGO
Datum 7 december 2007
Ons kenmerk 5519448/07

Onderwerp: Kabinetsstandpunt tuchtrecht

1. Inleiding.
Bij brief van 12 februari 2007 (Kamerstukken II 2006/07, 29 279, nr. 48) heeft de Minister van Justitie u het rapport Beleidsuitgangspunten wettelijk geregeld tuchtrecht aangeboden. Het rapport is in het kader van het programma Bruikbare rechtsorde geschreven door een werkgroep onder voorzitterschap van prof. mr. N.J.H. Huls. De Minister heeft u bij die gelegenheid aangegeven in de loop van 2007 tot een kabinetsstandpunt te zullen komen. Dit kabinetsstandpunt bied ik u hierbij aan.

Leeswijzer
Hierna ga ik eerst in op de context die het programma Bruikbare rechtsorde voor dit
kabinetsstandpunt is. In paragraaf 2 van dit kabinetsstandpunt ga ik in op de plaats van het
tuchtrecht in het geheel van rechtsbescherming van de burger. Na een beschrijving van het systeem van tuchtrecht en het perspectief van de burger, ga ik in op de afbakening van het tuchtrecht ten opzichte van klachtafhandeling en toezicht. Vervolgens ga ik in op de toegang tot de tuchtrechter en het niet-heffen van griffierecht. Paragraaf 3 gaat over de organisatorische positie van de tuchtrechter. Daarin komen de harmonisatie van het tuchtprocesrecht en de wijze waarop de tuchtrechtelijke colleges organisatorisch kunnen worden gepositioneerd aan de orde.
Ik beschrijf zowel de wijze waarop de tuchtrechtelijke colleges die bij de reguliere rechtspraak zijn gepositioneerd zullen worden ingericht, als hoe de colleges die daar los van staan, zullen worden ingericht. In paragraaf 4 ga ik in op de tuchtrechtelijke maatregelen. Aan de orde komen de
2/18
5519448/07/ 7 december 2007
maatregelencatalogus, de mogelijkheid van het toekennen van schadevergoeding en de positie van kandidaat-beroepsbeoefenaren. Paragraaf 5 behandelt het subject van het tuchtrecht en het door het kabinet voorgestelde ongedeelde tuchtrecht. In paragraaf 6 ga ik in op de kenbaarheid van het tuchtrecht. Paragraaf 7 gaat over de financiering van het tuchtrecht. Daarin worden het financieringsmodel, de verdeling van de kosten en de bezoldiging van de leden van de colleges besproken. In slotparagraaf 8 ga ik kort in op het kwantitatieve onderzoek dat door het WODC is gedaan naar het tuchtrecht. In de bijlage zijn de aanbevelingen van het rapport Huls opgenomen.

Bruikbare rechtsorde
De toenmalige Minister van Justitie heeft u bij brief van 21 april 2004 geinformeerd over het
programma Bruikbare rechtsorde (Kamerstukken II 2003/04, 29 279, nr. 9)(1). Het programma is bedoeld om een drietal problemen aan te pakken:
1. De verminderde bruikbaarheid van wetgeving, waar zij beoogt situaties te regelen die in
de maatschappelijke werkelijkheid anders zijn dan bij het ontwerpen van de regels werd
verondersteld, of inmiddels zijn veranderd, doordat zij onvoldoende blijken te kunnen
worden gehandhaafd, of niet overeenstemmen met het normbesef van de doelgroep.
2. De inconsistentie die optreedt doordat regels onvoldoende zijn afgestemd op andere
regels, blijk geven van verschil in gewicht van de daaraan ten grondslag liggende normen,
of voor vergelijkbare gevallen verschillende uitkomsten opleveren, of zelfs tegenstrijdig zijn.
3. Onnodige belasting door regels of onnodige belemmeringen door regels voor het
maatschappelijke verkeer.

In het kader van dit programma is besloten tot drie reeksen van projecten. Het project Tuchtrecht is een project uit de tweede reeks. Het project heeft tot doel consistentie te bewerkstelligen in het beleid dat de overheid ten aanzien van het tuchtrecht voert, in het bijzonder voor het wettelijk geregelde tuchtrecht. Ook dient het project te bevorderen dat het tuchtrecht, daar waar dit opportuun is, wordt ingezet om de eigen verantwoordelijkheid van de sector te versterken voor het goed functioneren van de beroepsgroep of de bewaking van de kwaliteit van de producten. Het project dient voorstellen op te leveren die leiden tot versterking van de kwaliteit van de uitvoering en de efficiency van het tuchtrecht.
1 Zie ook www.bruikbarerechtsorde.nl.

3/18
5519448/07/ 7 december 2007

Rapport Huls
Het kabinet heeft met waardering kennis genomen van het rapport Huls. De aanbevelingen die de werkgroep in hoofdstuk 4 van het rapport doet (2), bieden goede handvatten om te komen tot deregulering, modernisering en harmonisatie van het wettelijk geregeld tuchtrecht. Ze sluiten goed aan bij een aantal activiteiten waarmee de beroepsgroepen zelf bezig zijn zoals het organiseren van goede klacht- en doorverwijzingsvoorzieningen en het publiceren van tuchtrechtelijke uitspraken in vakbladen en op internet. Ze sluiten eveneens goed aan bij een aantal lopende wetgevingstrajecten en wetsevaluaties, die de ministeries mede ten aanzien van het tuchtrecht hebben uitgevoerd.

2. Plaats van het tuchtrecht in de rechtsbescherming van de burger.
Het systeem van het tuchtrecht
Het idee achter Bruikbare rechtsorde is dat er meer verantwoordelijkheid aan de burger en het
bedrijfsleven wordt gelaten waar dat mogelijk is. Vrije of vertrouwensberoepen als advocaat, arts en accountant kennen doorgaans een lange traditie waarin de beroepsgenoten zelf in hoge mate verantwoordelijk zijn voor de normen waaraan een goede beroepsuitoefening moet voldoen en voor het zorgen voor systemen van kwaliteitsborging. Deze normen en het toezicht daarop verschillen van beroep tot beroep. De beroepen die in dit kabinetsstandpunt centraal staan zijn advocatuur, notariaat, gerechtsdeurwaarders, accountants, octrooigemachtigden, beroepsbeoefenaren in de individuele gezondheidszorg, veterinairen, loodsen en zeevarenden. Deze beroepen hebben hun wettelijk geregeld tuchtrecht gemeen als sluitstuk van deze hoge mate van zelfregulering. Dit betekent, dat met alle vrijheid en autonomie die de beroepsgroep heeft bij het vaststellen en handhaven van de beroepsnormen, de wetgever het in ieder geval noodzakelijk heeft gevonden om
het sluitstuk daarvan bij wet te regelen.
Het systeem en het belang van het tuchtrecht als zodanig staan niet ter discussie. Het tegengestelde lijkt eerder het geval: zowel in uw Kamer als in de samenleving staat het tuchtrecht in de schijnwerpers en de toon is daarbij doorgaans positief. Breed wordt gedragen dat tuchtrecht een waardevol middel is om normen te handhaven die voor de uitoefening van specifieke beroepen gelden. Het is wel zaak om het systeem te bezien tegen de achtergrond van nieuwe ontwikkelingen waar de onderhavige beroepsgroepen mee te maken hebben. Het rapport Huls geeft hiervan een overzicht (3). Het systeem is (of beter gezegd de verschillende systemen zijn) toe aan groot onderhoud. Op punten is het tuchtrecht verouderd. Ook zijn er verschillen in het tuchtrecht van de
2 Opgenomen als bijlage bij dit kabinetsstandpunt.
3 Samengevat: evaluaties beroepsgroepen notariaat (Hammerstein) en advocatuur (Van Wijmen),
boekhoudschandalen, internationalisering en marktwerking, invloed verzekeraars.

4/18
5519448/07/ 7 december 2007
verschillende beroepen die niet te herleiden zijn tot de specifieke aard van de beroepen (4). Denk aan
de verschillende benoemingsduur en benoemingswijze van de leden van de tuchtcolleges, het wel of
juist niet hebben van procesrechtelijke termijnen en de hoogte van de maximale geldboete die de
tuchtrechter kan opleggen. Ook vanuit uw Kamer is bij diverse gelegenheden erop aangedrongen
een heldere lijn voor het tuchtrecht te ontwikkelen (5).
Daarom is een geactualiseerd kader nodig waarlangs het tuchtrecht voor de vrije of
vertrouwensberoepen (het zogenoemde wettelijk niet-hierarchisch tuchtrecht voor de vrije beroepen)
kan worden vormgegeven.(6) Dit kabinetsstandpunt biedt dat kader. Het zal worden uitgewerkt in een
geharmoniseerd systeem van tuchtprocesrecht. Daarmee wordt de stap gezet naar een uniform
tucht(proces)recht, dat op eenzelfde wijze functioneert als het uniforme burgerlijk (proces-),
straf(proces-) en bestuurs(proces)recht.

Het perspectief van de burger
Tuchtrechtspraak is beroepsgroepenrechtspraak en in de visie van het kabinet blijft dit zo. Het
tuchtrecht is er primair om de beroepsstandaard, zoals vastgelegd in de binnen de beroepsgroep
levende gedragsregels, te handhaven. Het is daarmee echter ook van belang voor de client/patient
en voor de samenleving als geheel. Het betreft hier immers beroepen die voor het functioneren van
onze samenleving van cruciaal belang zijn. De samenleving mag dan ook verwachten dat de
beroepsbeoefenaren en de tuchtcolleges met hun gezicht naar de samenleving staan en de eisen
die de samenleving aan de beroepsgroep stelt, vertalen naar hun beroepsstandaard. De positie van
de klager in het tuchtrecht is daarnaast steeds belangrijker geworden. Tuchtrecht is een van de
manieren waarop clienten/patienten van zakelijke dienstverleners hun rechten beschermen. Om die
reden doet het kabinet dan ook een aantal voorstellen om klagers en de samenleving te faciliteren.
Zo stelt het kabinet voor om klagers de mogelijkheid te geven om bij de tuchtrechter om een
schadevergoeding te verzoeken (7). Het kabinet stelt ook voor om alle tuchtrechtelijke uitspraken, net
als de uitspraken van de reguliere rechtspraak, op internet te zetten. Daarmee blijft het primaire doel
van het tuchtrecht wat het kabinet betreft overeind, terwijl de ontwikkeling naar een volwaardige
positie van de klager wordt versterkt.
4 Bijlage 2 van het rapport Huls geeft daarvan een illustratief overzicht.
5 Zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2006/07, 23 706, nr. 67.
6 Voor de andere deelverzameling van het wettelijk niet-hierarchisch tuchtrecht, namelijk het
economisch tuchtrecht, is dit reeds gebeurd met de inwerkingtreding van de Wet tuchtrechtspraak
bedrijfsorganisatie 2004. Denkbaar is dat qua tuchtprocesrecht deze wet in elkaar wordt geschoven
met het tuchtrecht voor de vrije beroepen.
7 Waar dit in de desbetreffende sectoren zinvol is. Zie hierna paragraaf 4 voor de uitzonderingen.

5/18
5519448/07/ 7 december 2007
Afbakening klachtafhandeling en tuchtrecht
De aanbevelingen van het rapport Huls om te komen tot een onafhankelijke klachtencommissie en
een een-loket (8) per beroepsgroep worden door het kabinet gesteund. Overeenkomstig de
aanbevelingen in het rapport wordt bij de inrichting van het loket rekening gehouden met de
organisatie en omvang van het relevante tuchtregime.
Het is goed als er voor typische consumentengeschillen een passende instantie is. Het kabinet
meent dat eenvoudige consumentengeschillen niet in het tuchtrecht thuishoren, omdat dit niet
bijdraagt aan de ontwikkeling van de beroepsstandaarden, maar de uitleg betreft van het
overeenkomstenrecht, waarin de vertrouwensberoepen zich niet onderscheiden van leveranciers van
andere producten of diensten. Het is ook goed als er goede bewegwijzering is. Het mag immers niet
zo zijn dat de klager door de bomen het bos niet meer ziet. Het kabinet acht iedere beroepsgroep
zelf verantwoordelijk voor een behoorlijke klachtafhandeling. Het is op zijn plaats dat er, naast het
wettelijk geregeld tuchtrecht, proportionele aanvullende buitenwettelijke klachtvoorzieningen zijn die
worden gedragen door de desbetreffende beroepsgroep.(9) Aangezien de beroepsgroepen verschillen
in de aard van hun clientrelaties (primair particuliere klanten of juist primair ondernemingen als
klanten), het aantal beroepsbeoefenaren, de voorzieningen die reeds thans bestaan voor
klachtafhandeling en de structuur van hun beroepsorganisaties (publiekrechtelijke
beroepsorganisatie of privaatrechtelijke vereniging), stelt het kabinet voor dat de diverse
beroepsgroepen zelf regelen dat er behoorlijke (onafhankelijke) klachtafhandeling is, zonder daar
gedetailleerde wetgeving aan ten grondslag te leggen. Er is dan ook ruimte voor een goede
afbakening met bijvoorbeeld klachtenregelingen van instellingen waarin beroepsbeoefenaren
werkzaam zijn. Wil een klachtenvoorziening echt gaan leven, is er immers maatwerk en draagvlak
onder de beroepsgenoten noodzakelijk. Het is de taak van de beroepsgroepen zelf om daarbij een
goede positie voor de client te waarborgen.
Het kabinet benadrukt overigens dat een aantal van de beroepsgroepen hier al grote stappen heeft
gezet.

Afbakening toezicht en tuchtrecht
8 Het rapport Huls beschrijft op blz.23 het een-loket als de instantie waarbij alle klachten jegens een
bepaalde groep beroepsbeoefenaren kan worden ingediend. Het loket draagt in overleg met de
klager zorg dat de klacht bij de juiste instantie terecht komt. Dit kan bijvoorbeeld een
klachtencommissie zijn, een commissie die zich buigt over declaratiegeschillen of de tuchtrechter.
9 In de zorgsector heeft het klachtrecht wel een wettelijke basis (Wet Klachtrecht Clienten
Zorgsector).

6/18
5519448/07/ 7 december 2007
Sommige tuchtrechtelijke colleges hebben naast tuchtrechtelijke ook toezichthoudende taken10. In
navolging van het rapport Huls en de aanbevelingen van de commissie Hammerstein (commissie
evaluatie Wet op het notarisambt, Kamerstukken II 2005/06, 23 706, nr. 62) is het kabinet van
oordeel dat toezichthoudende taken niet moeten worden gecombineerd met het tuchtrecht. De
dubbelrol van toezichthouder en tuchtrechter schept een onzuivere verhouding: de
beroepsbeoefenaar staat immers in een andere verhouding tot een toezichthouder dan tot een
tuchtrechter. De tuchtcolleges die nu nog toezichthoudende taken hebben, zullen daarom hiervan
worden ontdaan. Het toezicht zal door meer aangewezen instanties moeten worden uitgeoefend.
Vanzelfsprekend kan degene die het toezicht uitoefent overgaan tot het starten van een procedure
voor de tuchtrechter. Het kabinet benadrukt dat beroepsorganisaties, toezichthouders en
beroepsgenoten geacht worden ook daadwerkelijk van het tuchtrecht gebruik te maken om de
naleving van de normen van goede beroepsuitoefening te verzekeren.

Toegang tot de tuchtrechter
Het kabinet benadrukt dat het bij tuchtrecht gaat om het toetsen aan objectieve beroepsnormen. De
toetsing daaraan waarborgt een goede beroepsuitoefening en het aanhangig maken van een zaak is
daarmee niet voorbehouden aan clienten, patienten of slachtoffers. Het kabinet stelt voor dat zaken
in het vervolg aanhangig kunnen worden gemaakt door een ieder die er een persoonlijk belang bij
heeft of er een zodanig maatschappelijk belang bij heeft, dat voor de goede werking van de
beroepsnormen ook aan die organisatie een recht op het aanbrengen van zaken toekomt
(waaronder begrepen de beroepsorganisatie, de inspectie of toezichthouder en de officier van
justitie).
De toegang tot de tuchtrechter zal niet worden beperkt ten opzichte van de huidige situatie, een
klager kan direct naar de tuchtrechter. Hiermee wordt juridisering (is de voorprocedure wel en op de
juiste wijze gevolgd) en bureaucratisering (voorprocedures die louter om formele redenen worden
gevolgd) voorkomen. Wel dient een klager naar de mening van het kabinet in zijn beroepschrift te
vermelden of een klachtenprocedure is doorlopen en zo nee, waarom niet en zo ja, wat daarvan de
uitkomst was. De tuchtrechter krijgt de bevoegdheid om zaken waarbij geen klachtenprocedure is
gevolgd door te zenden naar de klachtenprocedure, wanneer zij daarvoor zijns inziens in aanmerking
komen en ook om typische consumentengeschillen door te verwijzen naar de passende instantie.
Hier zal een duidelijke prikkel vanuit gaan om voordat een tuchtrechtelijke procedure wordt
begonnen, eerst te onderzoeken of alternatieve wijzen van geschiloplossing meer aangewezen zijn.
10 Zie bijvoorbeeld art.93 van de Wet op het notarisambt en art.60c van de Advocatenwet. Vergelijk

7/18
5519448/07/ 7 december 2007
Griffierechten
Het rapport Huls beveelt aan om in tuchtrechtelijke zaken een griffierecht in te voeren. Het heffen
van griffierecht vormt volgens het rapport een stimulans voor de klager om een weloverwogen keuze
te maken tussen de gang naar de tuchtrechter en alternatieven daarvoor. Het rapport geeft echter
duidelijk aan dat er ook sterke argumenten zijn tegen de invoering van griffierechten in dit soort
zaken.
Het kabinet heeft besloten de argumenten tegen invoering zwaarder te laten wegen. Uitgaande van
het hierboven reeds weergegeven uitgangspunt dat tuchtrecht er primair is om de beroepsstandaard,
zoals vastgelegd in de binnen de beroepsgroep levende gedragsregels, te handhaven, past het niet
goed om klagers daarvoor te laten betalen.
3. Organisatorische positie van de tuchtrechter.
Harmonisatie tuchtprocesrecht
Het rapport Huls beveelt aan te komen tot een vergaande mate van harmonisering. Het kabinet
neemt die aanbeveling graag over. Veel van het huidige tuchtprocesrecht is historisch nog wel
verklaarbaar, maar leidt tot verschillen die in ieder geval thans niet langer herleidbaar zijn tot de
eigen aard van de beroepen. Er komt daarom een uniforme, moderne regeling voor het
tuchtprocesrecht, waarbij waar mogelijk en zinvol wordt aangesloten bij de Wet tuchtrechtspraak
bedrijfsorganisatie 2004 en waarbij waar nodig, rekening wordt gehouden met de eigenheid van de
specifieke beroepen.
Dat het tuchtrecht moet voldoen aan de eisen van het EVRM, zoals het rapport Huls stelt, is
vanzelfsprekend. Het kabinet is overigens van mening dat het tuchtrecht ook thans aan dat verdrag
voldoet.

De positie van de tuchtrechter
Voor wat de positie van de tuchtrechter betreft, zijn er volgens het rapport Huls verschillende opties:
tuchtrechtspraak wordt een taak van de reguliere rechtspraak, tuchtrechtspaak blijft zelfstandig,
maar wel gepositioneerd bij de reguliere rechtspraak, en tuchtrechtspraak blijft zelfstandig, los van
de reguliere rechtspraak.11 Het rapport Huls spreekt een voorkeur uit voor de derde optie waarin de
tuchtrechtspraak wordt ondergebracht bij zelfstandige colleges, waar rechters deel van uitmaken en
ook art.27 van de Schepenwet.
11 Op blz.24-25 en op blz.34 van het rapport Huls wordt een verschillende indeling gemaakt. Het
kabinet volgt hier de indeling op blz.24-25 van het rapport.

8/18
5519448/07/ 7 december 2007
die de faciliteiten zelf verzorgen.
Vooralsnog is er voor het kabinet geen reden de bestaande tuchtcolleges in een bepaald model te
dwingen. Wel is het van belang dat de verhouding tussen tuchtcolleges en daarin deelnemende
leden van de rechterlijke macht helder wordt geregeld, zodat de Raad voor de rechtspraak en de
gerechtsbesturen hun verantwoordelijkheid voor de inzet van rechters, die belast zijn met reguliere
rechtspraak, kunnen waarmaken. Daarom ligt het voor hand twee modellen mogelijk te maken.
Enerzijds een model waarin een tuchtcollege als kamer bij de rechtspraak is georganiseerd,
anderzijds een model waarbij de tuchtcolleges geheel los van de reguliere rechtspraak zijn
georganiseerd.
Voor het hoger beroep ligt dat anders. Het kabinet meent dat hier in beginsel een taak is weggelegd
voor de reguliere rechtspraak, overeenkomstig de huidige situatie bij de meerderheid van de
beroepen. Vanzelfsprekend wordt het hoger beroep zodanig geregeld dat er verbondenheid blijft
bestaan tussen de tuchtrechtspraak en de betrokken beroepsgroep c.q. de tuchtcolleges in eerste
aanleg. Dit kan bijvoorbeeld worden vormgegeven door de inrichting van specifieke kamers, waarin
leden (zowel rechters als beroepsgenoten) van de thans functionerende beroepscolleges zitting
kunnen nemen. Een zekere continuiteit in de samenstelling van de kamers ook wat betreft de
rechtsgeleerde leden is daarbij overigens van belang om een bestendige lijn van jurisprudentie te
kunnen ontwikkelen.
In de nieuwe situatie wordt het procesrecht geharmoniseerd en ontstaat er een
maatregelencatalogus12. Alleen al vanwege de rechtsgelijkheid daarvan, is concentratie van het
hoger beroep noodzakelijk. In overleg met de Raad voor de rechtspraak wordt bezien welk college
de meest aangewezen rechterlijke instantie is om die taak op zich te nemen.
Het kabinet heeft besloten het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg niet in deze operatie
te betrekken. Het tuchtrecht voor de gezondheidszorg heeft pas relatief kort geleden zijn huidige
structuur gekregen. Het is onwenselijk om wederom een organisatieverandering teweeg te brengen.
Ook zijn de zaaksaantallen waarover dit college jaarlijks in hoger beroep een uitspraak doet,
dusdanig dat een aparte organisatie te rechtvaardigen is.
Tuchtrechtspraak in eerste aanleg gepositioneerd bij reguliere rechtspraak
Een aantal colleges is op dit moment gepositioneerd bij de rechtspraak: advocatuur, notariaat en
gerechtsdeurwaarders. Voor de accountants is dit voorgesteld in het wetsvoorstel tuchtrechtspraak
12 Zie hierna paragraaf 4.
9/18
5519448/07/ 7 december 2007
accountants13. Het kabinet meent dat er aanleiding is voor deze colleges te komen tot
organisatorische uniformering. In eerste aanleg zullen er bij maximaal vijf rechtbanken14 faciliteiten
aanwezig zijn waar deze tuchtcolleges zitting houden. De rechtbank levert de rechter-voorzitter,
ondersteuning en andere beheersmatige en logistieke faciliteiten. In een aanvulling op het
financieringsbesluit voor de reguliere rechtspraak zal het kabinet de financi?le en beheersmatige
randvoorwaarden regelen die gaan gelden voor deze tuchtcolleges. Dit systeem zal aansluiting
vinden op het systeem van de reguliere rechtspraak (zie hierna paragraaf 7).
Tuchtrechtspraak in eerste aanleg los van de reguliere rechtspraak
De andere tuchtcolleges in eerste aanleg, zoals de tuchtcolleges voor zeevarenden en
octrooigemachtigden, zijn op dit moment buiten de rechtbanken georganiseerd. Deze colleges
kunnen blijven bestaan. In eerste aanleg zullen er op maximaal vijf locaties kamers worden ingesteld
waar deze tuchtcolleges zitting houden. Deze colleges behouden een jurist als voorzitter. Anders
dan het rapport Huls voorstelt, is het volgens het kabinet echter niet noodzakelijk dat deze voorzitter
een rechter moet zijn afkomstig uit de reguliere rechtspraak15.
Overige inrichtingsaspecten
Voor de verschillende beroepsgroepen wordt in eerste aanleg recht gesproken door twee
beroepsbeoefenaren en een jurist als voorzitter. Net als in de Wet tuchtrechtspraak
bedrijfsorganisatie 2004 is het voor ingewikkelde zaken mogelijk om met vijf leden zitting te houden,
zulks ter beoordeling van het college. De leden-beroepsgenoten worden in het vervolg op voordracht
van het bestuur van de desbetreffende beroepsorganisatie op uniforme wijze benoemd. Hier zijn
uitzonderingen mogelijk wanneer zulke overkoepelende beroepsorganisaties ontbreken. Hun
benoemingstermijn wordt vastgesteld op zes jaar. De maximale leeftijd van de beroepsgenoten
wordt gelijkgesteld aan die van een rechter.

4. Tuchtrechtelijke maatregelen.
Maatregelencatalogus
De verschillende maatregelen die de tuchtrechters nu kunnen opleggen, vinden geen basis in de
13 Kamerstukken II 2005/06, 30 397, nr. 1 e.v.
14 Voor de notarissen betekent dit een verandering, daar hun tuchtrecht thans plaatsvindt op 19
locaties.
15 Voor de duidelijkheid: natuurlijk kan een rechter of raadsheer in zijn vrije tijd als nevenfunctie de
jurist-voorzitter zijn. Hij is het dan echter niet qualitate qua vanwege zijn hoofdfunctie als rechter,

10/18
5519448/07/ 7 december 2007
verschillen van de desbetreffende beroepen. Uit het rapport Huls blijkt echter ook dat er, ondanks de
verschillen, wel een duidelijke rode draad is. Met die rode draad lijkt de tuchtrechter voldoende
variatie te hebben in zijn maatregelencatalogus. Het kabinet stelt daarom voor een uniforme
maatregelencatalogus voor de tuchtrechters te laten bestaan uit16:
o gegrondverklaring zonder oplegging van een maatregel.
o waarschuwing
o berisping
o boete van 3 euro (art.23, tweede lid, Sr.) tot maximaal 16.750 euro (art.23, vierde
lid, vierde categorie, Sr.)
o schorsing van maximaal een jaar (ook als ordemaatregel)
o ontzetting uit het ambt (doorhaling in het register)
o schadevergoedingen tot de competentiegrens van de kantonrechter in
handelszaken (art.93, onder a., Rv.)
o publicatie
o (stille) bewindvoering
Tuchtrechtelijke maatregelen moeten niet alleen straffend werken voor overtredingen uit het
verleden, maar ze moeten ook richting kunnen geven voor het vervolg van de beroepsuitoefening.
De maatregelen kunnen daarom ook voorwaardelijk worden opgelegd.
Het rapport Huls stelt expliciet dat de waarschuwing als lichtste maatregel volstaat. Het kabinet
bereiken echter signalen vanuit de kringen van tuchtrechters, dat er soms wel de behoefte bestaat
om gegrond te kunnen verklaren, zonder een maatregel op te leggen. Daarom wordt de
gegrondverklaring zonder maatregel in de maatregelencatalogus opgenomen.
De tuchtrechter kan voorlopige voorzieningen treffen.
Schadevergoeding
De burgerlijke rechter heeft de bevoegdheid om schadevergoedingen toe te kennen. De
meerderheid van de tuchtrechters heeft die bevoegdheid nu nog niet17. Het komt nu voor dat een
klager zich eerst wendt tot de tuchtrechter, om zich vervolgens met een voor hem positieve uitspraak
maar vanwege het zijn van jurist. Hij wordt voor deze functie anders dan bij de rechtbank
gepositioneerde colleges, niet betaald door de rechtbank, maar door het tuchtrechtelijke college.
16 De aard van de beroepen kan overigens met zich brengen dat bepaalde maatregelen geen
betekenis hebben voor bepaalde beroepen.
17 De uitzondering zijn de tuchtcolleges voor advocaten en veterinairen, die deze bevoegdheid in
beperkte mate hebben.

11/18
5519448/07/ 7 december 2007
tot de burgerlijke rechter te wenden om daar een schadevergoeding te krijgen. Het kabinet wil
dergelijke dubbele procedures zoveel mogelijk voorkomen. Het kabinet stelt daarom voor dat de
tuchtrechters de facultatieve bevoegdheid krijgen om schadevergoeding op te leggen tot de hoogte
van de competentiegrens van de kantonrechter in handelszaken (nu 5.000 euro). Een uitzondering is
alleen denkbaar in die sectoren waarin aan drie voorwaarden is voldaan:
1) de hoogte van de schades zal doorgaans de grens van 5.000 euro overstijgen, 2) het zal
doorgaans ingewikkelde situaties betreffen en
3) er zijn andere, eenvoudige manieren om kleine schades vergoed te krijgen.
Het kabinet is, na raadpleging van de partijen in de gezondheidszorg, tot de overtuiging gekomen dat
in de gezondheidszorg een bevoegdheid tot facultatieve (beperkte) schadevergoeding, toe te kennen
door de tuchtrechter, niet wenselijk is. Immers, de aard, omvang en complexiteit van schade in de
gezondheidszorg is dusdanig dat uitoefening van die bevoegdheid zich niet goed laat indenken. Zo’n
bevoegdheid zou dan eerder verkeerde verwachtingen scheppen bij de burger. Bovendien bestaan
in de gezondheidszorg andere eenvoudige mechanismen om beperkte schadevergoeding te
verkrijgen, zoals alternatieve geschillenregelingen.
Met het rapport Huls is het kabinet van mening dat het een facultatieve mogelijkheid moet zijn voor
de tuchtrechter om een oordeel te vellen over de hoogte van de schadevergoeding. Indien de
tuchtrechter dat niet aangewezen acht, is hij daar niet toe gehouden, bijvoorbeeld als het verzoek om
schadevergoeding te complex van aard is. Indien omgekeerd de tuchtrechter w?l gebruik maakt van
zijn bevoegdheid schadevergoeding toe te kennen, doet dat niet af aan de bevoegdheid van de
gewone rechter te oordelen over de burgerlijke rechtsbetrekking tussen de beroepsbeoefenaar en
zijn cli?nt. Voor veel eenvoudige zaken zal dit stelsel echter bijdragen aan het verminderen van
zowel de lasten van de klager, als van de beroepsbeoefenaar, als van de rechterlijke macht.
Bij de uitwerking van dit kabinetsstandpunt in een wetsvoorstel zal uiteraard rekening gehouden
worden met de constitutionele grenzen die artikel 112 van de Grondwet in dit verband stelt. Dit artikel
stelt in het eerste lid dat de berechting van geschillen over burgerlijke rechten en schuldvorderingen
is opgedragen aan de rechterlijke macht. Deze bevoegdheid is niet exclusief voor zover het betreft
de berechting van geschillen die niet uit burgerlijke rechtsbetrekkingen zijn ontstaan, zo volgt uit het
tweede lid. In die gevallen kan de wetgever de berechting ook opdragen aan gerechten die niet tot
de rechterlijke macht behoren. Tuchtrechtelijke colleges behoren niet per definitie tot de rechterlijke
macht. Het kabinet meent op voorhand dat een geschil dat ter beoordeling voorligt bij de tuchtrechter
kan worden beschouwd als niet ontstaan uit een burgerlijke rechtsbetrekking. Het gaat bij de
tuchtrechter immers niet om de contractuele aansprakelijkheid van de beroepsbeoefenaar jegens

12/18
5519448/07/ 7 december 2007
zijn client, maar om de vraag of de beroepsbeoefenaar in zijn beroepsuitoefening voldoet aan de
publieke eisen die daaraan worden gesteld. Het gaat bij het wettelijk tuchtrecht dus om het
openbaar belang gemoeid met een goede beroepsuitoefening. Zo zal ook schadevergoeding toe te
kennen door de tuchtrechter geen betrekking kunnen hebben op civielrechtelijke aansprakelijkheid
op grond van wanprestatie of onrechtmatige daad, maar zal zij verband moeten houden met de
publieke aard van het tuchtrecht. Dat is bijvoorbeeld het geval bij de thans reeds door artikel 48b,
eerste lid, van de Advocatenwet geopende mogelijkheid voor de tuchtrechter schadevergoeding op
te leggen als bijzondere voorwaarde bij het opleggen van een tuchtmaatregel. Zoals bij de
behandeling van die bepaling nadrukkelijk door de wetgever is onderkend, laat die mogelijkheid
onverlet de bevoegdheid van de gewone rechter te oordelen over schadevergoeding op grond van
wanprestatie of onrechtmatige daad. Een stelsel als hier geschetst respecteert de grenzen die de
Grondwet stelt. Daaraan doet niet af dat een klager die reeds schadevergoeding door de
tuchtrechter heeft toegekend gekregen in veel gevallen geen reden meer zal zien zich ook nog tot de
gewone rechter te wenden - en dat is winst.
Kandidaat-beroepsbeoefenaren
Het kabinet meent dat er bij die beroepsgroepen die kandidaat-beroepsbeoefenaren kennen of
voorlopig toegelatenen, behoefte bestaat aan specifieke maatregelen voor die personen. Het kabinet
denkt daarbij aan uitstel (of afstel) van de definitieve benoeming en aan het stellen van aanvullende
eisen in de sfeer van educatie. De uitwerking hiervan zal nog nader worden bezien.
5. Een ruimer bereik van het tuchtrecht.
Subject van tuchtrechtspraak
Het tuchtrecht richt zich op de individuele beroepsbeoefenaar. Het komt echter voor dat niet een
beroepsbeoefenaar maar een groep van beroepsbeoefenaren in teamverband of elkaar opvolgend in
een procedure of ketenverband, voor een client werken. Voor degene die een klacht wil indienen bij
de tuchtrechter, is het hierdoor soms niet duidelijk wie verantwoordelijk is voor het handelen
waarover de client wil klagen. Voorbeeld is de patient die is behandeld door een team van medisch
specialisten of een cli?nt die wordt bijgestaan door een aantal advocaten. Het kabinet deelt het
standpunt van het rapport Huls dat het mogelijk dient te zijn een klacht in te dienen tegen een
collectief van beroepsbeoefenaren dat voor een client in teamverband heeft gewerkt. Voorwaarde is
dat het beroepsbeoefenaren betreft die onder dezelfde tuchtrechter vallen: de tuchtrechter is immers
niet bevoegd om tegen niet-beroepsgenoten op te treden.
Rechtspersonen zullen (overeenkomstig het rapport Huls) niet onder het bereik van tuchtrecht

13/18
5519448/07/ 7 december 2007
worden gebracht. Voor het aansprakelijk stellen van rechtspersonen is het civiele recht meer
aangewezen. Het tuchtrecht dient beperkt te blijven tot beroepsbeoefenaren.18
De tuchtrechter wordt geacht, in situaties waarin sprake is van een klacht tegen een collectief van
beroepsbeoefenaren, bij aanvang van de procedure te bepalen of hij de zaken tegen de
verschillende beroepsgenoten wil voegen of ze afzonderlijk wil behandelen. Ook wanneer zaken
worden gevoegd, dient de tuchtrechter bij de totstandkoming van zijn oordeel zich te (blijven) richten
op het handelen van de individuele beroepsbeoefenaren afzonderlijk, daarbij rekening houdende met
mogelijke effecten van samenwerking of opeenvolging.
Ongedeeld tuchtrecht
Met het rapport Huls gaat het kabinet uit van een ongedeeld tuchtrecht. Dat betekent dat alle
activiteiten die een beroepsbeoefenaar in zijn hoedanigheid beroepsmatig uitoefent onder het bereik
van de tuchtrechter vallen19. Dit geldt ook als het activiteiten zijn die niet tot het wettelijk monopolie
van de beroepsgroep behoren. Denk aan de advocaat die als juridisch adviseur optreedt of de
accountant die fiscaal advies geeft. Voor activiteiten die niet beroepsmatig worden uitgeoefend geldt,
dat zij onder het tuchtrecht kunnen vallen als ze het vertrouwen in het hoofdambt schaden.

6. Kenbaarheid van tuchtrecht.
Preventieve en educatieve dimensie
Op dit moment worden uitspraken van tuchtcolleges in het openbaar gedaan en (in ieder geval) aan
de direct betrokkenen bekend gemaakt. Tuchtrecht heeft naar zijn aard echter niet alleen belang
voor de partijen in een specifieke zaak. Van een aantal colleges worden de uitspraken daarom ook
nu al op internet gezet of (geannoteerd) in de vakbladen gepubliceerd.20 Het kabinet meent dat door
het op een meer structurele wijze kenbaar maken van tuchtrechtelijke uitspraken, de functie van het
tuchtrecht kan worden versterkt. Van het tuchtrecht zou, nog meer dan nu het geval is, een
educatieve en preventieve werking uit kunnen gaan. Educatief, wanneer de jurisprudentie wordt
benut in de beroepsopleidingen en permanente educatie en wordt besproken in de vakliteratuur21.
Preventief, in de zin dat wanneer de jurisprudentie breed bekend wordt gemaakt, het
18 Het is wellicht nuttig om te stellen dat er naast het tucht- en privaatrecht ook andere mechanismen
zijn waarmee rechtspersonen aangesproken kunnen worden. Dit wordt in dit kabinetsstandpunt
verder niet uitgewerkt.
19 Dit betekent dat de arts die als manager handelt voor dat handelen in principe buiten het bereik
van het artsentuchtrecht valt; immers hij handelt dan niet in de hoedanigheid van arts.
20 Zie blz.60-61 van het rapport Huls voor een overzicht.
21 Hiermee wordt tevens een extra instrument geboden om de tuchtrechtelijke kennis van
tuchtrechters en leden-beroepsgenoten op peil te houden, zoals het rapport Huls aanbeveelt.

14/18
5519448/07/ 7 december 2007
beroepsgenoten van bepaalde handelingen kan weerhouden en clienten/patienten kan informeren
over de kwaliteit van de dienstverlening.
Openbare toegankelijkheid van uitspraken
Het kabinet onderschrijft de visie van het rapport Huls dat de toegankelijkheid van tuchtrechtelijke
uitspraken dient te worden verbeterd. Naast de preventieve en educatieve werking in de richting van
de beroepsgenoten, versterkt een verbeterde publieke toegankelijkheid de informatievoorziening aan
en daarmee de positie van (potentiele) klagers. Bovendien wordt hiermee tegemoet gekomen aan de
rijksbrede doelstelling van een transparante overheid: de uitspraken van de tuchtrechtelijke colleges
moeten immers worden gerekend tot het publieke domein. Daarom stelt het kabinet voor om over te
gaan op publicatie van alle tuchtrechtelijke uitspraken op internet. Het advies van het rapport Huls
om uitspraken waarbij de tuchtrechtelijke maatregel van ‘waarschuwing’ is opgelegd niet te
publiceren, wordt in dit verband niet overgenomen. In de optiek van het kabinet versterkt juist het ook
publiceren van waarschuwingen namelijk de preventieve werking van het tuchtrecht. Uitspraken
zullen vooraf worden geanonimiseerd, tenzij anders is bepaald door de tuchtrechter die
verantwoordelijk is voor de uitspraak.
Voor de tuchtrechter, beroepsorganisaties en het openbaar ministerie zullen ook de naam en
tuchtrechtelijk verleden van de beroepsbeoefenaar opvraagbaar zijn. Voor de tuchtrechter,
beroepsorganisaties en het openbaar ministerie blijven de tuchtrechtelijke veroordelingen in de
registers altijd opvraagbaar. Voor het publiek is hieraan een termijn verbonden van 10 jaar voorzover
het gaat om niet-geanonimiseerde uitspraken.
Het kabinet streeft ernaar de uitspraken middels een centrale website te ontsluiten.
7. Financiering.
Financieringsmodel
Op dit moment is er nog geen uniforme regeling voor de financiering van de tuchtcolleges. Voor de
bij de reguliere rechtspraak gepositioneerde tuchtcolleges zal gaan gelden dat de financi?le
compensatie van de rechtbanken voor de dienstverlening aan deze tuchtcolleges zal moeten
aansluiten op de bestaande financieringsregeling van de reguliere rechtspraak. De rechtbanken
waarbij de colleges zijn gepositioneerd, zullen daarvoor worden gecompenseerd.
Voor de tuchtcolleges los van de reguliere rechtspraak, is het de verantwoordelijkheid van het
beleidsverantwoordelijke ministerie om in overleg met de beroepsgroep en het tuchtcollege tot een
adequate financieringsregeling te komen.

15/18
5519448/07/ 7 december 2007
Verdeling kosten
Waar nu voor de meerderheid van de beroepen de Staat de colleges bekostigt, acht het kabinet het
principieel gewenst dat een beroepsgroep een bijdrage levert aan de kosten van de eigen
tuchtrechtspraak. Het tuchtrecht dient immers ter bewaking van het goed functioneren van de
beroepsgroepen. Dit impliceert dat de beroepsgroep een belang heeft in eigen tuchtrecht als
sluitstuk van het kwaliteitsbewakingssysteem van de beroepsgroep. Het laten betalen van de
tuchtrechtspraak door de beroepsgroep is een duidelijke prikkel om door (preventief) kwaliteitsbeleid,
een goede klachtenregeling en goed toezicht het aantal te behandelen zaken laag te houden. Het
kabinet stelt daarom voor dat in beginsel de kosten van de eerste aanleg voor rekening komen van
de beroepsgroep. Daarbij is overigens maatwerk mogelijk. Zo is denkbaar dat bij wijze van
overgangsmaatregel het voor een beroepsgroep beleidsverantwoordelijke ministerie blijft
(mee)betalen. Er kunnen ook andere redenen zijn waarom een ministerie in plaats van de
beroepsgroep de kosten draagt (bijvoorbeeld omdat een publiekrechtelijke beroepsorganisatie
ontbreekt of omdat een ministerie in de bredere context van het desbetreffende kwaliteitsbeleid met
de beroepsorganisaties een andere verdeling van financiele verantwoordelijkheden kiest).
Het voor de beroepsgroep beleidsverantwoordelijke ministerie maakt afspraken over de bijdrage van
de beroepsgroep aan de financieringswijze waar de kosten van de eerste aanleg voor rekening
komen van de beroepsgroep. De bijdrage wordt betaald aan het ministerie en beschikbaar gesteld
aan het tuchtcollege (colleges los van de reguliere rechtspraak), danwel deze wordt als
compensatiebedrag door tussenkomst van het Ministerie van Justitie betaald aan de Raad voor de
rechtspraak (colleges bij de rechtbanken gepositioneerd).
De Staat zal de kosten voor het hoger beroep gaan betalen. Daar waar het hoger beroep op dit
moment buiten de reguliere rechtspraak plaatsvindt, zal een overgangsmaatregel worden getroffen
om de kosten van hoger beroep voor rekening te laten komen van het desbetreffende ministerie.
Bezoldiging
Over het algemeen zal de uitoefening van de functie van voorzitter of lid van een tuchtcollege in
deeltijd plaatsvinden. De inzet van de rechters in de bij de rechtbanken gepositioneerde colleges
zullen aan de rechtbank, waarbij de rechter is benoemd, worden gecompenseerd voor het aantal
fte’s dat wordt besteed aan de uitoefening van de functie ten behoeve van het tuchtrecht. Deze
compensatie zal via de Raad voor de rechtspraak op jaarbasis worden geregeld. Voor de
bezoldiging van de leden van de beroepsgroep in de tuchtcolleges dient in overleg met de
beroepsgroepen een vacatiegeldregeling te worden getroffen. Deze vacatiegeldregeling wordt ook
toegepast voor de beroepsgenoten in de zelfstandige colleges die buiten de rechtbanken zijn

16/18
5519448/07/ 7 december 2007
georganiseerd. De juristen die in die colleges voorzitter zijn, zullen worden bezoldigd op een uniform
niveau.
8. WODC-onderzoek.
Bij brief van 15 november 2007 (kenmerk 5516989/07/6) heb ik u het rapport Omvang wettelijk niet hierarchisch tuchtrecht 2001-2006 aangeboden. Het WODC heeft met het oog op het komende
wetsvoorstel over tuchtprocesrecht een onderzoek laten uitvoeren naar de (kort gezegd)
kwantitatieve dimensie van het huidige tuchtrecht. Een aantal elementen uit het onderzoek kan
tevens van belang zijn voor de keuzes die nog gemaakt moeten worden bij de uitwerking van dit
kabinetsstandpunt.
De Staatssecretaris van Justitie,

17/18
5519448/07/ 7 december 2007
Bijlage: aanbevelingen rapport Huls.
• De werkgroep is voorstander van een ongedeeld tuchtrecht
• De werkgroep acht het wenselijk dat voor elke beroepsgroep een onafhankelijk loket wordt
ingesteld waarbij klagers met al hun klachten tegen leden van een bepaalde beroepsgroep terecht
kunnen.
• De werkgroep beveelt aan dat elke beroepsgroep een onafhankelijke klachtencommissie heeft.
• De werkgroep beveelt aan het aantal tuchtcolleges per beroepsgroep te beperken tot maximaal 5.
• De werkgroep beveelt aan de tuchtcolleges die thans nog toezichthoudende taken hebben hiervan
te ontdoen.
• De werkgroep acht het wenselijk dat bij nieuwe tuchtrechtelijke wetten en bij de herziening van
tuchtprocesrecht vanuit het oogpunt van uniformiteit de tuchtrechtelijke systematiek van de Wet
tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 als uitgangspunt genomen wordt.
• De werkgroep acht het wenselijk de bestaande tuchtrechtelijke wetgeving door te lichten met het
oog op het EVRM. Daar waar de tuchtrechtelijke wetgeving zich niet met het EVRM verdraagt dient
deze aangepast te worden.
• De werkgroep bepleit een check op de tuchtrechtelijke wetgeving in die zin dat alle rechters en
leden beroepsgenoten een vergoeding ontvangen in overeenstemming met de systematiek zoals in
dit rapport gesteld.
• De werkgroep acht het principieel gewenst dat de beroepsgroep een bijdrage levert aan de kosten
van de tuchtrechtspraak.
• De werkgroep acht het wenselijk dat tuchtrechtelijke wetten geactualiseerd worden.
• De werkgroep beveelt aan het tuchtprocesrecht zoveel mogelijk te harmoniseren.
• Ter bestrijding van de kosten van tuchtrecht acht de werkgroep het mogelijk een regeling voor
griffierecht te introduceren. Uitgangspunt hierbij is dat de klager wiens klacht gegrond wordt
verklaard het griffierecht vergoed krijgt.
• De werkgroep stelt voor een aanwijzing in de aanwijzingen voor de regelgeving te wijden aan de
inrichting van het tuchtprocesrecht. Deze aanwijzing kan gekoppeld worden aan het afwegingskader
in dit rapport.
• De werkgroep is geen voorstander van het onder het bereik van tuchtrecht brengen van
rechtspersonen. Het tuchtrecht dient beperkt te blijven tot beroepsbeoefenaren. Wel dient het
mogelijk te zijn een klacht in te dienen jegens een groep beroepsbeoefenaren die voor een client in
teamverband hebben gewerkt, mits het beroepsbeoefenaren van dezelfde beroepsgroep betreft.
• De werkgroep acht het gewenst dat de tuchtrechter een gelimiteerde vorm van schadevergoeding
kan toekennen. In aansluiting op de competentiegrens van de kantonrechter acht de werkgroep een
18/18
5519448/07/ 7 december 2007
schadevergoeding tot een bedrag van 5 000 euro mogelijk.
• De werkgroep vraagt de aandacht voor het op peil houden en brengen van tuchtrechtelijke kennis
van tuchtrechters en leden beroepsgenoten.
• De werkgroep beveelt aan alle tuchtrechtelijke uitspraken voor het publiek toegankelijk te maken op
een website conform rechtspraak.nl.