|
Opinie
VVD: Meldplicht medische fouten nodig
Bron: Medisch ondernemen april 2011
|
Een driejarig meisje heeft haar arm gebroken. In het ziekenhuis zet dokter De B. hem in het gips. Te strak, blijkt na enkele weken. De arm van het meisje valt niet te redden en moet geamputeerd worden. Dan blijkt dat dit incident niet op zichzelf staat.
Al jaren begaat dokter De B. fout na fout. Toch kan hij zijn gang blijven gaan, ondanks het feit dat meerdere collega's daarvan op de hoogte zijn. Na een uitzending van Radar in januari bleken 325 patiënten klachten te hebben over De B., hun aandoeningen variërend van chronische pijn tot levenslange invaliditeit. Wij willen patiënten beschermen tegen dit soort wanpraktijken.
Medische missers
Slecht functionerende artsen komen in Nederland gelukkig weinig voor. We mogen blij zijn met de kwaliteit van onze zorgmedewerkers. Maar ieder incident is er één te veel, en heeft grote gevolgen. Patiënten die voor hun leven lang getekend zijn, arbeidsongeschikt worden of zelfs overlijden. De missers worden vaak door ondeskundig handelen of het gebruik van alcohol en drugs veroorzaakt. Volgens internationaal onderzoek overlijden in Nederland per dag circa 20 mensen en worden evenveel invalide door medische fouten in ziekenhuizen.
Waar mensen werken, kunnen altijd fouten worden gemaakt. Maar structurele wanpraktijken moeten we aan de kaak stellen. Degenen die hier het best zicht op hebben zijn de collega's van slecht functionerende artsen. Zij werken met hen samen of moeten de fouten naderhand oplossen.
Geen meldingen disfunctioneren artsen
In de praktijk blijkt dat collega's het disfunctioneren van artsen zelden bespreken. Er bestaat wel een gedragscode, opgesteld door de beroepsgroep zelf, maar deze zorgt voor weinig meldingen. Dit komt mede door de sterke hiërarchie in de artsenwereld. Het is ongebruikelijk om uit de school te klappen over een disfunctionerende collega. Sommige artsen doen geen melding om op die manier goodwill te creëren, voor het geval dat ze zelf ooit een fout maken. Anderen durven niet, uit angst voor represailles.
Dat is niet geheel onbegrijpelijk: sommige artsen hebben veel macht binnen de medische wereld. Zo moest de fysiotherapeut, die het functioneren van dokter De B. aan de kaak stelde, dit bekopen met een schorsing. Hij zal in de toekomst niet snel meer een incident melden, terwijl het juist zo belangrijk is om in een vroeg stadium in te grijpen.
Meldplicht ernstige incidenten gezondheidszorg
Daarom pleit de VVD voor een wettelijke meldplicht voor artsen en andere hulpverleners om ernstige incidenten in de gezondheidszorg aan de kaak te stellen. Zo moet voorkomen worden dat slecht functionerende artsen hun werk kunnen voortzetten. Bij (verwijtbaar) niet melden moeten sancties volgen, mogelijk in lijn met het Tuchtrecht, zoals een boete, berisping of schorsing.
Van deze wettelijke meldplicht zal een sterkere werking uitgaan dan van de huidige gedragscode. Daarnaast is er een cultuuromslag nodig in de zorg, die veel transparanter moet worden.
Artsen en hulpverleners hebben de morele verplichting om slecht functionerende collega's aan te spreken en wanpraktijken te melden. Dat is voor de disfunctionerende arts onaangenaam en slecht voor zijn carrière, maar voor patiënten een zaak van leven of dood.
|
Nieuwe Orde-voorzitter Frank de Grave kent een bewogen begin
Bron: Medisch Contact, 9 december 2010
Voor het eerst in de historie hebben de medisch specialisten een niet-medicus als voorzitter. In Den Haag mogen ze wel uitkijken, glimlacht Frank de Grave: ‘De Orde heeft nu ook iemand die weet hoe het werkt.’
Veel van de actuele kwesties gaan over geld.
Dat doet bijna vergeten dat de kwaliteit van zorg ook een topprioriteit van de Orde is. Een thema waar niet de expertise van De Grave ligt. Hij zal er zich ook niet profileren, belooft hij. ‘Niemand hoeft bang te zijn dat ik binnenkort interviews geef over medisch-inhoudelijke kwesties.
Verlengde arm
Bron: Medisch Contact, 24 juni 2009, door hoofdredacteur Ben Crul
Wie mag wat doen met een patiënt? Dat is de Wet BIG in een notendop. Vroeger delegeerde u als arts en hoofdbehandelaar, taken volgens de ‘verlengde-armconstructie’ aan bijvoorbeeld verpleegkundigen, maar sinds de invoering van de Wet BIG hebben die verpleegkundigen als zelfstandig BIG-geregistreerden hun eigen afgebakende bevoegdheden waarvoor ze ook zelf tuchtrechtelijk verantwoordelijk zijn. Het zijn hun ‘voorbehouden handelingen’.
Dit thema komt in diverse variaties aan bod in Medisch Contact, zowel in positieve als in negatieve zin. Die fraaie verlengde arm van u wordt eigenlijk alleen nog maar uitgeschoven als u taken delegeert aan een (nog) niet-BIG-geregistreerde functionaris of als u taken delegeert die formeel buiten de scoop vallen van degene aan wie u delegeert.
Het eerste is eigenlijk van toepassing op de physician assistant (PA) van wie de soms dokterachtige bevoegdheden nog op goedkeuring van het parlement wachten (blz. 1148). Niks mis mee, blijkt uit de praktijk.
Het tweede geldt voor de praktijkverpleegkundige uit de tuchtzaak op bladzijde 1160, die eigenmachtig een huisvisite bij een spoedpatiënte aflegde en daarmee haar bevoegdheden te ver oprekte. Behalve zijzelf kreeg ook de huisarts een tuchtrechtelijke veroordeling, omdat de patiënte formeel niet de praktijkverpleegkundige belde maar de huisartsenpraktijk. En daarvoor is de arts verantwoordelijk. Zo zijn de spelregels nu eenmaal. Om taakdelegatie veilig – voor zowel patiënt als arts – te kunnen waarmaken, is het raadzaam om bij overdracht steeds ‘opdracht’, ‘instructie’ en ‘checken van bekwaamheid’ als drieslag in het medische achterhoofd te houden.
Je kunt het natuurlijk ook te bont maken met de spelregels, zoals de IGZ dat in de oncologische zorg wil (blz. 1167). Daar wordt een bureaucratisch monstrum geschapen waarvan we er in de gezondheidszorg al veel te veel hebben. Het punt is bereikt waarop de ‘formulierenmaffia’ de zorg eerder slechter dan beter aan het maken is. De gedelegeerde inzet van nurse practitioners en physician assistants zorgt er in de oncologische zorg juist voor dat het multidisciplinaire proces soepel verloopt. Misschien moeten de regel-, procedure- en beleidsmakers hun steeds langere armen eens een beetje intrekken in het belang van de goede geboden zorg. Kwaliteit beklijft nu eenmaal beter als het van binnenuit ‘ontstaat’, dan als het van buiten wordt opgelegd. Maar daarvoor is vertrouwen in u nodig, dat wel
Kroniek Medische Aansprakelijkheid
Mr J. Meyst-Micheis1
In deze kroniek wordt een overzicht gegeven van de huidige stand van zaken in het medisch
aansprakeiijkheidsrecht. Met overzicht ziet op de ontwikkelingen in de afgelopen tien jaren, maar
dikwijls zal verwezen worden naar wat 'oudere' arresten van de Hoge Raad, wanneer daarin
rechtsregels zijn gegeven die thans, al dan niet genuanceerd of aangescherpt, nog steeds gelden.
Niet zal in deze kroniek ingegaan worden op het arrest van baby Kelly2, hoe spraakmakend dit ook
was; omdat het arrest vooral ziet op de omvang van het vorderingsrecht van eisers en niet zozeer op
medische aansprakelijkheid. Het onzorgvuldig handelen van de verloskundige in het LUIVIC3 plaatste
het arrest in de context van de medische aansprakelijkheid, maar voor de aansprakelijkheid zelf
bevatte het arrest geen opzienbarende overwegingen.
Ditzelfde geldt voor het wrongful birth-arrest4.
Het medisch aansprakeiijkheidsrecht5 neemt geen bijzondere plaats in ten opzichte van het algemene
civiele aansprakeliijkheidsrecht. Weiliswaar is met de invoering van boek 7, titel 7, afdeling 5 BW6 een
aantal bijzondere bepalingen opgenomen dat specifiek betrekking heeft op de geneeskundige
behandelingsovereenkomst, maar dat laat onverlet dat het regime van boek 6 BW onverkort geldt.
inspanningsverplichting
De aansprakelijkheid van de arts7 vloeit meestal voort uit een overeenkomst en in het bijzonder de
geneeskundige behandelingsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 7:446 BW. In de dagelijkse
praktijk wendt een patient zich tot een ziekenhuis of een arts met een hulpvraag. Wordt daarop
ingegaan, dan ontstaat de behandelingsovereenkomst8. De (geneeskundige)
behandelingsovereenkomst brengt in het algemeen een inspanningsverplichting van de arts met zich
mee en geen resultaatsverplichting. Dit is te verklaren door de omstandigheid dat het menselijk
lichaam dermate complex is dat niet altijd voorspelbaar is hoe dit op een bepaalde behandeling zal
reageren, terwijl dit ook nog eens per patient verschillend kan zijn. Het is dan ook meestal niet
mogelijk om van een bepaald resultaat verzekerd te zijn.
Er zijn wel situaties denkbaar waarin een resultaatsverplichting van de arts evident is. Zo zal het juiste
been geamputeerd moeten worden. De rechtbank Alkmaar heeft op 11 februari 20049 overwogen dat
in sommige gevaiien bij een geneeskundige behandelingsovereenkornsi sprake kan zijn van een
zogenaamde resultaatsverbintenis. Die situatie doet zich voor indien partijen bij het aangaan van de
Advocaat/partner bij Van Benthem & Keulen Advocaten te Utrecht.
HR 18 maart2005, LJN: AR5213. NJ 2006, 606.
Leids Universitair Medisch Centrum, voorheen het Academisch Ziekenhuis Leiden.
HR 21 februari 1997 NJ 1999, 145
Geen fraai begrip, maar het dekt wel de lading.
Door velen ook wel WGBO (Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst) genoemd, tot ergernis van prof. T. Hartlief, die
in zijn preadvies: 'de staat van het privaatrechtelijke gezondheidsrecht' 2007 ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de
Ver6i~fiying voor sjezonuheiusrecht icrs urthaaide naarde gezoriuiiSiusrechtjunsteri orndat door het system atiscne gebruiK
van de term WGBO' het risico wordt gelopen dat vergeten wordt dat de regeling van de geneeskundige
behandelingsovereenkomst onderdeei uitmaakt van het Burgerlijk Wetboek, waarvan Boek 3 en 6 voor het privaatrechteiijk
gezondheidsrecht van groot belang zijn (SOU Uitgevers 2007). Vgl. ook prof. B. Sluijters, TvGR 1996, p. 2 e.v.
In dit artikel wordt voor de leesbaarheid medische hulpverlener veelal aangeduid als arts, maar bedoeid wordt iedere
medische hulpverlener.
In mijn 25-jarige 'medische aansprakelijkheidspraktijk' neb ik nimmer een claim gezien die uitsluitend was gebaseerd op
artikel 6:162 BW, onrechtmatige daad.
LJN: AO 3453. NJ 2004, 205.
overeenkomst de bedoeling hebben gehad dat de hulpverlener voor een bepaald en duidelijk
omschreven resultaat diende in te staan, dan wel dit geacht moet worden te zijn overeengekomen
gelet op hetgeen partijen bij het aangaan van de overeenkomst jegens elkaar hebben verklaard, de
betekenis die zij in de gegeven omstandigheden over en weer aan het verklaarde mochten toekennen
en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten10. in dit geval was de
patiente zwanger geworden ondanks de omstandigheid dat de huisarts bij haar maanden daarvoor het
anticonceptiemiddei Implanon had ingebracht. Dit middel bestaat uit een klein staafje dat met behuip
van een applicator onder de huid wordt ingebracht en dit zou dan ten minste drie jaar bescherming
bieden tegen zwangerschap. Bij echografisch onderzoek na de zwangerschap bieek het staafje niet
aanwezig. Een van de vragen die beantwoord moest worden was of de patiente ervan uit mocht gaan
dat het staafje zou worden ingebracht en daarmee dat de huisarts voor plaatsing daarvan instond en
dat hij zich niet slechts verbonden had tot het doen van de nodige inspanningen daartoe. Volgens de
rechtbank kwam bij de beantwoording van die vraag onder meer betekenis toe aan de mate van
gecompliceerdheid van de te verrichten handelingen. Tussen partijen was niet in geschil dat het hier
een voor een bekwaam en zorgvuldig handelend arts eenvoudige feitelijke handeling betrof.
Bovendien was bij het inbrengen niet ter sprake gekomen dat dit zou kunnen mislukken en voor de
rechtbank was dat aanleiding om te overwegen dat de patiente ervan uit mocht gaan dat de huisarts
er in ieder geval voor instond dat het staafje in haar lichaam zou worden ingebracht.
Over het anticonceptiemidde! Implanon worden meer procedures gevoerd, o.a. in Den Bosch11. Door
een 15-tal patienten was een vordering ingesteld tegen hun huisarts en tegen de fabrikant van
Implanon, Organon. Eiseressen waren alien, ondanks een Implanon-behandeling zwanger geworden.
De rechtbank achtte het uitgesloten dat het naderhand niet aantreffen van het staafje in de arm
toegeschreven moest worden aan een risico dat voor rekening van de patienten diende te blijven. De
rechtbank concludeerde dan ook dat de bewijslast op grond van de redelijkheid en billijkheid moest
worden omgekeerd en dat de huisarts diende aan te tonen dat hem ter zake van het inbrengen van
het staafje geen verwijt viel te maken. In dat geval zou Organon in beeld komen. Van dit vonnis is
zowel door de huisarts als door Organon hoger beroep ingesteld en dat heeft geleid tot het arrest van
het hof Den Bosch van 28 augustus 2007. in dat arrest is uitgebreid aan de orde gekomen welke
mogelijkheden zich hebben kunnen voordoen waardoor de vrouwen, ondanks de behandeling met
Implanon, toch zwanger konden raken. Daarover zullen deskundigen zich moeten uitlaten, waarbij het
bewijsrisico door het hof toch weer bij de vrouwen is gelegd. Voor omkering van de bewijslast is
volgens het hof slechts piaats in uitzonderlijke gevallen die zich hier niet voordoen. Niet heeft het hof
met zoveel woorden overwogen dat de artsen een resultaatsverplichting hadden om het staafje
adequaat in te brengen, maar wel heeft het hof overwogen dat van een redelijk handelend en
bekwaam arts verwacht mag worden dat het staafje adequaat wordt ingebracht.
De bewijslast is door het hof bij de vrouwen neergelegd omdat het anders zo zou kunnen zijn dat
hetzij de artsen, hetzij Organon, hetzij beiden aansprakelijk zouden zijn terwijl dat niet vast was komen
te staan. Bovendien heeft Organon aan haar ophelderingsplicht voldaan en de bewijsnood waarin de
vrouwen mogelijk verkeren geldt evenzeer voor Organon en de huisartsen. De procedure is verwezen
naar de rechtbank waarbij het hof al indicatief een vraagstelling in zijn arrest heeft opgenomen.
De inspanningsverplichting van de arts brengt met zich mee dat hij dient te handelen conform de
zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot onder vergelijkbare
omstandigheden mag worden verwacht12. In dit toetsingscriterium is met invoering van artikel 7:453
BW geen verandering gekomen. Op grond van dat artikel dient de hulpverlener bij zijn
werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht te nemen en blijkens de toelichting wordt
daarmee (nog steeds) bedoeld dat de arts zich dient te gedragen met inachtneming van de
10 Hier is duidelijk aansluiting gezocht bij de Haviltex-formule.
11 Vgl. rechtbank Den Bosch 15 juni 2005, NJF 2005, 286 en in hoger beroep hof Den Bosch 28 augustus 2007, LJN: BB 2385.
12 HP. 9 november 1990, NJ 1991, 26.Zie ook prof. H.J.J. Leenen Handboek Gezondheidsrecht, vierde druk, deel II, pag. 14 e.v.
zorgvuldigheid van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot. Of daarvan sprake is, kan
meestal niet alleen door een jurist beoordeeld worden, nu deze medische kennis ontbeert13.
Omdat voorlichting door medisch deskundigen van groot beiang is voor de beantwoording van de
vraag of de arts een zorgvuldigheidsnorm geschonden heeft, wordt veel gebruik gemaakt van het
vooriopig deskundigenbericht14. De afgelopen jaren is discussie ontstaan over de vraagstelling aan
deze deskundigen. Deze discussie ziet vooral op de vraag of aan een medisch deskundige de vraag
gesteld kan worden of zijn collega gehandeld heeft conform de zorgvuldigheid van een redelijk
handelend en redelijk bekwaam vakgenoot, dan wel conform de professionele standaard, zoals die
binnen de groep van de redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoten geldt. Volgens sommige
letselschadeadvocaten heeft deze vraag een normatief karakter en betreft het een juridische norm
waarvan de beoordeling aan een rechter is voorbehouden. Het hof Amsterdam denkt daar anders
over15.
Rol van het protocol
Om te bepalen wat de professionele standaard is, kan onder andere gekeken worden naar ter zake
bestaande protocollen, richtiijnen en standaarden. In zijn arrest van 2 maart 200116 heeft de Hoge
Raad overwogen dat het ongemotiveerd afwijken van een protocol een toerekenbare tekortkoming
oplevert. In deze zaak ging het om het handelen (of beter: niet handelen) van een orthopedisch
chirurg in het kader van een kijkoperatie in de knie van zijn patient. Het ziekenhuisprotocoi schreef
voor dat in dit soort gevallen antistolling moet worden gegeven, ter voorkoming van trombose. Toen
de patient daarna een trombosebeen kreeg, bleek dat de antistolling niet was toegediend. Ongeveer
anderhalf jaar later kreeg hij ook trombose in het andere been. Het hof Leeuwarden had het niet
volgen van de instructie in het protocol beoordeeld ais schending van een veiligheidsnorm1/. Het
ziekenhuis had onder meer als verweer gevoerd dat het toedienen van antistolling bij dit soort
ingrepen niet beschouwd kan worden als de professionele standaard18 omdat er binnen de
beroepsgroep geen consensus bestond over de juistheid van het gebruik van dit middel. Weliswaar
kon daarmee trombose worden voorkomen, maar het risico op een bleeding werd daardoor vergroot,
reden waarom in veel andere ziekenhuizen nu juist niet antistolling werd toegediend. Het achterwege
laten daarvan was dan ook niet in strijd met de geldende zorgvuldigheidsnorm. Dit verweer mocht niet
baten, nu in dit ziekenhuis de medicatie wel was voorgeschreven (in het protocol) en de patient
daarop ook had mogen vertrouwen. Het ongemotiveerd afwijken leverde een toerekenbare
tekortkoming jegens de patient op. De Hoge Raad heeft het arrest van het hof niet gecasseerd maar
hij heeft wel in het midden gelaten of sprake was van een veiligheidsnorm.
Dat een protocol de norm aangeeft en dus gevolgd moet worden (tenzij daarvan gemotiveerd kan
worden afgeweken) is te absoluut gesteld. Soms kan een protocol gebrekkig zijn en/of soms moet een
arts van een protocol afwijken indien dat in het specifieke geval in de rede ligt. In zijn arrest van 1 april
13 In het eerder gegeven voorbeeld van het verkeerde geamputeerde been zai een jurist, waarmee ook bedoeld wordt een
rechter, geen medische voorlichting nodig hebben. in de meeste gevallen zal echter voorlichting nodig zijn door een medisch
deskundige die kan informeren over wat de arts in het specifieke geval feitelijk heeft gedaan, over hoe de beroepsgroep in dit
soort gevalien handelt en wat in dit verband de professionele standaard is en die in dat verband kan aangeven of het
handelen van de arts binnen de grenzen van die standaard valt.
14 Op grond van artikel 202 Rv.
15 Beschikking van 24 augustus 2006, Nieuwsbrief Personenschade 2006, nr. 11. Volgens het hof valt niet in te zien waarom de
formulering van de betreffende vragen (waarin de redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot als norm werd gegeven)
zou duiden op een juridisch oordeel. In de vraag komt immers tot uiting wat voor de deskundige het toetsingskader moet zijn:
"De gangbare inzichten binnen de beroepsgroep op dat moment". Met betrekking tot die gangbare inzichten binnen de
beroepsgroep beschikt de deskundige volgens het hof nu juist over expertise, zodat hij de rechter daarover kan voorlichten.
Bovendien zijn die inzichten voor de juridische beoordeling van het medisch handelen van groot beiang, reden waarom er
ook naar is gevraagd, maar vallen zij met die juridische beoordeling zeker niet samen. Ook heeft de rechter steeds de vrijheid
zijn oordeel in plaats van dat van de deskundige te stellen".
16 NJ 2001, 649.
" Het verschil tussen een veiligheidsnorm en zorgvuldigheidsnorm wordt hierna nog beschreven in de paragraaf Causaliteit.
15 Conform de zorgvuldigheid van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot onder vergelijkbare omstandigheden.
200519 heeft de Hoge Raad overwogen dat van een arts mag worden verwacht dat hij van een
protocol afwijkt, indien een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot niet tot het door
het protocol voorgeschreven beleid had kunnen komen. In deze zaak ging het om een patiente die
voor een keizersnee preventief het antibioticum Augmentin kreeg toegediend, conform het protocol.
De patiente was echter overgevoelig voor peniciliine (dit zit onder andere in Augmentin) en zij kreeg
een ernstige reactie met als gevolg blijvend hersenletsel. In deze zaak was overigens de schade van
de patiente reeds vergoed, maar het ziekenfonds wilde regres nemen op het ziekenhuis, omdat dit
een ondeugdeiijk protocol had opgesteld waarin niet gewaarschuwd werd voor Augmentin bij
on penicilline-overgevoelige patienten .
Niet alleen een ziekenhuisprotocol kan bepalend zijn voor de invulling van de norm, ook landelijke
richtlijnen voor een bepaalde beroepsgroep kunnen dat zijn.
De rechtbank Utrecht21 heeft op 10 januari 2007 het handelen van verloskundigen getoetst aan de ten
tijde van de behandeling in de beroepsgroep algemeen aanvaarde normen, zoals weergegeven in de
Beroepsomschrijving Verloskundigen en het Verloskundig Vademecum. Een cliente van de
verloskundigen had een lichamelijk gehandicapt kind gekregen en de vraag was of de verloskundigen
haar niet voor een prenataal onderzoek hadden moeten verwijzen. Na toetsing aan de voor de
verloskundigen geldende richtlijnen, kwam de rechtbank tot het oordeel dat de verloskundigen niet
verwijtbaar tekort zijn geschoten in de nakoming van de behandelingsovereenkomst. Voor een nader
onderzoek bestond onvoldoende indicatie.
Tuchtnorm - civiele norm
Het medisch tuchtrecht is met ingang van 1 december 1997 opgenomen in de Wet op de Beroepen in
de Individuele Gezondheidszorg22, Daarvoor gold de Medische tuchtwet2j. Het tuchtrecht ziet met
name op de bewaking van de kwaliteit van de professionele beroepsuitoefening in de individuele
gezondheidszorg. Terwijl in het oude tuchtrecht de tuchtnormen in het kader van de
kwaliteitsbewaking gericht waren op (het voorkomen van) ondermijning van vertrouwen in de stand
der geneeskundigen, zien de huidige tuchtnormen niet alleen op het belang van een goede
uitoefening van de individueie gezondheidszorg, maar ook op het handelen conform de zorgplicht van
de arts24. Ook al gaat het in het civiele recht en in het tuchtrecht om verschillende normsteisels en
verschillende normatieve kaders, dan nog kan een toetsing in het tuchtrecht van belangrijke invloed
zijn op het oordeel in een civiele procedure25.
Voorbeeld hiervan is het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002 26, waarin overwogen is dat een
civiele rechter weliswaar mag afwijken van het oordeel van de tuchtrechter, maar dat dat afwijkend
oordeel dan wel zodanig gemotiveerd moet zijn dat dat ook in het licht van de beoordeling door de
tuchtrechter voldoende begrijpelijk is. Te denken valt daarbij dan aan een motivering met behulp van
verklaringen van een of meer deskundige(n).
19 GJ 2005, 57. NJ 2006, 377.
20 De Hoge Raad overwoog dat de opsteller van het protocol ervan mag uitgaan dat het wordt gehanteerd door redelijk
bekwame artsen en dat er dan ook geen gegevens dienen te worden gemeld die bij deze artsen bekend verondersteld
mogen worden. Een arts dient dan van het protocol af te wijken als dat nodig is.
21 LJN: AZ 6197
22 1993, Stb. 655: Wet BIG
23 Van 1928
24 De eerste tuchtnorm in artikei 47, lid 1, sub a van de Wet BIG heeft betrekking op het tekortschieten van de hulpverlener in de
zorgvuldigheid ten opzichte van de patient of diens naaste betrekkingen. Het gaat niet om de vraag of het handelen beter had
gekund, maar om het qeven van een antwoord op de vraag of de aangeklaaqde beroepsbeoefenaar binnen de grenzen van
een redelijk bekwame beroepsuitoefening is gebleven.
De tweede tuchtnorm (artikel 47, lid 1, sub b van de Wet BIG) heeft betrekking op gedragingen die niet door de eerste norm
worden besproken maar niettemin in strijd zijn met het algemeen beiang, gelegen in een goede uitoefening van de individuele
gezondheidszorg. Denk bijvoorbeeld aan hetfrauderen met onjuiste declaraties.
25 Prof. S.C.B. van Wijmen geeft in zijn noot onder het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2002 (vgl. noot 26) een overzicht
van het verschil tussen de tuchtnorm en de civiele norm. Hij merkt daarbij onder andere op dat de eerste tuchtnorm in artikel
47, lid 1 thans veel meer congrueert met de in het goed hulpverlenerschap vervatte verwijzing naar de medisch-professionele
standaard, zoals die in het civiele recht geldt.
26 NJ 2003, 151
In die zaak ging het om een neurochirurg, die op een verkeerd niveau een herniaoperatie had
uitgevoerd. De chirurg had voor het bepalen van het niveau de methode van palpatoire lokalisatie
toegepast2/, die binnen de beroepsgroep als meest gangbare werd beschouwd. Door een telfout is hij
toch op het verkeerde niveau uitgekomen. Volgens het medisch tuchtcollege was niet komen vast te
staan dat de operatie niet lege artis zou zijn verricht, terwijl de chirurg overeenkomstig de daarvoor
in de beroepsgroep ter zake geldende normen had gehandeld29. In de daarop gevolgde civiele
procedure hadden rechtbank en hof geoordeeld dat de neurochirurg niet gehandeld had conform de
zorgvuldigheid van een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakgenoot. Het hof overwoog dat de
keuze van de arts voor de methode van de palpatoire lokalisatie voor het bepalen van het
operatieniveau weliswaar niet onzorgvuldig was, maar dat bij de toepassing van deze methode
kennelijk onzorgvuldig is gehandeld. De Hoge Raad vernietigde het arrest, omdat het hof zijn oordeel
dat afweek van het oordeel van de tuchtrechter onvoldoende had gemotiveerd.
In zijn arrest van 6 maart 2007 heeft het hof Arnhem30 ondanks de omstandigheid dat de
aangesproken gynaecoloog door de tuchtrechter op de vingers was getikt31, de civiele vordering
afgewezen. In deze zaak ging het om een bevalling van een kind in stuitligging, welke bevalling zeer
moeizaam verliep waardoor de moeder geestelijk letsel had opgelopen. De bevalling was begeleid
door een relatief onervaren arts-assistent, die door de gynaecoloog verkeerd zou zijn gei'nstrueerd32.
Het hof had weiiswaar net als de tuchtrechter overwogen dat sprake was van onzorgvuldig handelen
van de gynaecoloog (hij had zich eerder moeten laten waarschuwen), maar dat bracht niet met zich
mee dat de gynaecoloog gehandeld had in strijd met de op hem rustende zorgplicht van een goed
hulpverlener gezien het verloop van de bevalling en bij gebreke van aanwijzingen dat gedurende zijn
afwezigheid door de arts-assistent medisch onjuist, dan wel onvoldoende adequaat was gehandeld.
In het arrest gaat het hof in op het verschil tussen de tuchtnorm en de civiele norm en geeft het aan
waarom de gynaecoloog in dit geval naar zijn oordeel de civiele norm niet heeft geschonden.
Een gegrondverklaring van een tuchtklacht hoeft in een civiele procedure dan ook niet tot
aansprakelijkheid te leiden33. In de hierboven genoemde procedure bij het hof Arnhem strandde de
vordering reeds op de overweging dat de arts niet in strijd met de zorgplicht van een goed
hulpverlener had gehandeld, maar de vordering had ook afgewezen kunnen worden omdat het
causaal verband ontbrak tussen de geschonden norm en de schade. De rechtbank Zwolle had in haar
eindvonnis (dat aan het arrest vooraf was gegaan) geoordeeld dat de gynaecoloog onzorgvuldig had
gehandeld, waarvoor het ziekenhuis (op basis van een centrale aansprakelijkheid ex artikel 7:462 BW)
aansprakelijk werd geacht. De vordering van eiseres werd niettemin afgewezen omdat het causaal
verband tussen het onzorgvuldig handelen en de schade ontbrak34.
21 Tasten met de vingers.
28 Volgens de regelen der kunst
29 Deze uitspraak werd overigens gedaan onder het regime van het oude tuchtrecht, waarbij het vertrouwen in de medische
stand voorop stond.
30 LJN: BA 1317
31 De arts kreeg de maatregel van waarschuwing opgelegd.
32 De instructie hield in dat de gynaecoloog, supervisor van de arts-assistent, gebeld kon worden bij voikomen ontsluiting.
Omdat het echter een stuitligging betrof en de kans niet denkbeeldig was dat de baring zeer vlot zou verlopen, had de
gynaecoioog de instructie moeten aanpassen. en zich eerder moeten laten bellen om zich van de situatie op de hoogte te
stellen en te overleggen wanneer zijn komst gewenst was.
33 In een tuchtrechtelijke procedure kan geen schadevergoeding worden gevorderd en dat is meestal de reden om na(ast) een
tuchtprocedure ook een civiele procedure aanhangig te maken. Wordt een tuchtklacht gegrond verklaard, dan zal door het
tuchtcollege een maatregel worden opgelegd en deze kunnen varieren van een waarschuwing (de lichtste maatregel) en
berisping tot een geldboete van ten hoogste € 4.500,00, de schorsing van de inschrijving in het register voor ten hoogste een
jaar, gedeeltelijke ontzegging van de bevoegdheid om het beroep uit te oefenen en, de ultieme straf: doorhaling van de
inschrijving in het register.
34 Het Medisch Tuchtcollege had overwogen dat de bevalling naar alle waarschijniijkheid niet wezenlijk anders zou zijn verlopen
indien de arts eerder aanwezig zou zijn geweest.
Omdat de civiele rechter een beslissing van de tuchtrechter niet zonder meer mag negeren35 kan het
in de rede liggen om een klacht bij de tuchtrechter in te dienen alvorens te overwegen om naar de
civiele rechter te gaan. De daarmee gepaard gaande kosten van rechtsbijstand komen blijkens het
arrest van de Hoge Raad van 3 juni 200536 echter niet in aanmerking voor vergoeding in de civiele
procedure (ex artikel 6:96, lid 2 BW). In een daaraan voorafgaand arrest37 had de Hoge Raad in het
kader van de aansprakelijkheid van een notaris reeds overwogen dat een tuchtrechtelijke procedure
niet kan worden aangemerkt als een redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid, zodat
niet kan worden gezegd dat de kosten daarvan redelijke kosten zijn ter vaststelling van
aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96, lid 2, sub b BW. Het wettelijk tuchtrecht voor
beroepsbeoefenaren heeft immers in de eerste plaats tot doel om in het algemeen beiang een goede
wijze van beroepsbeoefening te bevorderen en niet in de eerste plaats om klager in geval van
gegrond bevindingen van zijn klacht genoegdoening te verschaffen.
Met verwijzing naar dat arrest heeft de Hoge Raad op 3 juni 2005 (toen ging het om kosten van
rechtsbijstand, gemaakt in het kader van een procedure bij een Medisch Tuchtcollege) aangegeven
dat het overwogen uitgangspunt in zijn arrest van 10 januari 2003 een algemeen uitgangspunt is dat
voor alle tuchtprocedures geldt38.
De verzwaarde stelplicht van de arts
Ook bij medische aansprakelijkheid ligt het op de weg van de eisende partij" om te stellen en in geval
van gemotiveerde betwisting, te bewijzen dat de arts onzorgvuldig heeft gehandeld (artikel 150 Rv.).
Bij geneeskundige behandelingen kan dat tot problemen leiden omdat de patient meestal niet weet
wat er precies is gebeurd, waarom het is gebeurd, wat er precies mis is gegaan en waarom het mis is
gegaan (betreft het een complicatie of een medische fout?). In zijn arrest van 20 november 198739 is
de Hoge Raad de patient tegemoet gekomen door de bewijslast van de patient te verlichten in die zin
dat van de aangesproken arts een uitvoerig gemotiveerd verweer mag worden verwacht, waarin de
patient dan gaten kan schieten. Letterlijk heeft de Hoge Raad overwogen dat van de arts kan worden
verlangd dat hij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van zijn betwisting van de
stellingen van de patient teneinde deze aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te
verschaffen. Hiermee werd uitdrukkelijk niet de bewijslast omgekeerd, maar wel werd op de arts een
verzwaarde stelplicht gelegd40.
De wijze waarop aan deze verzwaarde stelplicht voldaan kan worden, is niet altijd helder.
Een patiente had enige weken na operatieve verwijdering van haar baarmoeder een bloeding
gekregen. Daarvoor sprak zij de gynaecoloog aan, waarop deze zich verweerde door te stellen dat hij
haar bij ontslag geadviseerd had om gedurende een periode van zes weken geen gemeenschap te
hebben en patiente dat advies niet had opgevolgd. De patiente betwistte dat de arts haar dat advies
had gegeven en er was in het medisch dossier daarover geen aantekening te vinden. In een brief aan
zijn procureur in het kader van de procedure in eerste aanleg had de gynaecoloog geschreven dat,
zoals bij elke patiente die een uterus-extirpatie ondergaat ook deze patiente het advies kreeg om tot
de volgende controle, zes weken later, geen samenleving te hebben. Dit is een dermate stringent
advies dat dit aan elke patiente meegegeven wordt en nooit vergeten wordt. In hoger beroep heeft het
hof aan de gynaecoloog ter zake bewijs opgedragen en omdat diens getuigenverklaring lijnrecht stond
tegenover de verklaring van de patiente, werd de arts geacht niet in de bewijslevering te zijn geslaagd.
In cassatie werd onder andere een middel gericht tegen de omstandigheid dat de bewijslast was
omgekeerd. De Hoge Raad41 verwees echter naar het arrest Timmer/Deutman en de daarin
HR 12 juli 2002, NJ2003, 151
LJN: AT 4097 en NJ 2005, 324.
HR 10 januari 2003, NJ 2003, 537. Vgl. in dit verband ook J.W. Frieling, WPNR 6530 p. 358 e.v.
Bij arrest van 14 mei 1997, VR 1998, 52 en NJ 1998, 580 had het hof Leeuwarden nog overwogen dat het vragen van een
tuchtrechtelijk oordeel gezien kon worden als redelijke maatregel ter vaststelling van aansprakelijkheid.
' NJ 1988, 500 Timmer/Deutman
' Ook wel: gemotiveerde stelplicht of ophelderingsplicht genoemd.
HR 18 februari 1994, 368 (Schepers/De Bruyn)
overwogen verzwaarde stelplicht. De gynaecoloog had zijn betwisting onvoldoende geadstrueerd en
daarom werd de gynaecoloog belast met het bewijs. Dat oordeel van het hof gaf volgens de Hoge
Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
Voorafgaand aan het arrest van de Hoge Raad van 7 juni 200242, waarin de Hoge Raad zonder
nadere motivering op grond van artikel 81 Ro. de zaak afdeed, had het hof te Amsterdam bij arrest
van 30 maart 2000 overwogen dat de aangesproken arts wel voldaan had aan zijn verzwaarde
stelplicht door, naar achteraf in hoger beroep bekend werd, reeds voor aanvang van de civiele
procedure het medisch dossier aan eiser ter hand te stellen.
Terwijl in Schepers/De Bruijn het verstrekken van inzage in het medisch dossier onvoldoende was om
aan de verzwaarde stelplicht te voldoen, nu daarin een aantekening ontbrak die de stelling van de
gynaecoloog kon ondersteunen, is het naar aanleiding van het arrest van 7 juni 2002 de vraag of
uiteindelijk toch volstaan kan worden met het verstrekken van inzage in het medisch dossier,
ongeacht of daarin aantekeningen staan die betrekking hebben op de verweten gedragingen. Met het
arrest van de Hoge Raad van 20 april 2007 lijkt die vraag nog niet beantwoord43.
In die zaak ging het om een sterilisatie-ingreep met behuip van Filshie-clips, waarna de vrouw toch
zwanger was geworden. Na de bevalling had zij zich laten re-steriliseren en op de gemaakte videoopname
was te zien dat de rechter eileider niet geheel door de clip werd afgesloten. Zij sprak daarop
het ziekenhuis aan omdat de aldaar werkzame gynaecoloog bij het aanbrengen van de Filshie-clip
een fout had gemaakt waarvoor het ziekenhuis aansprakelijk is. Volgens eiseres diende de bewijslast
omgekeerd te worden, nu het ziekenhuis niet had voldaan aan de verzwaarde stelplicht. In het dossier
had de gynaecoloog geen adequaat en separaat verslag gemaakt van de sterilisatie (waarmee hij
onder andere in strijd zou hebben gehandeld met de richtiijn van de Nederlandse Vereniging van
Obstetrie en Gynaecologie), maar had hij volstaan met enkele aantekeningen in de poliklinische
status, waarin de identificatie van de eileiders niet was vermeld, noch welke methode was toegepast,
noch welk materiaal was gebruikt en evenmin of na plaatsing van de clips gecontroleerd was of deze
op de juiste plaats waren aangebracht.
Het hof oordeelde dat uit de verslaglegging wel was af te leiden dat de eileiders waren geidentificeerd,
dat de gebezigde methode en het materiaal van de clips niet in geschil waren en dat niet van beiang
was dat in de aantekeningen niet was vermeld dat de gynaecoloog de plaatsing van de clips had
gecontroleerd. Het ziekenhuis had immers gesteld en met een getuigenverklaring van de gynaecoloog
nader toegelicht dat deze controle was uitgevoerd door het optillen van de eileiders met de tang
waarmee de clips waren gepiaatst en dat daarbij was geconstateerd dat de eileiders door de clips
werden omsloten. Daarmee was het ziekenhuis niet tekort geschoten in zijn plicht om eiseres de
genoemde aanknopingspunten te verschaffen. De Hoge Raad heeft het arrest in stand gelaten. Hij
heeft daarbij nog uitgelegd dat de verplichting van het ziekenhuis om voldoende feitelijke gegevens te
verschaffen ter motivering van zijn betwistingen van de stellingen van eisers teneinde deze
aanknopingspunten te verschaffen voor eventuele bewijsievering niet impliceert dat het ziekenhuis
bewijs dient te leveren van de feiten die het heeft gesteld ter betwisting van de steliingen van eiser.
Op het ziekenhuis rustte immers (vooralsnog) geen bewijslast ten aanzien van zijn verweer. Het hof
heeft dan ook niet de juistheid of geloofwaardigheid beoordeeld van de door het ziekenhuis in dit
verband verschafte feitelijke gegevens en de in dat verband overgelegde bewijsmiddelen, zoals de
verklaring van de gynaecoloog. Het behoefde dat ook niet, omdat die beoordeling eerst aan de orde
zou zijn bij waardering van het eventueel over en weer geleverde bewijs.
Twee maanden later heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 15 juni 200744 overwogen dat het hof een
juiste maatstaf had aangelegd door met zijn oordeel, dat het opnemen van mededelingen over de
positionering van de patiente tijdens en na de operatie in het medisch dossier ten tijde van de
COO/270
LJN: BA1093.
LJN: BA 3587 en NJ 2007, 335
onderhavige operatie niet tot professionele standaard binnen de beroepsgroep behoorde, tot
uitdrukking te brengen dat zulks destijds niet in strijd was met hetgeen op dat punt van een redelijk
bekwaam en redelijk handelend behandelaar mocht worden gevergd. Deze maatstaf was ook
voldoende voor het antwoord op de vraag of voldaan is aan de genoemde verplichting tot verschaffing
van gegevens aan de patiente (in het kader van de verzwaarde stelplicht).
In dit geval had de patiente na een operatieve ingreep zenuwletsel opgelopen, welk letsel zij tijdens of
direct na de operatie zou hebben opgelopen door een verkeerde positionering van de linker arm. Het
ziekenhuis had dat betwist en het had aangegeven hoe de positionering was geweest. In het medisch
dossier ontbrak een aantekening daarover. Volgens de ingeschakelde medisch deskundige behoorde
het opnemen van een dergelijke mededeling ten tijde van de operatie niet tot de professionele
standaard binnen de beroepsgroep. Door het ontbreken daarvan was de verslaglegging dan ook niet
onder de maat en was er geen reden om aan te nemen dat het ziekenhuis op dit punt niet had
voldaan aan zijn verzwaarde stelplicht.
Het ligt niet alieen op de weg van de patient om te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat de arts
onzorgvuldig heeft gehandeid, hij zal ook nog moeten bewijzen dat daardoor schade is ontstaan tot
vergoeding waarvan de arts gehouden is. Het is dikwijls niet eenvoudig om voldoende aannemelijk te
maken dat er een causaal verband bestaat tussen het onzorgvuidig handelen van de arts en de
schade waarbij gedacht moet worden aan de gezondheidstoestand waarin de patient ten gevolge van
de onzorgvuldige behandeling is komen te verkeren. Immers, aan de gezondheidstoestand schortte
het meestal al voordat de behandeling plaatsvond, reden waarom de patient zich tot de arts had
gewend. Beoordeeld zal moeten worden of de gezondheidstoestand door de onzorgvuldige
behandeling negatief is bemvloed en, zo ja, in welke omvang.
Voor de beantwoording van deze vraag zal meestal een deskundige nodig zijn, maar zelfs dan kan
niet altijd bepaald worden of er een causaal verband is.
Ook ten aanzien van de bewijslast van het causaal verband is de Hoge Raad de patient tegemoet
gekomen. in het eerder genoemde protocollen-arrest van 2 maart 2001 heeft hij de omkeringsregel
toegepast. Het voorschrift om de patient bij de betreffende ingreep antistolling toe te dienen, zoals in
het ziekenhuisprotocol was opgenomen, diende om het risico van het postoperatief optreden van
trombose tegen te gaan, althans te verkleinen. Nu zich bij de patient daadwerkelijk een trombosebeen
had ontwikkeld en als vast staand werd aangenomen dat de antistolling niet was toegediend, werd het
causaal verband tussen de verweten gedraging (het niet naleven van het protocol voorschrift om
antistoiling toe te dienen) en de opgelopen schade (het optreden van de trombose) in beginsel
aangenomen45.
Later heeft de Hoge Raad zich in een medische kwestie nog een keer over de omkeringsregel mogen
buigen46. Een huisarts werd bij een patient geroepen die toen reeds ongeveer achttien uren sliep na
het innemen van twee tabletten Seresta47. Volgens de echtgenote zou haar man koud zijn, benauwd,
niet aanspreekbaar, blauw en bekend met een keelcarcinoom sinds twee jaar. De arts trof de
echtgenoot inderdaad niet aanspreekbaar en in diepe slaap aan, maar bij lichamelijk onderzoek en
meting van bloeddruk, pols en temperatuur bleken hem geen bijzonderheden, zodat hij vertrok met de
45 De omkeringsregel luidt: "Indien door een als tekortkoming aan te merken gedraging een risico ter zake van het ontstaan van
schade in het leven is geroepen en dit risico zich vervolgens verwezenlijkt, is daarmee het causaal verband tussen die
gedraging en de aidus ontstane schade in beginsei gegeven, terwijl het aan degene die op grond van die gedragingen wordt
aangesproken is om te stellen en te bewijzen dat die schade ook zonder die gedraging zou zijn ontstaan".
Overigens had het hof Leeuwarden de instructie in het ziekenhuisprotocol gekwalificeerd als een veiligheidsnorm waardoor
het causaal verband tussen de gedraging (het achterwege laten van toediening van antistolling en de schade (trombose in
beide benen) in beginsei was gegeven.
46 HR 19 maart 2004, nr. C02/331 (Obductie-arrest) en NJ 2004, 307.
47 Slaapmiddel
mededeling dat indien de echtgenoot niet binnen een paar uur wakker zou worden of de situatie zich
zou verslechteren, de echtgenote contact kon opnemen met degene die alsdan dienst had.
De volgende ochtend was de echtgenoot nog niet ontwaakt en het is uiteindelijk de apotheker
geweest bij wie de echtgenote incontinentieluiers haalde, die de eigen huisarts van het echtpaar had
gebeld, waarna deze huisarts het overlijden van de echtgenoot vaststelde. Er had geen postmortemonderzoek
plaatsgevonden, zodat de doodsoorzaak niet was komen vast te staan. De
achtergebleven echtgenote stelde de arts aansprakelijk en eiste schadevergoeding. Nadat was
bepaald dat de arts een hem toe te rekenen fout had gemaakt door de echtgenoot niet te laten
opnemen in een ziekenhuis toen hij hem aantrof in een niet wekbare toestand en dit gedurende
ongeveer achttien uren al zo bestond, kwam aan de orde of het overlijden van de echtgenoot een
rechtstreeks gevolg was van het nalaten van de arts, in dit geval werd de door eiseres bepleite
omkeringsregel niet toegepast. De Hoge Raad heeft daarbij nog overwogen dat indien een arts een
beroepsfout wordt verweten, in vele gevallen als norm die de arts zou hebben geschonden slechts zal
kunnen worden aangewezen de in artikel 7:453 BW neergelegde algemene norm dat de arts bij zijn
werkzaamheden de zorg van een goed hulpverlener in acht moet nemen en daarbij moet handelen in
overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid voortvloeiende uit de voor artsen
geldende professionele standaard. Dit brengt mee dat met betrekking tot het bewijs van de stelling dat
de fout tot een bepaalde schade voor de patient heeft geleid in die zin dat tussen de fout en de
schade een conditio sine qua non-verband bestaat in die gevallen geen sprake zal zijn van toepassing
van de omkeringsregel.
Met andere woorden: indien sprake is van schending van de algemene zorgvuldigheidsnorm, dan blijft
de bewijslast ter zake van het causaal verband op de eisende partij rusten.
In de medische aansprakelijkheid is de omkeringsregel bij de Hoge Raad niet echt in trek. Bij het
48 ontbreken van informed consent werd deze al niet aangenomen en dat geldt ook voor die gevallen
waarin de algemene zorgvuldigheidsnorm zoals bedoeld in artikel 7:453 BW is geschonden.
Naast de hiervoor besproken beperkte toepassing van de omkeringsregel wordt de patient met
betrekking tot het causaal verband in zijn bewijslast ook geholpen door het aannemen van
proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband49.
In de procedure rond Baby Ruth50 was door een medische fout een kans gemist op een beter
behandelingsresultaat. Bij Ruth had eerder de diagnose hersenbloeding gesteld moeten worden,
waardoor zij eerder had kunnen worden behandeld. De deskundigen hadden echter aangegeven dat
ook indien behandeling eerder zou hebben plaatsgevonden, de kans buitengewoon groot was dat ook
dan restverschijnselen zouden zijn overgebleven en dat, ervan uitgaande dat de hersenbloeding reeds
begonnen was voordat de eerste verwijzing naar het ziekenhuis had plaatsgevonden, de kans zeer
groot was dat er toen al cerebrale schade was. Op basis van dat deskundigenbericht had de
rechtbank de schade, bestaande in de verloren gegane kans op een voor Ruth beter
behandelingsresultaat, begroot op 25% en tot dat percentage was het ziekenhuis aansprakelijk voor
de door de hersenbloeding bij Ruth veroorzaakte schade. Dat percentage werd in hoger beroep door
het hof als een juiste schatting beschouwd.
Daarvoor werd de aansprakelijkheid volledig af- of toegewezen, afhankelijk van de omvang van de
gemiste kans op een beter behandelingsresultaat. Werd deze kans erg laag begroot, dan werd
aansnrakelHkheid veelsl niet aannenomen. Nadien is en wordt vooral bij medische aansprskelijkheid
met regelmaat de proportionele benadering toegepast51.
' Zie hierna onder Informed consent.
! Vgl. o.a. prof. A.J. Akkermans, proportionele aansprakelijkheid bij onzeker causaal verband, diss. KU Brabant, Tilburg 1997
vgl. ook prof. C.J.M. Klaassen. NJB 2007, 1346 e.v.
' Wever/De Kraker, hof Amsterdam, 4 januari 1996, NJ 1997, 213.
Overigens wordt de proportionele benadering ook bij andere aansprakelijkheden toegepast. Bij een beroepsfout van een
advocaat had de Hoge Raad de kans dat de zaak in hoger beroep gunstiger voor de client zou zijn afgelopen begroot op 50%
Het hof Arnhem werd geconfronteerd met een dubbele onzekerheid52. Een patient was overleden aan
de gevolgen van een chondrosarcoom53. De weduwe sprak het ziekenhuis aan omdat op basis van
destijds gemaakte ro'ntgenfoto's nadere diagnostiek had moeten plaatsvinden, in welk geval de
diagnose chondrosarcoom gesteld had kunnen worden en in welk geval behandeling daarvan had
kunnen plaatsvinden.
De deskundigen konden geen antwoord geven op de vraag of de diagnose in geval van een eerder
nader onderzoek inderdaad had kunnen worden gesteld. Volgens het hof dient die onduidelijkheid
voor risico van de arts te komen, omdat juist door het achterwege laten van dat nadere onderzoek niet
kan worden beoordeeld of de aandoening toen a! aanwezig was. Het hof heeft daarom als
uitgangspunt genomen dat de diagnose destijds bij nader onderzoek had kunnen worden gesteld. Of
alsdan succesvolle behandeling nog mogelijk zou zijn geweest, konden de deskundigen evenmin met
zekerheid beantwoorden. Voor deze onzekerheid heeft het hof een schatting gemaakt waarna het de
schade, bestaand in de verloren gegane kans op een succesrijke behandeling op 331/3% heeft
begroot.
Als het schadelijk gevolg in een ver verwijderd verband staat met de verweten gedragingen, dan kan
dat de causaliteit treffen en zal er dikwijls geen aansprakelijkheid zijn. Een goed voorbeeld hiervan is
het arrest Vader Versluis54, ook al is dit bepaald niet recent. Mia Versluis onderging op 14 april 1966
een geringe ingreep aan haar voeten, maar tijdens deze ingreep is een decerebratie55 opgetreden,
waardoor zij tot haar dood op 10 november 1971 niet meer uit haar bewusteloosheid is ontwaakt. De
vader van Mia sprak het ziekenhuis aan omdat hij door de opsteiling van de directeur van het
ziekenhuis en de behandelaars van zijn dochter zo ernstig was geschokt in het vertrouwen in zijn
medemens, dat dat had geleid tot zijn psychische ineenstorting voor de gevolgen waarvan het
ziekenhuis aansprakelijk was56. Het hof kwam tot het oordeel dat zelfs indien de verweten
gedragingen inderdaad plaatsgevonden zouden hebben, de schade van vader Versluis een zo
uitzonderlijke vorm van schade ten gevolge van de samengevatte gedragingen opleverde en
bovendien in een zo verwijderd verband daarmee stond dat die schade naar redelijkheid niet als door
die gedragingen veroorzaakt aan het ziekenhuis kon worden toegerekend.
De Hoge Raad heeft het cassatieberoep verworpen en hij heeft een uitgebreide overweging besteed
aan het verschil tussen de aansprakelijkheidsgrond wegens schending van een zorgvuldigheidsnorm
enerzijds en wegens de overtreding van verkeers- respectievelijk veiligheidsnormen anderzijds. Bij
overtreding van laatstgenoemde normen die in de regel strekken ter voorkoming van verkeers- of
arbeidsongevallen, moet rekening worden gehouden met de mogelijkheid van ernstige gevolgen, hoe
deze zich ook in het concrete geval mogen voordoen. Zulks kan niet worden aangenomen ten aanzien
van de niet-naleving van de zorgvuldigheidsnormen in strijd waarmee het ziekenhuis in de
veronderstelling van het hof jegens Versluis zou hebben gehandeid.
Bij veel geneeskundige behandelingen wordt gebruik gemaakt van hulpzaken5/. Zijn de gebruikte
hulpzaken ongeschikt, waardoor de geneeskundige behandeling niet adequaat kan worden
(de advocaat had de appeltermijn laten verlopen, een nachtmerrie voor iedere advocaat). Niet lang geleden heeft de Hoge
Raad in zijn arrest van 31 maart 2006, LJN AU 6092, 55% aansprakelijkheid van een werkgever aanvaard voor het ontstaan
van longkanker bij zijn werknemer die naast blootstelling aan asbest op zijn werk, ook had gerookt. Door de blootstelling aan
asbest was de kans op het ontstaan van longkanker met 55% verhoogrt
Hof Arnhem 14 december 1999, TvGR 2001/48.
Kwaadaardige aandoening van het kraakbeen
HR 2 november 1979, NJ 1980, 77.
Schade aan de hersenen.
In het boek dat hij had bijgehouden, had vader Versluis onder andere geschreven dat hij niet kon aanvaarden om Mia te
moeten missen. Hij had zich vervolgens als het ware met zijn dochter vereenzelvigd, kon niet meer functioneren in zijn
werksituatie, gaf zijn woning prijs om in een andere plaats te gaan wonen teneinde dicht bij zijn dochter te zijn, die in een
volmaakt comateuze toestand verkeerde. Hij decompenseerde volledig.
Denk aan: mesjes, naalden, tangetjes, hechtmateriaal, maar ook aan implantaten, protheses, enz.
10
uitgevoerd, dan zal dat worden toegerekend aan de arts die bij de uitvoering van de overeenkomst
gebruik maakt van die hulpzaak. In dit geval geldt artikel 6:77 BW. Blijkens de tweede volzin in het
artikel ontkomt de arts aan aansprakelijkheid indien dat, gelet op de inhoud van de overeenkomst, de
in het verkeer geldende opvattingen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk zou zijn.
Blijkens de Memorie van Toelichting zou van die onredelijkheid sprake kunnen zijn indien bijvoorbeeld
de in het ziekenhuis gebruikte apparatuur of voorgeschreven geneesmiddelen falen buiten de schuld
van het ziekenhuis c.q. de arts. Gedacht kan worden aan de situatie waarin sprake is van een voor
een deskundige gebruiker niet te ontdekken gebrek58. In het Pacemaker-arrest van het hof
Amsterdam van 7 januari 198859 werd overwogen dat het onredelijk zou zijn om het ziekenhuis te
verplichten de schade van de patient te vergoeden nu vast stond dat noch de arts, noch het
ziekenhuis enig verwijt trof ten aanzien van het technisch defect van de geimplanteerde pacemaker.
Het hof ging niet mee met de stelling van de patient dat het ziekenhuis tekort zou zijn geschoten in zijn
verplichting tot levering van de pacemaker. De strekking van de overeenkomst was immers het doen
verminderen door de cardioloog van de hartklachten van de patient, waarbij de levering van de
pacemaker ondergeschikt was. De pacemaker diende dan ook aangemerkt te worden als een
hulpzaak en in dat verband verwees het hof (al) naar artikel 6:77 BW60. Niet had de patient in dit geval
gesteld dat het ziekenhuis een pacemaker van een ander type of fabricaat had moeten kiezen, niet
had de patient gesteld dat de cardioloog of het ziekenhuis in gebreke was bij de controle van de juiste
werking van de pacemaker en evenmin was bestreden dat de cardioloog zijn werkzaamheden op
vakkundige wijze had verricht en dat de pacemaker na implantatie gedurende een bepaalde periode
deugdelijk had gefunctioneerd. Overigens was de defecte pacemaker reeds volledig vergoed door de
fabrikant.
Op 27 juni 2000 heeft het hof Arnhem61 overwogen dat de arts voor de implantatie, afgezien van een
door hem gehouden visuele inspectie in redelijkheid niet zonder meer gehouden was tot controle of de
prothesen (on)deugdelijk waren.
In dit geval ging het om een geneeskundige behandelingsovereenkomst, waarbij de chirurg in eerste
instantie de borsten van patiente had geamputeerd, waarna de chirurg bij de patient prothesen had
ingebracht. Na verloop van tijd gingen deze prothesen iekken. Omdat de prothesen door de producent
van tevoren op deugdelijkheid waren getest en de chirurg deze direct uit hun afzonderlijke steriele
verpakkingen heeft geTmplanteerd, zou een nadere controle, afgezien van een visuele inspectie, te ver
voeren. Na het operatief verwijderen van de lekkende prothesen werden deze naar de fabrikant
gezonden en deze kwam na een test tot de bevinding dat in de prothesen wel sneden werden gezien,
maar geen aanwijzingen voor lekkende profielen. De chirurg gaf toe dat hij bij verwijdering van een
prothese een groter scheurtje had gemaakt. Behoudens het bericht van de fabrikant had de chirurg
geen documentatie van na-onderzoek en dat was voor het hof aanleiding om te overwegen dat de
chirurg in beginsei voor de deugdeiijkheid van de geimpianteerde prothesen moest instaan. Hij zou
aan aansprakelijkheid kunnen ontkomen indien hij zou bewijzen dat de prothesen gebrekkige
producten waren en hem ter zake van de lekkages geen enkel verwijt gemaakt kon worden.
Zowel uit dit arrest van het hof Arnhem als uit de Memorie van Toelichting op artikel 6:77 BW kan
afgeleid worden dat het onredelijk zou kunnen zijn om de ongeschiktheid van een hulpzaak aan de
arts toe te rekenen indien sprake is van een gebrekkig product waarvoor de fabrikant/producent met
succes aangesproken kan worden.
In het geval waarin een hemofiliepatient door toediening van besrnet bioed Aids had gekregen en was
overleden, was zowel het ziekenhuis (als de behandelaar en degene die het product had
Denk aan: steriei verpakte materialen die er met het blote oog deugdelijk uitzien en voor gebruik niet eerst uitgebreid
beproefd kunnen worden.
'TvGR 1989, 99
' Toen nog: artikel 6.1.8.3a NBW
VR2002, 112
voorgeschreven) aangesproken als Sanquin, de producent van het bloed62. De rechtbank had de
vordering van de nabestaanden van de hemofiliepatient toegewezen, omdat zowel het ziekenhuis als
de producent op basis van publicaties wisten, althans hadden moeten weten, dat het in die tijd
verstrekte bloedproduct een risico van besmetting met het HiV-virus inhield. Beide werden dan ook
aansprakelijk geacht63. In het Implanon-arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 augustus
200764 is een deskundigenonderzoek gelast waarvan de uitkomstzal moeten bepalen of de producent
jegens de vrouwen aansprakelijk is, de betreffende artsen dan wel beide naast elkaar. Overigens rust
het bewijsrisico bij de vrouwen, hetgeen met zich mee zal brengen dat indien de oorzaak van het
achteraf niet aanwezig zijn van het staafje niet kan worden achterhaald, de vrouwen hun eigen schade
dienen te dragen.
Aansprakelijkheid voor hulppersonen
Uitgangspunt is dat de arts aangesproken kan worden indien hij niet de zorg van een goed
hulpverlener in acht neemt. Is de arts werkzaam in een ziekenhuis65, dan kan de patient het
ziekenhuis aanspreken voor het onzorgvuldig handelen van de arts. Deze centrale aansprakelijkheid
in artikel 7:462 BW is nieuw ten opzichte van het oude recht66. Met deze centrale aansprakelijkheid
van het ziekenhuis wordt de patient een adres geboden om zijn schade te verhalen, ook al treft het
ziekenhuis zelf geen blaam. Niet is met de centrale aansprakelijkheid beoogd om de aansprakelijkheid
uit te breiden. Theoretisch kan het ziekenhuis regres nemen op de hulpverlener67, maar in de praktijk
komt dat niet of nauwelijks voor omdat zowel het ziekenhuis als de hulpverlener bij dezelfde
aansprakelijkheidsverzekeraar verzekerd plegen te zijn.
Op grond van artikel 6:76 BW is de hulpverlener aansprakelijk voor fouten van zijn hulppersonen. Het
is niet altijd duidelijk wanneer sprake is van een hulppersoon.
Op 10 januari 1997 heeft de Hoge Raad68 zich uitgelaten over de aansprakelijkheid van een tandarts
voor onzorgvuldig handelen van zijn waarnemer. Een patient was al een aantal jaren ingeschreven in
de tandartspraktijk en er was sprake van periodieke behandelingen. Toen de tandarts langdurig ziek
werd, heeft hij zich laten waarnemen door een collega. Blijkens de waarnemingsovereenkomst was
deze collega-tandarts niet in loondienst en had hij een eigen tandheelkundige verantwoordelijkheid.
Toen de patient zich opnieuw tot de praktijk van de tandarts wendde, trof hij daar de waarnemer die
hem een bepaalde behandeling adviseerde. De behandeling werd door de waarnemer uitgevoerd en
de kosten van de behandeling werden door de (waargenomen) tandarts in rekening gebracht aan de
patient. Daarna kreeg de patient klachten en hij sprak zijn tandarts daarvoor aan. Zowel de rechtbank
als het hof hebben de vordering afgewezen, waarbij het hof had overwogen dat niet gebleken was dat
de tandarts zelf als party betrokken was geweest bij de behandelingsovereenkomst. De behandeling
was feitelijk door de waarnemer uitgevoerd en de enkele omstandigheid dat de tandarts de
behandeling aan de patient in rekening had gebracht, leidde niet tot een ander oordeel. De
Donorbloed wordt als product beschouwd zodra het bloed aan de bloedbank is afgestaan. De bloedbank wordt in dat geval
beschouwd als producent (vgl. ook C.J.J.M. Stolker: Aansprakelijkheid voor bloedproducten en bloedtransfusies, NJB 1995,
p. 687 e.v.)
De strijd is doorgegaan tot en met de Hoge Raad en bij arrest van 28 januari 2005 is het geding verwezen naar het hof
Arnhem. In zijn conclusie geeft A-G Spier duideiijkheid in het ingewikkeldefeitencomplex dat bij het hof Leeuwarden aan de
orde is geweest. Zie LJN: AR 6458
LJN: BB 2385, vgl. hiervoor ook noot 11.
Blijkens artikel 7:462, lid 2 BW wordt daaronder verstaan een krachtens artikel 5 van de Wet Toelating Zorginstellingen ais
ziekenhuis, vernleeginrichting of zwakzinnigemnrichting toegelaten installing of afdeling daan.-'an, een acadernisch ziekenhui;
alsmede een abortuskliniek in de zin van de Wet afbreking zwangerschap.
Voor invoering van Boek 7, titel 7, afdeling 5 op 1 april 1995 moest de individuele huipverlener worden aangesproken. Voor
de patient kon dit problemen opleveren omdat hem niet altijd duidelijk was door wie hij precies was behandeld en wie naar
zijn oordeel onzorgvuldig had gehandeld. Dit gold vooral voor operatieve ingrepen in teamverband.
Bij een dienstverband zal dat lastig zijn omdat op grond van artikel 7:661 BW opzet of bewuste roekeloosheid van de
werknemer/hulpverlener zal moeten worden aangetoond.
Vgl. mrlvl.M. ten Hoopen: Medisch-speciaiistische samenwerking en aansprakelijkheid, NJB 2007, p. 1594 e.v. die de
rechtsverhouding beschrijft in geval van medebehandeling.
1 NJ 1998, 544.
12
waarneming was bovendien niet van korte duur, gezien de gebleken blijvende arbeidsongeschiktheid
van de tandarts. Volgens de Hoge Raad had het hof geen biijk gegeven van een onjuiste
rechtsopvatting. Voorop moet worden gesteld dat de tandarts slechts voor de gedragingen van zijn
waarnemer als hulppersoon aansprakelijk is, wanneer hij van de hulp van de waarnemer gebruik heeft
gemaakt bij de uitvoering van zijn verbintenis uit een overeenkomst die tussen hem zelf en de patient
tot stand is gekomen. Bij de vraag of een zodanige overeenkomst tot stand is gekomen, komt het aan
op hetgeen partijen over en weer uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en in de
gegeven omstandigheden hebben mogen afleiden, terwiji het oordeel te dier zake sterk met feitelijke
waarderingen zal zijn verweven.
Het zal dus steeds van de omstandigheden van het geval afhangen of sprake is van een situatie
waarop artikei 6:76 BW ziet.
Onder de door de arts in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm valt ook zijn verplichting om de patient
adequaat te informeren. Deze informatieplicht is opgenomen in artikel 7:448 BW.
De patient dient goed gemformeerd te kunnen beslissen of hij al dan niet toestemming voor een
behandeling zal geven69. Heeft de arts de patient niet geinformeerd waar hij dat wel had moeten doen,
dan heeft hij daarmee in strijd gehandeld met de op hem rustende zorgvuldigheidsnorm. Het
zwaartepunt van de informatieplicht iigt bij het informeren over de aan de behandeling verbonden
risico's'0. Welke informatie gegeven dient te worden, hangt steeds af van de omstandigheden van het
geval, bezien vanuit het oogpunt wat een patient redelijkerwijs dient te weten. De informatieplicht van
de arts wordt ruimer naarmate de kans op een complicatie van de voorgestelde behandeling groter is
(incidentierisico), de ernst van de gevolgen groter kan zijn, de behandeling minder noodzakelijk is
(medische indicatie) en andere adequate behandelingsmogelijkheden bestaan. Bij een louter
cosmetische behandeling zal de informatieplicht van de arts dan ook ruimer zijn dan bij een
behandeling die medisch geindiceerd is.
In het algemeen hoeft over zeldzame risico's niet te worden geinformeerd/1.
Ook in dit geval ligt het op de weg van de eisende partij om te stellen en zo nodig te bewijzen dat de
arts niet aan zijn informatieplicht heeft voldaan en ook in dit geval geldt de verzwaarde stelplicht van
de arts, zoals hiervoor72 aan de orde is geweest.
Causaal verband bij informed consent
Heeft de arts niet voldaan aan zijn informatieplicht, dan heeft hij daarmee onzorgvuldig jegens zijn
patient gehandeld en is hij in beginsei aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende schade.
Uitgangspunt is daarbij (indien een risico zich heeft verwezenlijkt waarop de arts de patient niet van
tevoren had gewezen, terwijl hij wel gehouden was dat te doen) dat vast komt te staan dat indien de
patient wel voldoende zou zijn gelnformeerd (op het risico zou zijn gewezen) hij in de behandeling niet
zou hebben toegestemd. Daarmee zou hij dan ook niet de schade hebben geleden die zich door het
intreden van het risico ook in dit geval feitelijk wel heeft voorgedaan. Net zoals in het algemene
aansprakeiijkheidsrecht rust op de patient de bewijslast van het causaal verband.
In twee arresten van dezelfde datum'3 heeft de Hoge Raad in het kader van de vraag of in dit geval
met betrekking tot het causaal verband de omkeringsregel zou moeten worden toegepast uitleg
3 Op grond van artikel /:450, lid 1 BW is voor de uitvoering van de behandelingsovereenkomst de toestemming van de patient
vereist.
/0 Hierover wordt althans het meest geprocedeerd.
71 Rechtbank Roermond, 20 april 2005, LJN: AT 4028; hof Arnhem, 27 juli 1999, TvGR 4/2000 en NJ 2000, 96; rechtbank
Haarlem, 9 augustus 1994, TvGR 1996/28; Centraal Medisch Tuchtcollege, 4 juli 1991, TvGR 1991/75; Medisch Tuchtcollege
Zwolle, 10 november 1984, TvGR 1985/28.
72 Zie hiervoor de paragraaf over de verzwaarde stelplicht van de arts.
73 23 november 2001, NJ 2002, 386 en 387.
13
gegeven over de betekenis van de informatieplicht van de arts, voor zover deze ziet op het vermelden
van risico's.
De Hoge Raad overwoog dat de verplichting van de arts om zijn patient voor een medische
behandeling in te lichten over de risico's ervan, ertoe strekt de patient in staat te stellen goed
geinformeerd te beslissen of hij al dan niet toestemming voor die behandeling zal geven. Deze op de
arts rustende verplichting om de patient op duidelijke wijze in te lichten over de risico's strekt derhalve
niet ertoe om de patient te beschermen tegen deze risico's, maar het tekortschieten in die verplichting
roept het risico in het leven dat de patient niet op de door hem gewenste wijze van zijn
zelfbeschikkingsrecht gebruik kan maken, het risico derhalve dat hij een keuze maakt die hij mogelijk
niet gemaakt zou hebben als hij goed geinformeerd zou zijn geweest. De Hoge Raad wees daarmee
toepassing van de omkeringsregel in geval van niet nakoming van de informatieplicht over risico's bij
een voorgenomen behandeling van de hand, zodat de bewijslast ten aanzien van het causaal verband
nog steeds op de patient rust.
Bij weging van het geleverde bewijs'4 geldt het uitgangspunt wat een redelijk handelend en redelijk
denkend patient onder die omstandigheden zou hebben gedaan/5. Die bewijslast is niet altijd
eenvoudig. Op 1 december 2000 heeft de Hoge Raad76 in een sterilisatiezaak overwogen dat het
volstrekt onwaarschijnlijk is dat de vrouw, indien zij van het risico van het mislukken van de sterilisatie
had geweten, niet voor de sterilisatie zou hebben gekozen. in dat geval was de vrouw zwanger
geraakt na sterilisatie door middel van Falope-ringen, waarbij een ring van de eileider was afgegleden,
hetgeen blijkens het deskundigenrapport beschouwd moest worden als een 'method failure'. De vrouw
had daarop gesteld dat als zij dit afglijdrisico van de ringmethode had gekend, zij gekozen zou hebben
voor coagulatie77. Ten tijde van de sterilisatie-ingreep was van de coagulatiemethode bekend dat deze
een grotere kans gaf op zwangerschap (minder veiligheid bood) dan de Falope-ringenmethode.
Dat de vrouw onder die omstandigheden, zou zij geinformeerd zijn over de mogelijkheid van de
coagulatiemethode deze zou hebben verkozen boven de veiliger bekend staande ringenmethode,
werd door het hof onwaarschijnlijk geacht en door de Hoge Raad zelfs volstrekt onwaarschijnlijk.
Het zai steeds van de omstandigheden van het geval afhangen of de patient in zijn bewijslevering zal
slagen.
Net als bij andere rechtsvorderingen tot vergoeding van schade door letsel of overlijden, verjaart de
vordering van de benadeelde die stelt schade te hebben geleden door onzorgvuldig medisch
handelen door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag volgende op die waarop de benadeelde
zowel met de schade, als met de daarvoor aansprakelijke partij bekend is geworden78. Omdat het voor
een patient als medische leek moeilijk kan zijn om te beoordelen of in te schatten of zijn medische
toestand een gevolg is van eventueel onzorgvuldig handelen (in plaats van een normaal gevolg van
de aandoening zelf) is de Hoge Raad hem bij arrest van 27 mei 2005/9 tegemoet gekomen. Voor de
patient gaat de verjaringstermijn pas lopen vanaf het moment dat hij voldoende zekerheid heeft
gekregen dat het ietsel (mede) is veroorzaakt door onzorgvuldig medisch handelen. Wanneer daarvan
sprake is, zal iedere keer afhangen van de omstandigheden van het geval. De rechtbank Arnhem
heeft in haar vonnis van 11 juli 200780 overwogen dat de benadeelde subjectief bekend moet zijn met
de aansprakelijke partij. De patient had in 1992 na rugklachten een dwarslaesie ontwikkeld, waarvoor
zij aanvankelijk de plaatsvervanger van de huisarts aansprakelijk had gesteld, gevolgd door een
procedure en daarna in 2002 haar huisarts nadat uit een deskundigenrapport dat was uitgebracht in
4 Meestal zullen ook hier medisch deskundigen geraadpleegd worden.
5 Dit is ook kenbaar uit de twee november-arresten vgl. noot 73.
' Het dichtbranden van de eileiders.
8 Artikel 3:310, lid 5 BW. Er moet dan wel sprake zijn van letsel of overlijden. Een andere vorm van schade verjaart in ieder
geval na verloop van 20 jaren na de gebeurtenis ingevolge art. 3:310, lid 1 BW.
79 NJ 2006, 114. Vgl. Ook HR 31 oktober 2003, VR 2004/52.
80 LJN: BB 1800.
14
de procedure tegen de vervanger opgemaakt kon worden dat de huisarts enig verwijt kon worden
gemaakt. Niet was volgens de rechtbank vast komen te staan dat de patiente al voor 1997 bekend
was met de aansprakelijke persoon in de zin van artikel 3:310 BW.
Door deze onbeperkte oprekking van de verjaringstermijn kan het voorkomen dat de arts bijvoorbeeld
pas achttien jaren na de behandeling aansprakelijk wordt gesteld. Het is niet ondenkbaar dat hij dan
niet aan zijn ophelderingsplicht kan voldoen omdat het dossier van de patient vernietigd is. Het
dossier dient immers vijftien jaar bewaard te worden81. Het is de vraag voor wiens risico in dat geval
het ontbreken van het medisch dossier zal zijn. Het hof Amsterdam had in zijn arrest van 28 april
on 1994 in een geval waarin de arts na tien jaren het dossier had vernietigd (de wettelijke
bewaringstermijn was toen tien jaren) het risico daarvan bij de arts gelegd .
In deze kroniek is volstaan met een globaal overzicht van het medisch aansprakeiijkheidsrecht,
waarbij zeker niet alle facetten aan de orde zijn gekomen. Er bestaat een grote hoeveelheid
jurisprudentie waaruit afgeleid kan worden dat de casuistiek een grote rol speelt. Dat maakt het ook
zo gevarieerd en boeiend. De rol van de medisch deskundigen is groot. Terwijl aangenomen kan
worden dat iedere deskundige onafhankelijk is en naar eer en geweten oordeelt, kunnen dezelfde
feiten en omstandigheden toch leiden tot een tegenovergesteld oordeel84. Zo'n procedure kan dan
verzanden in een 'battle of experts', in weik geval het uiteindelijk toch de jurist is die de knoop zal
moeten doorhakken. De afloop van een procedure is dan ook dikwijls onvoorspelbaar, zowel voor de
patient als voor de arts. De positie van de patient is daarbij nog steeds lastig ondanks de
omstandigheid dat hij geholpen is met de verzwaarde stelplicht van de arts, de centrale
aansprakelijkheid van het ziekenhuis, de opgerekte verjaringstermijn, de (incidenteel toegepaste)
omkeringsregel en de proportionele aansprakelijkheid. Voor het inschatten van zijn kansen zal hij
gebruik moeten maken van een bij voorkeur in letselschadezaken gespecialiseerde
belangenbehartiger en een medisch adviseur. De drempel ligt daardoor vrij hoog. Welliswaar kan hij
zonder verplichte rechtsbijstand een klacht indienen bij een medisch tuchtcollege, maar zelfs als de
klacht gegrond wordt verklaard brengt dat niet civiele aansprakelijkheid met zich mee. De civiele
rechter kan gemotiveerd afwijken van het oordeel van de tuchtrechter, terwijl de tuchtrechter zich niet
pleegt uit te laten over causaal verband en schade, voorwaarden voor toewijzing van een vordering bij
de civiele rechter.
Het is niet anders.
Artikel 7:454 BW
TvGR 1994, 61
1 Sluijters en Biesaart wijzen in De geneeskundige behandelingsovereenkomst, 1995, p. 81 erop dat die uitspraak nog naar het
oude recht is gewezen en zij achten het niet voorstelbaar dat dezelfde uitspraak zou zijn gedaan naar het thans geldend
recht.
Ook de medisch deskundigen kunnen in problemen komen. Indien de deskundige bij de uitoefening van zijn taak niet
gehandeld heeft zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend deskundige (medisch-specialist) verwacht mag
worden, dan kan dat aansprakelijkheid van die deskundige met zich meebrengen. Dit is af te leiden uit het arrest van de Hoge
Raad van 24 december 2004 (LJN: AR 7387) waarin in dat geval de aansprakelijkheid overigens werd afgewezen.
15
"Fouten zijn geen natuurverschijnsel’
Publicatie Medisch Contact: Nr. 21 - 23 mei 2008
Auteur: R. Crommentuyn
Bron(nen): 908-911
Elf jaar tuchtrechtspraak over heelkunde
Het aantal klachten over chirurgen bij de tuchtrechter blijft dalen. Dat is geen reden om op de lauweren te rusten, zeggen de onderzoekers.
De cijfers spreken voor zich: er worden steeds minder klachten tegen chirurgen ingediend bij de regionale tuchtcolleges. Deze trend is ingezet in de jaren tachtig van de vorige eeuw en zet zich ongewijzigd voort tot op heden (zie tabel 1). Nog verheugender is wellicht dat ook het percentage gegronde klachten afneemt.
De gegevens komen uit het boek Chirurg en tuchtrecht 1996-2007 dat deze week verschijnt. Daarin analyseert de Groningse hoogleraar gezondheidsrecht en advocaat bij Nysingh Joep Hubben samen met de chirurgiehoogleraar Theo Wiggers (UMC Groningen) en Gerie Bulstra, onderzoekster in het UMC Groningen, elf jaar tuchtrechtspraak over deze beroepsgroep. Alle 132 gegronde klachten uit de periode 1996-2007 zijn daarvoor bestudeerd.
Daaronder zijn ook dertien klachten die in hoger beroep alsnog ongegrond werden verklaard.
Volgens Hubben is de daling van het aantal klachten tegen heelkundigen extra opvallend nu blijkt dat de tuchtcolleges het drukker hebben dan ooit. In het onlangs verschenen jaarverslag maakten ze melding van een recordaantal van 1441 nieuwe klachten in 2007. ‘Bij de chirurgen valt op dat vooral de klachten over medisch-technische aspecten van de zorg afnemen, terwijl de klachten over de organisatorische aspecten van zorg toenemen (zie tabel 2). Daarbij speelt volgens mij een rol dat patiëntveiligheid en het belang van protocollen de laatste jaren veel aandacht krijgen.
Er is bijvoorbeeld aandacht voor verwisselingsfouten en voor de veiligheid op de operatiekamer. Een verzekeraar als MediRisk zit er bovenop. Die aandacht heeft waarschijnlijk vooral gevolgen voor de klachten die betrekking hebben op medisch-technische kwesties. En die zijn weer vooral belangrijk bij de snijdende specialismen.’
Hoogleraar gezondheidsrecht prof. mr. Joep Hubben: ‘Met name in het postoperatieve traject doen zich incidenten voor.’ beeld: De Beeldredaktie, Marco Vellinga
Volgens chirurg Wiggers zijn z’n vakgenoten zich inderdaad meer bewust van mogelijke risico’s. ‘Daarnaast zijn er nog nauwelijks solistisch werkende chirurgen. Uit de analyses blijkt dat vooral solisten volharden in verkeerde werkwijzen. En verder worden we natuurlijk uit de wind gehouden door de klachtenfunctionarissen die nu in elk ziekenhuis werkzaam zijn.’
Hoogleraar Chirurgie prof. dr. Theo Wiggers: ‘Een assistent kan zijn verantwoordelijkheid niet zonder meer afschuiven op zijn baas.’
Prof. Dr. Theo Wiggers
Complexe lichaamsdelen
Hoewel de medisch-technische vaardigheden van chirurgen kennelijk weinig aanleiding geven tot klagen, blijft volgens Hubben ook op dit vlak voldoende te leren uit de uitspraken. ‘Dat geldt vooral voor een aantal risicovolle ingrepen die specifieke deskundigheid vereisen.’ Wiggers: ‘Er zijn complexe lichaamsdelen en ingrepen waarmee bovendien niet alleen de chirurgen zich bezighouden. Denk aan hand- en polschirurgie.
Daarnaast zijn er de scopische ingrepen zoals die van de galblaas. Die endoscopische operaties hebben we toch wat gemakkelijk omarmd. Terecht dat de inspectie daarop wijst en aandringt op protocollering. Ik denk dat ook andere bijzondere ingrepen certificering vereisen. Niet iedereen kan alles doen. Het “bekwaam” uit “bevoegd en bekwaam” is niet vanzelfsprekend. In de academische ziekenhuizen is het allang gebruikelijk dat de specialisten zich niet begeven op het terrein van de andere specialismen. In de periferie moeten we daar ook meer naartoe. Ziekenhuizen zouden ook goed moeten nadenken over wat ze wel en wat ze niet willen aanbieden.’
Bulstra vindt het jammer dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg in elf jaar tijd slechts drie keer een klacht tegen een chirurg heeft ingediend bij de tuchtrechter. ‘De inspectie gebruikt het tuchtrecht niet vaak om de bekwaamheid van de arts aan de orde te stellen en dat is toch een gemiste kans. Nu is het aan de patiënt om de bekwaamheid van de arts te toetsen via het tuchtrecht, maar in de regel is dat niet diens eerste belang. Klachten van patiënten zijn vaak emotioneel gemotiveerd. Ze streven naar erkenning en genoegdoening. De vaardigheden van de arts zijn secundair. Het ligt meer in de lijn als de inspectie daarop toeziet.’
Onderzoekster mr. Gerie Bultstra: ‘De inspectie gebruikt het tuchtrecht niet vaak om de bekwaamheid van de arts aan de orde te stellen.’
Ook Wiggers signaleert de terughoudendheid van de inspectie om te melden. ‘Maar daar staat tegenover dat de inspectie op een hoger niveau wel adequaat ingrijpt, zie bijvoorbeeld het verbod op slokdarmoperaties voor sommige ziekenhuizen.’
Weerbarstig
Volgens Hubben hebben de chirurgen in vergelijking met de gynaecologen meer grip gekregen op de medisch-technische aspecten van hun vak, maar is er achteruitgang op het gebied van organisatie, verslaglegging en samenwerking. ‘In 74 van de 132 gegronde klachten speelden organisatorische aspecten een rol. Daarbinnen zijn er vooral problemen met “registratie en verslaglegging” en “taakopvatting, verantwoordelijkheidsverdeling en samenwerking”. Met name in het postoperatieve traject doen zich incidenten voor. Je zou denken dat het een terrein is waar gemakke-lijk verbeteringen zijn aan te brengen, maar de praktijk is weerbarstig. De zorg wordt immers steeds complexer, het proces van verslaglegging en overdracht belangrijker en kwetsbaarder.’
Wiggers: ‘Dat vooral het postoperatieve traject tot klachten leidt, heeft volgens mij te maken met het belang van de overdrachten op dat moment. Na de operatie moet elk moment goed zijn, er zijn weinig correctiemomenten. Waar je vóór de ingreep nog een en ander kunt afwegen en afwachten, is dat na de ingreep niet meer zo. Nu onder andere de werktijden van de assistenten zijn gereguleerd, zijn er meer overdrachtmomenten en daarbij gaat het toch nog regelmatig fout.’
Door de zorg te organiseren in zorgpaden is er op organisatorisch gebied nog veel te winnen, denkt Wiggers. ‘Maar het blijft weerbarstige materie. Wat ook niet helpt, is dat er voortdurend tekorten zijn. Is het niet aan radiologen of maag-, darm- en leverartsen, dan wel aan OK-tijd. Er is altijd wel ergens in de keten een tekort aan iets en dat komt de kwaliteit niet ten goede.’
Jongste bediende
Hubben signaleert ook een kleine piek aan klachten die betrekking hebben op het werk van arts-assistenten op afdelingen voor spoedeisende hulp. ‘Die combinatie is een duidelijke risicofactor. En als het dan misgaat, is het nogal eens onduidelijk wie de verantwoordelijkheid moet dragen.’
Volgens Wiggers is de SEH de afdeling waar vaak de jongste bediende te werk wordt gesteld én waar wel accuraat en snel moet worden gewerkt. ‘Dat gaat niet altijd goed. Er is eigenlijk behoefte aan beter gekwalificeerd personeel, SEH-artsen en klare chirurgen bijvoorbeeld. Maar dat is ook een financiële kwestie. In elk geval denk ik dat de leermethode “vallen en opstaan” voor de SEH niet geschikt is.’
De Groningse hoogleraar vindt dat chirurgen zich moeten vergewissen van de bekwaamheid van de assistenten, maar realiseert zich dat dat soms lastig is. ‘In grote klinieken met veel specialisten en veel assistenten kom je elkaar in een specifieke werksituatie soms erg weinig tegen, zeker door de toename van het parttime werken en de Arbeidstijdenwet.’ Bovendien zijn de assistenten zelf ook een verantwoordelijkheid. ‘Een assistent kan zijn verantwoordelijkheid niet zonder meer afschuiven op zijn baas. Ik denk dat een zelfkritische houding van de assistent - wat kan ik wel en wat niet - iets is dat in de opleiding meer aandacht behoeft.’
Reprimande
Alle drie de auteurs signaleren dat de tuchtrechter moeite heeft met zaken waarin meerdere zorgverleners verantwoordelijkheid dragen. Hubben: ‘Je ziet dat het tuchtcollege dan worstelt met de vraag wie verantwoordelijk is. Is het de individuele arts of is het de maatschap of het ziekenhuis? Probleem is dat het tuchtrecht is ingericht voor de individuele beroepsbeoefenaar. Een tuchtrechter kan een zaak niet zomaar uitbreiden naar andere betrokkenen. Een reprimande uitdelen aan een ziekenhuis of aan een maatschap kan ook niet. Soms is het toeval dat een bepaalde arts in een bepaalde casus in beeld komt.
Dat is kunstmatig en onbevredigend. In 2002 heb ik met Gerrit van der Wal (toen VU-hoogleraar, nu inspecteur-generaal voor de gezondheidszorg) en anderen bij de evaluatie van de Wet BIG al aanbevolen om de tuchtrechtelijke mogelijkheden op dit gebied uit te breiden. Er is nog niets gebeurd, maar er schijnt een brief van de minister aan de Kamer onderweg te zijn over dit onderwerp.
Ook Wiggers en Bulstra is het opgevallen dat de uitspraken van de tuchtrechter niet altijd consistent zijn als het gaat om individuele versus collectieve aansprakelijkheid. ‘In kwesties waar de keten faalt, blijkt de onmacht van de individuele toetsing’, meent Bulstra. ‘De ene keer rekt de tuchtrechter het tuchtrecht op en verklaart een klacht gegrond en een andere keer hanteert een tuchtrechter een strikte interpretatie en is de klacht ongegrond.’
Hubben hoopt dat chirurgen lering uit het boek trekken voor de dagelijkse praktijk. ‘Het aantal gegronde klachten neemt gestaag af. Maar wat er overblijft, beschouw ik niet als een onvermijdelijk natuurverschijnsel. Als je er goed naar kijkt, is er wel degelijk iets aan te doen. Als is het maar vanwege de ernst van de kwesties die tot een tuchtzaak leiden. Bij een derde is immers sprake van overlijden.’
Om er daadwerkelijk van te leren wordt het de chirurgen gemakkelijk gemaakt. ‘MediRisk zal het boek verspreiden onder alle ziekenhuizen en chirurgenmaatschappen. Over een halfjaar kan geen enkele chirurg meer zeggen dat hij niet ervan wist.’
Organisatorische misser
Een casus die zich toespitst op de verantwoordelijkheid van de supervisor. Bij een breuk in de pink blijkt onbloedige repositie en fixatie in een gipsverband niet succesvol. In overleg met de dienstdoend chirurg/supervisor gaat een arts-assistent over tot fixatie van de breuk met een kirschnerdraad. Na het aanleggen van gips wordt een controlefoto gemaakt. Een andere chirurg ziet de controlefoto de volgende dag en noteert op en onder de dag van de repositie: ‘Cave diastase’. Met die mededeling wordt echter niets gedaan.
De chirurg/supervisor die als medisch eerstverantwoordelijke chirurg wordt aangemerkt, krijgt van de tuchtrechter het verwijt dat hij zich niet over de afloop van de ingreep heeft geïnformeerd of heeft laten informeren. Ook had hij zich zo nodig de gemaakte controlefoto moeten laten voorleggen. Gegeven de aard van de ingreep had de chirurg het verloop ervan moeten controleren. Dat had de gelegenheid geschapen om in geval van (kans op) fouten of onvolkomenheden onmiddellijk tot correctie over te gaan en zo een extra behandeling te voorkomen.
Het tuchtcollege vindt dat de werkwijze van de maatschap chirurgie in het betreffende ziekenhuis een extra reden vormt voor een directe controle. Het tuchtcollege spreekt bij de wijze waarop de interne verantwoordelijkheid in het ziekenhuis is geregeld van ‘ondoorzichtigheid wat betreft de verantwoordelijkheid voor en de aanspreekbaarheid op (onderdelen van) de behandeling’. In het bijzonder bleek nergens duidelijk van een aanwijsbare overdracht door de chirurg aan een collega. Zo kon het gebeuren dat één van de bij het overleg aanwezige chirurgen bij de controlefoto de kanttekening ‘Cave diastase’ plaatste, maar niemand iets deed met die waarschuwing. In lijn met eerdere rechtspraak wordt de chirurg voor deze wijze van werken binnen de maatschap (mede)verantwoordelijk gehouden en krijgt een waarschuwing.
In deze casus heeft het tuchtcollege de maatschap chirurgie als geheel weliswaar een verwijt gemaakt van het feit dat de verslaglegging hier ‘volstrekt onvoldoende’ is geweest, maar had het geen mogelijkheden om een maatregel op te leggen.
Bron: Chirurg en tuchtrecht 1996-2007
|
Robert Crommentuyn
Bron: Tijdschrift voor Psychiatrie 46 (2004) 5, 295-304
De psychiater en het tuchtrecht
P.P.G. Hodiamont, psychiater
P.P.P. Hodiamont is psychiater en lid van het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg.
Correspondentieadres: Prof.dr. P.P.G. Hodiamont, Eekhoornstraat 2, 6531 TB Nijmegen.
De professionele autonomie van de psychiater wordt door wet- en regelgeving toenemend onder controle van de maatschappij gebracht. Als controle-instrument bij uitstek geldt het tuchtrecht, sinds 1997 geregeld in de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg - Wet BIG.
De tuchtrechtspraak heeft als doel kwaliteitsbewaking van de beroepsbeoefening in de gezondheidszorg. Over psychiaters wordt niet vaker geklaagd dan over andere medische beroepsbeoefenaren. De klachten hebben betrekking op patiëntenrechtelijke, medisch-technische en organisatorische aspecten. In het algemeen komt het aantal gegrond verklaarde klachten niet boven de 20% en is er een tendens tot daling. Aangeklaagde psychiaters doen er goed aan een zeker begrip voor de klager te tonen.
Conclusie Psychiaters zijn qualitate qua goed toegerust om een tuchtprocedure professioneel te doorstaan en er hun voordeel mee te doen.
trefwoorden maatschappelijke controle, professionele autonomie, psychiatrie, tuchtrecht, wetgeving
De psychiater en het tuchtrecht
Psychiaters behoren tot de medische professie. Hun beroepsmatig handelen speelt zich dus af binnen een professioneel kader met een heel specifiek kenmerk: dat van de `professionele autonomie'. Oorspronkelijk verwees het woord `professie' naar het afleggen van een religieuze gelofte. Daardoor werd men lid van de clerus, die destijds het monopolie had op kennis van, onder meer, recht en geneeskunde. Leden van een professie wijdden zich aan het individuele of algemene belang, doorliepen een lange periode van training, waarvan de begin- en eindtermen door de professie werden bepaald, werden uitgebreid geschoold in gespecialiseerde kennis en vaardigheden en hadden het monopolie op de uitoefening van een bepaald beroep, waarover ze geen externe verantwoording hoefden af te leggen. Professies onderscheidden zich van andere beroepen vooral in dit laatste opzicht: hun gelegitimeerde autonomie. Volgens Goode (1960) staat autonomie voor het gegeven dat de betreffende professie haar eigen normen bepaalt voor opleiding en training, dat de registratieautoriteit berust bij leden van de professie, dat haar praktijk een vorm van wettelijke erkenning heeft, dat de wetgeving rond de professie (mede) bepaald wordt door de professie zelf en vooral dat de beroepsbeoefenaar zijn werk betrekkelijk vrij kan verrichten. Dat die vrijheid betrekkelijk is, met andere woorden, dat de beroepsuitoefening onder controle staat, wordt door de beroepsgroep geaccepteerd, zeker zolang die controle intern, dat wil zeggen door beroepsgenoten, plaatsvindt. Veel minder geaccepteerd is de externe, door niet-beroepsgenoten uitgeoefende controle. Als externe controle-instantie bij uitstek geldt de rechter, aan wie immers het eindoordeel is voorbehouden over de toepassing van regels voor de beroepsuitoefening in het concrete geval.
De afgelopen decennia is de autonomie van de medische beroepsgroep toenemend onder druk komen te staan. Men spreekt in dat kader van deprofessionalisering (Haug & Lavin 1983). Voor de verklaring van dat fenomeen heeft men in de sociologie een aantal (elkaar overlappende) theorieën bedacht. Volgens de proletariseringtheorie worden artsen, zoals alle arbeiders in een kapitalistische economie, uiteindelijk van hun autonomie beroofd, en komen zij onder controle van degenen die het kapitaal beheersen (Navarro 1978). De corporisatietheorie stelt dat artsen steeds meer afhankelijk raken van organisatieverbanden en financiers, waardoor hun autonome werkwijze ondermijnd wordt (Light & Levine 1988).
De theorie van de countervailing power (Light 1991) ten slotte stelt dat het domineren van een professie tegenkrachten oproept, die de machtsbalans in een samenleving weer in evenwicht moeten brengen. Waar medici streven naar een maximale beslissingsruimte ten aanzien van de normen voor en de praktijk van hun beroepsbeoefening, zal de samenleving trachten die beslissingsruimte juist in te perken. De bemoeienis van niet-medici met de gezondheidszorg is de laatste decennia duidelijk toegenomen. Zij komt tot uiting in de publieke interesse voor de kwaliteit van de hulpverlening, in een scala aan ethische en juridische normen die aan het zorgsysteem worden opgelegd, in beleidsmaatregelen voor zorginstellingen van de overheid, de zorgverzekeraars en het bevoegd gezag, in de toepassing van het algemene en civiele recht op de gezondheidszorg en vooral in wetgeving met betrekking tot patiëntenrechten (Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst - wgbo) en tot de beroepsbeoefening (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg - Wet big) (Comans-Diesfeldt 2003).
In dit artikel wordt uitsluitend de Wet big besproken en wel het daarin opgenomen tuchtrecht. Vervolgens worden de inrichting van de tuchtrechtspraak en de veranderingen daarin per 1 december 1997 besproken. Dan komt de jurisprudentie met betrekking tot de psychiater in het tuchtrecht aan de orde. Daarna wordt aandacht besteed aan het omgaan met tuchtrechtelijke klachten. De conclusie luidt dat de psychiater in principe goed is uitgerust om een tuchtprocedure het hoofd te bieden en er zijn voordeel mee te doen.
De Wet big
De Wet big (Sluijters e.a. 1999) heeft als doel kwaliteitsbewaking en -bevordering van het beoefenen van beroepen op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Deze beroepen worden gekenmerkt door het feit dat hun verrichtingen - inclusief het doen van onderzoek en het geven van raad - rechtstreeks betrekking hebben op een persoon en ertoe strekken diens gezondheid te bevorderen of te bewaken. Aan inschrijving in het register is de bevoegdheid verbonden tot het voeren van een titel, bijvoorbeeld `arts'. Maar ook anderen dan de titelgerechtigden kunnen werkzaam zijn in de individuele gezondheidszorg. Aan degenen die werkzaam zijn in de gezondheidszorg worden twee beperkingen gesteld, voortvloeiend uit het begrip `voorbehouden handelingen' en uit een strafbepaling. In de Wet big staan een aantal `voorbehouden handelingen' opgesomd, waarbij per handeling wordt aangegeven welke beroepsbeoefenaar deze zelfstandig mag verrichten, dat wil zeggen bevoegd is de indicatie voor de handeling te stellen en de handeling zelf uit te voeren. De arts is bevoegd tot het verrichten van elk der voorbehouden handelingen. Volgens de vigerende big-regeling heeft een niet-zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar, bijvoorbeeld een verpleegkundige, de bevoegdheid tot het uitvoeren van voorbehouden handelingen, indien hij deze verricht in opdracht van een zelfstandig bevoegde beroepsbeoefenaar - bijvoorbeeld een arts, beschikt over de nodige bekwaamheid en handelt conform de aanwijzingen. De bekende `verlengde-arm-constructie' is daarmee verlaten. De strafbepaling stelt diegene strafbaar die door zijn optreden onnodig (aanmerkelijke kans op) schade aan de gezondheid van een door hem behandelde patiënt heeft veroorzaakt. Deze strafrechtelijke mogelijkheid van de Wet big wordt overigens nauwelijks gebruikt (Hubben 2003).
De strekking van het publiekrechtelijk geregelde tuchtrecht is gelegen in het openbaar belang van een goede beroepsuitoefening. Het gaat om kwaliteitsbewaking van de beroepsbeoefening, niet om het individuele belang van de klager. Het tuchtrecht werd opgenomen in de Wet big vanwege dit kwaliteitsaspect en vanwege de samenhang met de registratie. Alleen personen die in het register zijn ingeschreven, vallen namelijk onder het tuchtrecht en wel ter zake van: (a) enig handelen of nalaten in strijd met de zorg die de geregistreerde moet betrachten ten opzichte van de patiënt (en diens naaste betrekkingen); (b) enig ander handelen of nalaten in strijd met een goede uitoefening van individuele gezondheidszorg.
Inrichting van de tuchtrechtspraak en de veranderingen per 1 december 1997
De tuchtrechtspraak in het kader van de Wet big wordt in eerste aanleg uitgeoefend door vijf regionale tuchtcolleges (rtc), te Groningen, Zwolle, Amsterdam, 's-Gravenhage en Eindhoven. Het tuchtcollege is bevoegd binnen het ambtsgebied waar de aangeklaagde woont. Een regionaal tuchtcollege telt twee leden-juristen, onder wie de voorzitter, en drie leden-beroepsgenoten. In beroep is bevoegd het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg (ctg) te 's-Gravenhage, samengesteld uit drie leden-juristen, onder wie de voorzitter, en twee leden-beroepsgenoten. In eerste aanleg zijn de tuchtrechters dus in meerderheid beroepsgenoten, in hoger beroep in meerderheid juristen. Adobe Acrobat Reader 7.8Naarmate men verder gaat in de procedure neemt, met andere woorden, de interne controle af en de externe toe.
Als tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd: waarschuwing, berisping, geldboete, schorsing van de inschrijving in het big-register (voor maximaal een jaar, eventueel voorwaardelijk), (eventueel gedeeltelijke) ontzegging van de bevoegdheid het beroep uit te oefenen en doorhaling van de inschrijving. In het belang van de individuele gezondheidszorg kan een rtc schorsing van de inschrijving met onmiddellijke ingang bevelen, als de maatregel van `doorhaling van de inschrijving' wordt opgelegd. De inschrijving blijft dan geschorst totdat de beslissing tot doorhaling onherroepelijk is geworden dan wel in beroep is vernietigd. Een tuchtproces komt op gang door het indienen van een schriftelijke klacht bij het bevoegde Tuchtcollege.
Een klacht kan worden ingediend door een rechtstreeks belanghebbende, door degene die aan de aangeklaagde een opdracht heeft verstrekt en door de (hoofd)inspecteur voor de volksgezondheid. De tuchtrechter kan geen maatregel opleggen voor gedragingen waarover niet is geklaagd, maar hij kan dergelijke gedragingen wel mee laten wegen in zijn oordeel. De `procedure in eerste aanleg' kent drie fasen: het vooronderzoek, de zitting en de eindbeslissing. In het kader van het vooronderzoek wordt een afschrift van de klacht naar de aangeklaagde verzonden. Daarna volgen doorgaans een verweerschrift van de aangeklaagde en conclusies van repliek en dupliek. Dan wordt een verplicht vooronderzoek gehouden door een of meer leden of door de (plaatsvervangend) secretaris. Klager en aangeklaagde moeten door de vooronderzoeker in de gelegenheid worden gesteld gehoord te worden. Als de vooronderzoeker tot de conclusie komt dat de klacht niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of van onvoldoende gewicht is, kan het tuchtcollege besluiten om de zaak niet op een zitting te behandelen, maar zonder verder onderzoek in raadkamer af te doen. Gebeurt dat niet, dan volgt een zitting, waaraan de vooronderzoekers niet mogen deelnemen. Aan de zitting nemen deel de voorzitter en een ander lid-jurist, evenals drie leden-beroepsgenoten. De voorzitter kan ook besluiten tot een kleinere samenstelling, in dit geval de voorzitter en twee leden-beroepsgenoten.
Ter zitting, die gewoonlijk openbaar is, kunnen getuigen en deskundigen worden gehoord. De eindbeslissing wordt als regel in het openbaar uitgesproken binnen twee maanden na sluiting van het onderzoek ter zitting. Als eindbeslissingen zijn mogelijk: het niet-ontvankelijk verklaren van de klager, het afwijzen van de klacht of het opleggen van een maatregel. Redenen om een klager niet-ontvankelijk te verklaren zijn bijvoorbeeld verjaring van de bevoegdheid om een klacht in te dienen (tien jaar na het betreffende handelen of nalaten), indiening van de klacht door een niet-bevoegd persoon, het niet voldoen van een klacht aan de wettelijke eisen, dan wel het klagen over een feit waarover al eerder tuchtrechtelijk onherroepelijk is beslist (`ne bis in idem').
Tegen een beslissing van een regionaal tuchtcollege kan beroep worden aangetekend door de klager (voorzover zijn klacht ongegrond of niet-ontvankelijk is verklaard), de aangeklaagde en de (hoofd)inspecteur voor de gezondheidszorg. Het ctg is weliswaar gebonden aan de grenzen van de oorspronkelijke klacht, maar neemt die klacht geheel in heroverweging. Het ctg is dus niet gebonden aan de begrenzing van het geschil zoals neergelegd in de beslissing in eerste aanleg en ook niet aan de gronden van het beroepschrift. Gaat alleen de aangeklaagde in beroep, dan kan de beslissing slechts met algemene stemmen ongunstiger voor hem uitvallen dan de beslissing in eerste aanleg. Anders dan in eerste aanleg is het vooronderzoek in beroep niet verplicht. Afgezien van de eerder genoemde samenstelling van het ctg op de zitting geldt in beroep dezelfde procedure als in eerste aanleg. Als eindbeslissingen in beroep zijn mogelijk: het niet-ontvankelijk verklaren van de degene die beroep heeft ingesteld, verwerping van het beroep of gegrondverklaring van het beroep. Herziening van een eindbeslissing is mogelijk als na het opleggen van een maatregel omstandigheden blijken die naar ernstig vermoeden tot een afwijkende beslissing zouden hebben geleid.
Speelt een algemene vraag op het gebied van het tuchtrecht of van andere rechtsgebieden (civiel recht, straf- of bestuursrecht), dan kan de procureur-generaal op verzoek of ambtshalve `cassatie in het belang der wet' vorderen bij de Hoge Raad. De beslissing van de Hoge Raad kan dan geen nadeel meer toebrengen aan een van de partijen in de tuchtzaak.
Tot 1 december 1997 toetste de tuchtrechter volgens artikel 1 van de uit 1928 stammende Medische Tuchtwet of sprake was van `handelingen die het vertrouwen in de stand der geneeskundigen ondermijnden, van nalatigheid waardoor ernstige schade was ontstaan, of van gebleken grove onkunde bij de beroepsbeoefenaar'. Deze normen zijn niet wezenlijk anders dan de huidige, neergelegd in artikel 47 van de Wet big. Het scala aan op te leggen maatregelen is onder de Wet big echter verder verfijnd.
Klachten over psychiaters
In 1998 publiceerden Heineman & Hubben een analyse van de klachten over psychiaters die tussen 1989-1996 (onder de oude Medische Tuchtwet) bij de tuchtrechter zijn ingediend. Gedurende die periode nam het aantal klachten over alle medische beroepsbeoefenaren toe van 611 in 1989 tot 832 in 1996 - een stijging van 36%. Omdat het aantal klachten over psychiaters ongeveer evenveel steeg, terwijl het aantal psychiaters tezelfdertijd met ongeveer 40% toenam, kan dit gezien worden als een relatief gunstige ontwikkeling. Het percentage gegrond verklaarde klachten over psychiaters (gemiddeld 19%) week evenmin af van het algemene beeld. Wel werden aan psychiaters meer zware sancties opgelegd. De maatregel van ontzegging van de bevoegdheid kregen psychiaters vrijwel zonder uitzondering opgelegd wegens seksuele handelingen in de psychiater-patiëntrelatie. Volgens de rechtspraak is het een arts verboden een niet-professionele, intieme, laat staan seksuele, relatie met een patiënt aan te gaan, zelfs als deze hem daartoe zou uitnodigen, omdat een dergelijke rolvermenging afbreuk doet aan de vertrouwensrelatie en de distantie wegneemt die nodig is voor een adequate behandeling. Het medisch tuchtcollege spreekt expliciet van een `invaliderende psychiatrische behandeling'.
Tussen het beëindigen van de therapeutische relatie en het aangaan van een intieme persoonlijke relatie moet een duidelijke cesuur liggen: ten minste 6 maanden tot 1 jaar. Het aantal klachten en veroordelingen wegens dergelijke handelingen bleek in de tweede helft van de onderzoeksperiode echter duidelijk afgenomen. Verder viel op dat er veel klachten waren over de psychiatrische beoordeling van de rijvaardigheid en in het bijzonder dat 70% van deze klachten gegrond werd verklaard. Deze klachten zijn betrekkelijk gemakkelijk te voorkomen, als men zich houdt aan de eisen die het centraal medisch tuchtcollege voor rapportages heeft geformuleerd. Deze luiden als volgt: (1) in het rapport moet op inzichtelijke en consistente wijze worden uiteengezet op welke gronden de conclusie van het rapport steunt; (2) de in de uiteenzetting genoemde gronden moeten op hun beurt aantoonbaar voldoende steun vinden in feiten, omstandigheden en bevindingen, vermeld in het rapport; en (3) bedoelde gronden moeten de daaruit getrokken conclusie kunnen rechtvaardigen. Ook de kwaliteit van de verslaglegging door psychiaters is vaak kritisch beoordeeld door de tuchtrechter. De toetsing van het psychiatrisch handelen door de tuchtrechter vereist dat dit handelen aan de hand van het patiëntendossier kan worden gereconstrueerd. Omdat het tuchtcollege meerdere malen uit de verslaglegging afleidde dat de psychiater zijn beleid zorgvuldig had bepaald, blijkt adequate dossiervorming dus ook in het belang van de laatste.
In het algemeen kunnen psychiaters hun voordeel doen met kennis van de normen die de tuchtcolleges hanteren bij de toetsing van het professioneel handelen. Om die reden wordt hier aan de hand van Heineman & Hubben (1998) nader ingaan op een aantal relevante tuchtrechtelijke beslissingen over psychiaters. Die beslissingen worden meestal ingedeeld naar de categorieën medisch-technisch handelen, patiëntenrechtelijke aspecten en organisatorische aspecten.
Onder de medisch-technische categorie vallen met name de veelvuldig gemaakte verwijten van tekortkomingen in reactie op de hulpvraag, onderzoek en diagnostiek. Bij de beoordeling daarvan hanteert de tuchtrechter als norm of de psychiater voldoende zorgvuldig heeft gehandeld.
Die norm blijkt aan verschillende criteria te worden afgemeten: `in redelijkheid', `gebruikelijk', `zoals verwacht mocht worden in de gegeven omstandigheden', `conform de medische standaard en de voor een gemiddeld psychiater gebruikelijke kennis'. Een belangrijke rol in de beoordeling speelt de vraag of ten aanzien van de te volgen werkwijze consensus bestaat binnen de beroepsgroep, dan wel of de psychiater heeft gehandeld overeenkomstig de richtlijnen. Een voorbeeld van het criterium `zoals verwacht mocht worden in de gegeven omstandigheden' is de casus waarin een psychiater een waarschuwing kreeg wegens het naar huis laten gaan van een patiënt in crisis, die geen bezwaar maakte tegen opname en wiens echtgenote en zoon de psychiater wezen op de ernst van de situatie. Het criterium `conform de medische standaard' komt tot uiting in het standpunt van de tuchtrechter dat van een psychiater als specialist mag worden verwacht dat hij de door hem verworven algemene kennis van het menselijk lichaam en de in dat verband geleerde onderzoeksmethoden - ook in riagg-verband! - tracht dienstbaar te maken aan het stellen van een diagnose. De psychiater had in casu te weinig ondernomen om de lichamelijke oorzaak van het toestandsbeeld te achterhalen. Bij klachten over anamnese en dia-gnostiek wordt het dossier, waaruit de zorgvuldigheid van de behandeling moet blijken, door de tuchtrechter vaak ondermaats bevonden, zoals blijkt uit de kwalificaties: `nauwelijks of geen dossier gevormd', `onderzoeksgegevens ontbreken en verslaglegging is zo beknopt dat zij nauwelijks bruikbaar is voor inhoudelijke overdracht'. Klachten over behandeling en medicatie werden veel minder vaak gegrond bevonden. Het feit dat een behandeling mislukt of dat een patiënt niet tevreden is met het resultaat, betekent op zichzelf niet dat de psychiater een verwijt kan worden gemaakt.
Bij de tuchtrechtelijke beoordeling is van belang of de gehanteerde behandelmethode gebruikelijk en geaccepteerd is in de kring der beroepsgenoten. Om dat te kunnen vaststellen wordt regelmatig een beroep gedaan op deskundigen. Voor een antwoord op de vraag of de psychiater voldoende bekwaam te werk is gegaan, wordt overwogen in hoeverre hij op de hoogte was van de stand der wetenschap. De tuchtrechter stelde in een bepaald geval dat lezing van het Farmacotherapeutisch Kompas routinematig behoort plaats te vinden. Ten aanzien van klachten over gedwongen medicatie blijkt de tuchtrechter zeer terughoudend.
In de categorie patiëntrechtelijke aspecten vallen klachten over informatie en toestemming, inzage en afgifte (weigeren) van dossiers, beroepsgeheim/schenden van de privacy, evenals bejegening en attitude. Ook op het terrein van de psychiatrie geldt als uitgangspunt dat een behandeling alleen mag plaatsvinden na toestemming van de patiënt, gegeven op basis van adequate informatie. Ten aanzien van de informatie over de risico's van een behandeling geldt de redelijkheidtoets. Niet alle mogelijke, maar niet te verwachten, risico's behoeven vermeld te worden. De psychiater moet zich er van vergewissen dat de patiënt de informatie heeft begrepen. Afwijkingen van de informed-consent-regel zijn doorgaans alleen gerechtvaardigd als het nadeel van informatie voor de patiënt of anderen groter is dan diens belang bij informatie (de zogenaamde therapeutische exceptie). De vraag is waar het juiste midden ligt tussen te gedetailleerde informatie, die de patiënt nodeloos uit balans brengt, en te globale informatie, die onvoldoende basis biedt voor een gefundeerde beslissing. Andere uitzonderingen op het recht van informatie zijn therapie waarbij een placebo wordt gebruikt, therapie bij jonge minderjarigen (kinderen in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar hebben volledig recht op informatie en voor hun behandeling is de toestemming van zowel de minderjarige als diens wettelijke vertegenwoordigers nodig) en bij wilsonbekwame personen.
De zich snel ontwikkelende opvattingen over het inzagerecht hebben ertoe geleid dat de tuchtrechter in principe uitgaat van een ongeclausuleerde en onbegeleide inzage. In bepaalde gevallen acht hij echter een uitzondering gerechtvaardigd, bijvoorbeeld als het dossier gegevens over de ouders van de patiënt bevat. Afgifte van dossiers moet worden onderscheiden van inzage. De psychiater is niet gehouden tot afgifte van het dossier, maar wel tot het (tegen een redelijke vergoeding) verstrekken van afschriften daarvan. Het medisch beroepsgeheim is essentieel voor het vertrouwen van het publiek in psychiaters. Hoofdregel is dan ook dat informatie aan derden alleen met (direct van de patiënt) verkregen toestemming mag worden gegeven. Het beroepsgeheim geldt ook na de dood van de patiënt. Omdat het gaat om een persoonlijk recht van de patiënt kunnen de erfgenamen de arts niet van diens zwijgplicht ontheffen. Voor bepaalde situaties kan met de constructie van de `veronderstelde toestemming' worden gewerkt. Ook kan de rechter toetsen of de belangen van de nabestaanden zo zwaarwegend zijn dat het beroepsgeheim hiervoor mag wijken. Handelen in strijd met deze hoofdregel is een aantal psychiaters op een tuchtrechtelijke maatregel komen te staan. Naast de uitzonderingen die in de wet zijn geregeld (bijvoorbeeld rapportage over een gedwongen opname) kan een rechtvaardiging voortvloeien uit het bestaan van een conflict van plichten. Een voorbeeld is het zonder toestemming van ouders of voogd informeren van de Raad voor de Kinderbescherming of de vertrouwensarts over de bedreigende situatie waarin een kind zich bevindt. Als toetsingscriterium is van belang of het door de psychiater aanwezig geachte gevaar alleen kon worden bestreden door het beroepsgeheim te schenden.
Onder de organisatorische aspecten worden de klachten gerekend met betrekking tot registratie/verslaglegging, de bereikbaarheid en continuïteit van zorg, alsmede taakverdeling en verantwoordelijkheid. Tot het medische dossier behoren volgens de tuchtrechter het opnameverslag, de anamnese en diagnose, het behandelingsplan, het verloop van de behandeling, de voorgeschreven medicijnen en ook de verpleegkundige status.
In het algemeen hoort het dossier een beeld te geven van het onderzoek en de behandeling, de resultaten daarvan en de overwegingen die aan een en ander ten grondslag liggen. Niet alleen de behandelend psychiater, maar ook de psychiater die hoofd van een afdeling is wordt verantwoordelijk en tuchtrechtelijk aansprakelijk geacht voor het bijhouden van het dossier. Opmerkelijk is een uitspraak van de tuchtrechter dat verslagen van teambesprekingen, zeker in een opleidingsinstituut, langer bewaard dienen te worden. In een klacht over het functioneren van de bereikbaarheid van de Centrale riagg Dienst bij de beoordeling van de noodzaak tot acute opname gaf de tuchtrechter kritiek op de gevolgde werkwijze, zonder overigens een maatregel op te leggen. De taak van de zogenaamde rijdende psychiater wordt in feite namelijk vaak door een relatief onervaren basisarts uitgevoerd. Wanneer deze voor de besluitvorming essentiële informatie over het hoofd ziet, bereikt die informatie ook de psychiater-achterwacht niet. In de loop van de jaren negentig tekent zich verder een verscherping af in de tuchtrechtelijke aansprakelijkheid van de psychiater/directeur patiëntenzorg. Deze wordt verantwoordelijk gehouden voor de organisatie van de zorg in het ziekenhuis, voor de kwaliteit van de verslaglegging en voor de overdracht van de noodzakelijke informatie.
Uit de eind 2002 gepubliceerde evaluatie van de Wet big blijkt een dalende tendens van het aantal klachten dat bij tuchtcolleges wordt ingediend (Hubben 2003). In 2001 waren dat er 781. Die dalende tendens is nog duidelijker wanneer men in aanmerking neemt dat het aantal beroepsbeoefenaars onder het tuchtrecht van de Wet big is uitgebreid (met ongeveer 240.000 hulpverleners). Een deel van de klachten zal ongetwijfeld worden weggevangen door de, inmiddels operationele, klachtencommissies in de gezondheidszorg. In de periode 1997-2001 is het aantal door de tuchtcolleges gegrond verklaarde klachten bovendien geleidelijk gedaald tot 15%. Daarbij zou een rol kunnen spelen dat de drempel om tot gegrondverklaring te komen voor het tuchtcollege betrekkelijk hoog is, omdat gegrondverklaring altijd gepaard moet gaan met het opleggen van een maatregel en zelfs de lichtste maatregel nog als ingrijpend wordt ervaren.
Onder het tuchtrecht van de Wet big lijken de genoemde standpunten van de tuchtrechter niet wezenlijk veranderd. Een uitzondering is de tuchtrechtelijke positie van de in het big-register opgenomen beroepsbeoefenaar met een organisatorische functie. Door de incorporatie van het, voorheen in de Medische Tuchtwet neergelegde, tuchtrecht in de Wet big is een dergelijke functionaris namelijk niet meer aan de tuchtrechtspraak onderworpen. Hij verricht immers geen handelingen op het gebied van de individuele gezondheidszorg. Voor het overige kunnen we de uitspraken blijven hanteren als aangrijpingspunten voor het voorkomen van tuchtklachten.
Omgaan met klachten
Een klacht is doorgaans een emotionele aangelegenheid, niet alleen voor de patiënt, maar zeker ook voor de arts, dan wel de psychiater. Bij de patiënt zou men de emoties kunnen verklaren uit het feit dat hij of zij, door of na het contact met de arts, schade meent te hebben opgelopen. Bij de emoties van de arts speelt krenking van het professionele zelfgevoel waarschijnlijk een belangrijke rol. Het gevoel van professionele eigenwaarde stoelt op twee wezenlijke kenmerken van de professional: zijn inzet voor het individuele en publieke belang, evenals zijn professionele autonomie. De stress als gevolg van deze krenking kan hoog oplopen. Gevallen waarin artsen, zelfs naar aanleiding van een uiteindelijk door de tuchtrechter ongegrond verklaarde klacht, depressief en/of suïcidaal werden of ten minste psychotherapeutische hulp zochten, zijn geen uitzondering.
Hoewel het tuchtrecht uitdrukkelijk bedoeld is als kwaliteitsverbeterend instrument, blijkt uit Amerikaans onderzoek dat de arts na een klacht een groter risico loopt nogmaals een fout te begaan (Calff geciteerd in Comans-Diesveldt 2003). Dergelijke observaties hebben stemmen doen opgaan die pleiten voor een verandering van het vigerende tuchtrecht, in die zin dat een klacht gegrond kan worden verklaard zonder (automatische) oplegging van een maatregel. Hoe dat ook zij, het is niet verstandig vanuit heftige emoties op de klacht te reageren. Een emotioneel verweer, dat de klager immers in afschrift ontvangt, zal betrokken klager alleen maar bozer maken. Doorgaans verzoekt het tuchtcollege de aangeklaagde arts binnen vier tot zes weken een reactie te sturen, waarbij uitstel mogelijk is. In die periode kan de arts zich het best eerst tot een deskundige wenden: een jurist werkzaam bij de rechtsbijstandverzekeraar, een door die verzekeraar ingezette advocaat of een advocaat die de arts zelf in de arm heeft genomen. Artsen, aangesloten bij de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (knmg) kunnen
contact opnemen met het knmg-bureau voor juridische en medisch-inhoudelijke advisering.
Als een patiënt verschillende hulpverleners in verband met hetzelfde incident heeft aangeklaagd, is het wijs de diverse verweerschriften op elkaar af te stemmen. Kritiek op een collega of een andere hulpverlener is uit den boze. Men kan zich het beste beperken tot het, in korte zinnen en eenvoudig Nederlands, weergeven van de feiten en de motieven voor het handelen. In het verweerschrift moeten in elk geval aan de orde komen: de relatie van de arts met de patiënt (behandelend psychiater, arts-assistent verbonden aan een afdeling, enz.), een samenvatting van relevante aspecten uit de voorgeschiedenis (hoe lang is de patiënt al in behandeling, relevante aandoeningen, enz.), de feiten zoals ze in het dossier staan of herinnerd worden (als de klager toestemming weigert tot inzage van het dossier, kan de arts geen adequaat verweer voeren en wordt de zaak meestal niet verder behandeld) en een reactie op de klacht (is er contact geweest over de klacht met de klager en waarom heeft dit niet tot een oplossing geleid; wat heeft de arts aan zijn handelwijze veranderd om herhaling van dergelijke situaties te voorkomen). Verder verdient het aanbeveling de brief van klager in te delen naar onderdelen van de klacht en daar puntsgewijs op in te gaan, met de nodige aandacht voor de motieven die een rol hebben gespeeld bij de handelwijze van de arts. Voor deze beschrijving is het soort klacht van belang. Gaat het om een klacht over de bejegening, dan lijkt het raadzaam de communicatie centraal te stellen in het verweer. Bij een klacht van medisch-technische aard, maar ook bij fouten in het proces (bijvoorbeeld onbereikbaarheid van de dienst) of inschattingsfouten (bijvoorbeeld het missen van een zeldzame diagnose) spreekt het in het voordeel van de arts als hij kan verwijzen naar een, zo goed mogelijk gevolgd(e), protocol of richtlijn. In het slot van het verweer dient kort te worden samengevat op basis van welke informatie en waarom de arts zo gehandeld heeft (Doppegieter 2001).
Als zowel klager als aangeklaagde ingaan op de uitnodiging van het tuchtcollege gehoord te worden in het kader van het vooronderzoek, kan de vooronderzoeker het gesprek tussen de partijen aangrijpen om te bezien of een minnelijke schikking mogelijk is. In dat geval komt de klacht te vervallen. Als een minnelijke schikking uitblijft en het tot een openbare zitting komt, doet men er goed aan ter zitting te verschijnen en de zaak toe te lichten. Afwezigheid kan de indruk wekken van desinteresse. Tijdens de zitting komen beide partijen aan het woord. Meestal begint de voorzitter het gesprek met de klager. Hij gaat de feiten na en vraagt uitdrukkelijk wat de klager de arts precies verwijt. Dan gaat het gesprek door met de arts. Vervolgens krijgen, om de beurt, de leden van het college de gelegenheid tot het stellen van vragen. Daarna spreken, voorzover aanwezig, de advocaten of andere rechtshelpers. De aangeklaagde arts heeft altijd het laatste woord. Het is niet verstandig op de zitting gevoelens van agressie te uiten aan het adres van de klager, zelfs al zou de arts daartoe alle reden hebben. Tuchtcolleges zijn immers in het leven geroepen om een oordeel te geven over de beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg en niet over de klager. Het tonen van een zeker begrip voor de klager maakt daarentegen een sterke indruk (Offers 2001).
De Commissie chirurg en recht van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde heeft recent
een alfabetisch hitlijstje uitgebracht voor `eerste hulp bij klacht en claim' dat - mutatis mutandis - ook goed bruikbaar is in de psychiatrie (Commissie chirurg en recht 2000).
Tot slot
De ontwikkeling in het tuchtrecht van vooral interne naar een meer externe controle weerspiegelt de vigerende krachtsverhoudingen op het gebied van autonomie tussen de medische professie enerzijds en de (rest van de) maatschappij anderzijds. Wanneer een psychiater te maken krijgt met een tuchtprocedure doet hij er goed aan het doel van het tuchtrecht voor ogen te houden, namelijk kwaliteitsbewaking en bevordering. Minder dan 20% van de klachten wordt uiteindelijk gegrond verklaard en de in het laatste geval opgelegde maatregelen beogen correctie in plaats van straf. Dat de beroepsbeoefenaar zo'n maatregel in het algemeen niet dankbaar aanvaardt als een gratis advies tot verbetering, verklaarde De Jonghe (persoonlijke mededeling 2003) in zijn afscheidstoespraak voor het Centraal Tuchtcollege uit de niet alleen bij de klagende patiënt maar ook bij de aangeklaagde arts levende magische gedachte dat een arts geen fouten mag maken. Als psychiaters zijn we getraind in het omgaan met magisch denken, overdrachts- en tegenoverdrachtsfenomenen. Aan confrontaties met ons doen en laten zijn we gewend door leertherapie, supervisie, intervisie, intercollegiale toetsing en beoordeling door klachtencommissies. We lijken dus bij uitstek geëquipeerd om een tuchtprocedure op waarde te schatten, professioneel te hanteren en er ons voordeel mee te doen met het oog op een optimale patiëntenzorg.
Literatuurlijst bij dit artikel vindt u onder literatuur.
Psychiater Chabot berispt door medisch tuchtcollege
Hulp bij zelfmoord
Bron: RfDagblad 30-03-1995
Het medisch tuchtcollege in Amsterdam heeft vanmorgen psychiater B. E. Chabot berispt voor het verlenen van hulp bij zelfmoord bij zijn patiënte mevrouw H. Bosscher (51) in 1991. Chabot heeft volgens het tuchtcollege met zijn handelwijze het vertrouwen in de stand der geneeskunde ondermijnd.
De uitspraak is opzienbarend, omdat de Hoge Raad vorig jaar juni Chabot weliswaar schuldig verklaarde, maar hem geen straf oplegde. De Groningse psychiater werd slechts verweten dat hij onzorgvuldig had gehandeld omdat hij de patiënten niet door een tweede psychiater had laten onderzoeken.
Het medisch tuchtcollege stelt dat bij mevrouw Bosscher onvoldoende is vastgesteld of er sprake was van onbehandelbaar en uitzichtloos, ondragelijk lijden.
De doodswens van de patiënte kan volgens het tuchtcollege grotendeels worden verklaard door de depressie waaraan zij leed. Ook het afwijzen van een medische behandeling noemt het college typerend voor een depressie. Het is volgens het medisch tuchtcollege dan ook onjuist dat Chabot de doodswens van mevrouw Bosscher beschouwde als haar autonome beslissing.
Antidepressiva
Het tuchtcollege sluit niet uit dat mevrouw Bosscher na een behandeling met antidepressiva anders tegen haar toekomst zou hebben aangekeken en ook meer open zou hebben gestaan voor verdere behandeling. Een dergelijke behandeling zou volgens het tuchtcollege bovendien geen al te grote belasting zijn geweest gezien de gunstige resultaten in een aanzienlijk aantal gevallen.
De eerste contacten tussen mevrouw Bosscher en Chabot vonden drie maanden na het overlijden van haar tweede zoon plaats. Tussen haar overlijden en deze eerste contacten lagen slechts twee maanden. Het is daarom des te meer onjuist dat Chabot zijn beslissing niet afhankelijk heeft gemaakt van althans enige behandeling met antidepressiva, aldus het college.
De weigering van mevrouw Bosscher om zich te laten behandelen had volgens het college voor Chabot reden moeten zijn om vooralsnog geen hulp bij zelfmoord te verlenen. Dat mevrouw Bosscher in dat geval wellicht het contact met hem zou hebben verbroken, is volgens het college niet voldoende voor een ander oordeel.
Meer gezag
Chabot had haar bovendien met meer gezag duidelijk moeten maken dat het weigeren om mee te gaan in haar wens tot zelfdoding niet gelijk stond met het ,,in de steek laten" van zijn patiënte.
Het college verwijt Chabot dat hij zijn patiënte niet door een collega heeft laten onderzoeken, maar slechts op afstand adviezen van vier andere gedragskundigen heeft ingewonnen. Gezien het onomkeerbare karakter van een handeling die hulp bij zelfdoding nu eenmaal is, had dit zeker gemoeten, aldus het tuchtcollege.
Het wijst erop dat die gewoonte ook wordt gevolgd bij minder ingrijpende (be)handelingen als elektroconvulsieve therapie (elektroshock).
Vanmorgen was nog niet bekend of tegen deze uitspraak bij het centraal medisch tuchtcollege beroep zal worden aangetekend.
Psychiaters te koop
r. van deth
ronvandeth@casema.nl
De laatste jaren heeft de farmaceutische industrie
de psychiatrie stevig in haar greep gekregen. Onderzoekers
en opinieleiders, registratie-autoriteiten
en richtlijncommissies, beroeps- en patiëntenverenigingen,
opleiders en praktiserend psychiaters,
overal doet de invloed van de industrie zich
gelden. Terwijl toch de geloofwaardigheid van de
beroepsgroep op het spel staat, zijn psychiaters
zich nauwelijks bewust van de gevaren van deze
bemoeienis. En als ze zich er al druk over maken,
dan zoeken ze de oplossing in transparantie. Hoe
zinvol transparantie ook mag zijn, zij is hoogstens
een eerste stap. De uiteindelijke oplossing ligt in
het volledig doorsnijden van de banden met de farmaceutische
industrie. Daartoe wordt in deze presentatie
een aantal concrete voorstellen gedaan.
Waar in de huidige situatie het onderhouden van
warme relaties met de industrie letterlijk en figuurlijk
wordt beloond, beogen deze voorstellen
juist degenen te belonen die de industrie op gepaste
afstand houden. Het doel daarvan is dat psychiaters
niet langer meer bepaalde pillen voorschrijven
omdat daar het meeste marketinggeld
aan is besteed, maar omdat ze voor de patiënt de
beste oplossing lijken.
literatuur
Vandereyken, W., & van Deth, R. (2006). Psychiaters te koop. De invloed
van de farmaceutische industrie op het psychiatrisch denken en handelen.
Antwerpen/Apeldoorn: Cyclus.
Rol van de raad van bestuur in de relatie van de ggzinstelling
met de farmaceutische industrie
r.m.w. smeets
rob.smeets@ggzfriesland.nl
Van het management van een ggz-instelling wordt
tegenwoordig verwacht dat het als maatschappelijk
ondernemer concurrerend op de ggz-markt
opereert. Past een aanbod van sponsoring van een
ggz-instelling door een farmaceutische firma
daarin? Hoe gaat de instelling om met gesponsord
therapieaanbod? Hoe passen gesponsord onderzoek
en bijscholing in de doelstelling van een ggzinstelling
om researchambities van hun medewerkers
te honoreren en evidence-basedbehandelingen
te geven? Krijgen artsenbezoekers toegang tot de
instelling? Organiseert de instelling zelf onafhankelijk
farmacotherapieoverleg? Staat het voorschrijvers
vrij hoe ze hun bijscholingsbudget in de
Arbeidsvoorwaardenregeling Medisch Specialisten
(ams) besteden? Dit zijn een paar voorbeelden
van dilemma’s waar het management van ggz-instellingen
voor staat. Bij de keuzes die het management
maakt, wordt het kritisch gevolgd namens
de overheid door de Inspectie voor de Gezondheidszorg
(igz), door de zorgverzekeraar en de
publieke opinie. In deze voordracht gaat Rob
Smeets, lid van de raad van bestuur van ggz-Friesland
en voormalig hoofdinspecteur van de igz, in
op de mogelijkheden en onmogelijkheden die het
management van ggz-instellingen heeft, om met
deze problematiek om te gaan.
De rol van de ziekenhuisapotheker in de relatie met de
farmaceutische industrie
w.j. broekema
wj.broekema@symfora.nl
doel Het weergeven van het functioneren
van de ziekenhuisapotheker in de relatie met
de farmaceutische industrie.
methode Een beschouwing van het eigen
functioneren, gerelateerd aan de normen die
gelden in de beroepsgroep en in de maatschappij.
resultaten De ziekenhuisapotheker
heeft een duidelijke rol in de functiescheiding in
de relatie met de farmaceutische industrie. De ziekenhuisapotheker
voegt inhoudelijke waren- en
marktkennis toe om de relatie met de farmaceutische
industrie zuiver te houden. Een formalisering
van de randvoorwaarden met betrekking tot de
contacten in het algemeen met de farmaceutische
industrie schept helderheid, maar is op bepaalde
deelgebieden in de praktijk moeizaam te handhaven.
conclusie In het samenspel met de farmaceutische
industrie heeft de ziekenhuisapotheker
een toegevoegde waarde.
Professionele relatie psychiater en farmaceutische industrie
m.p.a.m. sonnen
msonnen@xs4all.nl
achtergrond Psychiaters en de farmaceutische
industrie hebben gemeenschappelijke
belangen. De psychiater heeft er belang bij
toegang te hebben tot de kennis en financiële mogelijkheden
van de farmaceutische industrie. De
farmaceutische industrie heeft belang bij toegang
tot behandelaars, om hen te informeren over nieuwe
(indicaties voor) geneesmiddelen voor de patiënten
die daarvan profijt kunnen hebben, en
voor het doen van geneesmiddelenonderzoek. In
de huidige situatie krijgen de belangen van de industrie
te veel gewicht door te weinig tegenspel
van de psychiaters.
Toename van klachten tegen verzekeringsartsen en bedrijfsartsen
|
Interview met mr. H.P.H. van Griensven, voorzitter Regionaal Tuchtcollege Eindhoven door Michel Verhoeven, SRA (Stichting Register Arbeidskundigen).
De individuele gezondheidszorg kent een tuchtcollege. Maar wat is de rol van dat tuchtcollege eigenlijk? Zijn er verschillen of overeenkomsten met de SRA? En zijn er misschien interessante trends in de gezondheidszorg te ontdekken?
Van Griensven benadrukt allereerst het belang van een onafhankelijk tuchtcollege: "Het is goed dat beroepsgroepen zijn gebonden aan handelings- en gedragsregels. Ik heb niet het idee dat die regels het functioneren belemmeren. Maar de impact van een uitspraak van het tuchtcollege is enorm. Een uitspraak heeft vaak grote gevolgen voor beide partijen."
Openbaar belang
"Ons voornaamste doel is het waarborgen van het openbare belang van een goede beroepsuitoefening", aldus Van Griensven. "Het tuchtcollege is de instantie die oordeelt over klachten tegen (tand)artsen, apothekers, gezondheidszorgpsychologen, psychotherapeuten, fysiotherapeuten, verloskundigen en verpleegkundigen. In de wet BIG (Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg, red.) is vastgelegd waar zij aan moeten voldoen om hun beroep te mogen uitoefenen. Ook is daarin vastgelegd aan welke normen een behoorlijke beroepsuitoefening dient te voldoen. Wanneer iemand van mening is dat een beroepsbeoefenaar zich niet aan die regels houdt kan men het tuchtcollege om een objectief oordeel vragen. Als een klacht gegrond blijkt wordt een sanctie opgelegd die kan variëren van een waarschuwing, boete of schorsing tot zelfs de ontzegging van de bevoegdheid het beroep uit te oefenen."
Van Griensven benadrukt dat heldere communicatie over uitspraken ook het openbaar belang dient. "Van uitspraken of trends die wij als tuchtcollege signaleren kan ook iets geleerd worden. Daarom gaan we binnenkort al onze uitspraken net als SRA op internet publiceren. Ook publiceren wij regelmatig in medische vakbladen zoals Het Medisch Contact."
Hoger beroep versterkt rechtsgevoel
Klachten worden in eerste instantie behandeld door één van de regionale tuchtcolleges. Zaken in hoger beroep worden behandeld door het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg. Dat is een belangrijk verschil met SRA: de mogelijkheid om in hoger beroep te gaan tegen een uitspraak. "Verreweg de meeste klachten die bij ons binnenkomen hebben betrekking op een onjuiste behandeling, een verkeerde diagnose of onvoldoende zorg. Dergelijke klachtenprocedures zijn voor beide partijen emotioneel zeer zwaar en soms gaat het zelfs om leven en dood. De hoger beroepsprocedure garandeert dan een weloverwogen eindoordeel en draagt bij aan het rechtsgevoel van betrokkenen."
Trends in klachten
Volgens Van Griensven is er een aantal opvallende trends te signaleren in de klachten die binnenkomen. "Vorig jaar zijn er 326 klachten binnenkomen bij het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven. Daarvan hadden 50 klachten op de een of andere manier te maken met gebrekkige communicatie van de beroepsbeoefenaren. Denk hierbij aan het onheus bejegenen van patiënten en het verstrekken van onvoldoende informatie. Dat is een stijging ten opzichte van vorig jaar. Hard maken kan ik het niet, maar mijn gevoel zegt dat de stijging van de werkdruk hierbij een rol speelt. Met name de huisartsen staan onder steeds grotere druk, en dat brengt bepaalde risico's met zich mee."
Een andere trend die Van Griensven signaleert is de toename van het aantal klachten over bedrijfsartsen en verzekeringsartsen. "Een arbeidsconflict is uiteraard een goede voedingsbodem voor het ontstaan van medische problemen. Vaak leiden die problemen tot oordelen van bedrijfsartsen en verzekeringsartsen waar men het niet mee eens is. Nu steeds meer banen op de tocht staan en de sociale zekerheid versobert, zie je dat ook steeds meer klachten tegen bedrijfs- en verzekeringsartsen worden ingediend, soms ook om civiele procedures te ondersteunen. Dat aantal klachten is zelfs zodanig toegenomen dat we overwegen om vertegenwoordigers uit die beroepsgroepen als lid in ons college op te nemen."
Michel Verhoeven is bestuurslid van SRA en werkzaam als projectmanager bij UWV.
Artsen willen geen straf na medische fout
Bron:NRC Handelsblad d.d. 7 september 2007
Bij gegrond verklaarde klacht inzake medische fout moet de mogelijkheid bestaan om de arts niet
te bestraffen met een maatregel. Dit gebeurt nu ook al, maar dit is in strijd met het tuchtrechtsysteem.
Tuchtcollege waarschuwt artsen bij afgeven onjuiste verklaringen
bron: Elsevier
Het Regionaal Tuchtcollege in Eindhoven signaleert dat artsen steeds vaker onjuiste verklaringen afgeven of het beroepsgeheim schenden. Dit gebeurt vooral tijdens echtscheidingsprocedures.
Voorzitter H. van Griensven waarschuwt artsen voor dergelijke praktijken. Deze klachten worden vaker gegrond verklaard dan andere, zegt hij Medisch Contact.
Onafhankelijk
Van Griensven benadrukt dat artsen niet zomaar op verzoeken in moeten gaan en bij rechtszaken betrokken raken. Ook niet als patiënten of advocaten dat vragen. ?Als het nodig is, kunnen rechters een onafhankelijk deskundige inschakelen.?
Niet bevoegd
Volgens Van Griensven laten artsen die de fout in gaan hun gevoel spreken en geven zij een verklaring af op een gebied waarop zij niet bevoegd zijn. Zo gaf een huisarts een geneeskundige verklaring over het kind van een vrouw die met de vader in een procedure over omgangsrecht was verwikkeld.
Spijt
De huisarts schreef dat het kind elke keer dat het voor langere tijd bij zijn vader was geweest, van slag was: onrustig, angstig en opvallend seksueel gedrag vertoonde dat niet bij de leeftijd paste. Volgens zijn verklaring was het in het belang van het kind dat er voorlopig geen omgangsregeling met de vader is. Achteraf heeft de huisarts spijt, vooral omdat hij vermoedt dat de aantijgingen van de moeder niet kloppen. Het tuchtcollege tikte hem op de vingers.
Waarschuwing
In een ander voorbeeld laat een huisarts zich door nabestaanden van een overleden patiënt overhalen om een verklaring te schrijven dat de man onvoldoende verstandelijke vermogens had om beslissingen te nemen. De man had daags na zijn doorverwijzing naar de afdeling Geriatrie van het ziekenhuis zijn testament laten aanpassen. De erfgenamen lagen in de clinch over zijn nalatenschap en vochten zijn testament aan. De huisarts gaf een verklaring en legde een getuigenverklaring af bij de rechtbank. Het tuchtcollege waarschuwde hem dat een arts geen gegevens over een overleden patiënt aan derden mag verstrekken, ook niet aan nabestaanden.
Medische tuchtcolleges vaak teruggefloten
Bron: Elsevier
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg vernietigt een op de vijf beslissingen van de regionale tuchtcolleges. Het Regionaal Tuchtcollege Eindhoven wordt vaker teruggefloten dan de andere vier regionale tuchtcolleges in het land.
Dit blijkt uit een inventarisatie van uitspraken van het Centraal Tuchtcollege over de periode 1999-2005 die het tijdschrift Medisch Contact maakte. In die periode behandelde het college ruim duizend tuchtzaken in beroep.
Mondeling verhoor
H. van Griensven, sinds augustus 2003 voorzitter van het Eindhovense tuchtcollege, vindt het opvallend dat 27 procent van de uitspraken van zijn college in hoger beroep sneuvelde. Dat komt omdat het college veel zaken afdeed zonder de betrokkenen mondeling te horen, stelt hij. Het Centraal Tuchtcollege tikte de Eindhovense collega's ook al op de vingers omdat het wettelijk verplichte vooronderzoek vaak ontbrak.
Vooronderzoeken
Volgens Van Griensven vingen patiënten die klaagden over een arts daardoor vaker bot dan bij andere tuchtcolleges. Landelijk gezien werd in 2003 15 procent van de klachten gegrond verklaard, in Eindhoven was dat maar 7 procent. Sinds zijn aantreden doet het Eindhovense tuchtcollege wel vooronderzoeken.
Groningen positief
De tuchtcolleges in Amsterdam, Den Haag en Zwolle zitten op het landelijk gemiddelde als het gaat om het aantal vernietigde uitspraken, maar Groningen steekt daar positief bij af. Van dit tuchtcollege vernietigden de landelijke collega's maar een op de tien beslissingen.
Meer tijd
Voorzitter T. Duursma denkt dat dat komt omdat het de minste klachten voor de kiezen krijgt waardoor de collegeleden meer tijd in een zaak kunnen steken. Ook doen ze zaken meestal mondeling af en zijn er doorgaans vijf collegeleden bij betrokken in plaats van drie, wat wettelijk ook mogelijk is.
Weinig succes
Erg snel heeft een patiënt die wat te klagen heeft over een arts geen succes bij een regionaal tuchtcollege. Vier van de vijf klachten worden afgewezen of ongegrond verklaard. Slechts een op de tien klachten is (deels) gegrond
|