|
Nieuws
Disciplinaire maatregelen voor rechters uitgebreid
De Stentor, 14 juni 2011
DEN HAAG – Rechters die zich niet aan de regels houden, kunnen straks te maken krijgen met meer soorten disciplinaire maatregelen. Minister Ivo Opstelten (Veiligheid en Justitie) kondigt aan met wetgeving te komen om dit te regelen.
Dat heeft hij dinsdag geantwoord op vragen van de VVD.
Breder scala
Nu kan een rechter alleen een schriftelijke waarschuwing krijgen of de laan worden uitgestuurd. Opstelten is ter ore gekomen dat vooral de besturen van rechtbanken behoefte hebben aan een breder scala aan disciplinaire maatregelen.
Hij heeft daarover inmiddels overlegd met onder meer de Raad voor de Rechtspraak. Opstelten laat nog in het midden waar hij precies aan denkt.
Staatscommissie
De minister zint ook nog op andere maatregelen om de onkreukbaarheid van rechterlijke ambtenaren te bevorderen. VVD'er Ard van der Steur vroeg verder of Opstelten voelt voor een staatscommissie die kijkt naar de manier waarop rechters worden benoemd,maar dat vindt de minister niet nodig. Hij wacht een eigen rapport van de Raad voor de Rechtspraak af.
Aanleiding voor de vragen van de VVD was een artikel over de benoeming van Ybo Buruma als raadsheer in de Hoge Raad. De PVV steunde in de Tweede Kamer zijn voordracht niet omdat de strafrechtgeleerde te politiek zou zijn.
Tuchtrecht voor juristen van rechtsbijstandsverzekeraars ontbreekt
Bron Mr. Magazine voor juristen, nr 10
11 oktober 2010
Advocaten en clienten vinden dat de juristen van rechtsbijstandsverzekeringen karig zijn in
hun dienstverlening. Dit is deels te verklaren door het verschil in beloning. De advocaat declareert per uur.
Advocaat Ton Steinz doet onderzoek naar het onderwerp. Aanleiding waren enkele gevallen waarin hij onherstelbare fouten constateerde die door de juristen van de rechtsbijstandsverzekeraars waren gemaakt.
Jan Moerland, Manager DAS Rechtsbijstand, wijt de discussie aan de gebrekkige transparantie in de verzekeringsbranche. Clienten kunnen klagen over de dienstverlening bij het Kifid of een beroep doen op de geschillenregeling. Het Kifid is gericht op klachten over instellingen van financiele dienstverlening, waaronder verzekeraars vallen, waardoor juridisch inhoudelijke fouten niet worden beoordeeld. Dit is dus een omissie.
De Nederlandse advocatuur heeft behoefte aan één daadkrachtige en herkenbare beroepsorganisatie
Er is gebleken dat de organisatie in de vorm van 19 arrondissementale Ordes met een ten opzichte van de landelijke Orde onduidelijke autonome status tot de nodige problemen aanleiding geeft. Hiermee hangen immers veel van de genoemde knelpunten samen:
* de ervaring dat landelijk beleid onvoldoende zou "inspelen" op plaatselijke ervaring en behoefte;
* een voor buitenstaanders moeilijk te begrijpen en ook niet gemakkelijk te verduidelijken verdeling van taken en bevoegdheden, waarbij veel ruimte voor overlap bestaat;
* een minder dan wenselijke slagvaardigheid, en problematische projectie van wat eerder als de "corporate image" werd aangeduid.
Het voorstel is 1 centrale organisatie voor de Orde van Advocaten, die centraal wordt aangestuurd.
De huidige machtspositie van de lokale deken wordt daarmee ingeperkt, hetgeen het vormen van machtsbolwerken in de regio's tegengaat (toevoeging redactie).
Per 1 januari 2011 wordt een beperking van het terrein van het zogenaamde "procesmonopolie" van de advocatuur verwacht, in de vorm van een belangrijke verhoging van het maximumbedrag waarover zonder bijstand van een advocaat een civiele procedure kan worden gevoerd. Die ontwikkeling zal intensivering van de concurrentie, met name van de kant van rechtshulpverleners die geen advocaat zijn, veroorzaken en daarmee de eerder besproken effecten versterken.
Van de kant van de regering en de wetgever wordt in verband met deze ontwikkeling aangedrongen op kwaliteitswaarborgen en op de ontwikkeling van toezicht op het gebied van de rechtshulpverlening door niet-advocaten. Als hieraan gevolg wordt gegeven, zal dat ongetwijfeld zijn weerslag hebben op hoe kwaliteitswaarborgen en toezicht in verband met advocaten worden beoordeeld.
Als recente ontwikkeling met wezenlijke organisatorische consequenties valt te noemen: de afschaffing van het procuraat en de daarmee gepaard gaande concentratie van de administratie van de advocatuur via een centraal, door de Orde gehouden, landelijk tableau.
Bron: Op Orde! Adviescommissie voor de bestuurlijke vernieuwing. Een nieuwe bestuursstructuur voor de Orde van Advocaten, oktober 2010.
Burgers die klachten hebben over een advocaat moeten in de toekomst overal in Nederland op dezelfde wijze worden geholpen. Ook moeten de scholingseisen voor advocaten in alle regio’s hetzelfde worden.
In een advies aan de Nederlandse Orde van Advocaten doet de commissie Bestuurlijke Vernieuwing onder meer deze voorstellen om te komen tot landelijke harmonisering. Naast harmonisering bepleit de commissie onder leiding van advocaat-generaal bij de Hoge Raad jhr.mr.J.L.R.A. Huydecoper, een slagvaardiger en efficiëntere Orde van Advocaten met een duidelijke uitstraling naar de buitenwereld. Dit betekent dat de huidige structuur op de schop moet. De twintig Ordes van nu moeten worden samengevoegd en ondergebracht bij één landelijke Orde van Advocaten.
Openbaar register voor tuchtrechtelijk veroordeelde advocaten wenselijk
Er moet op internet een openbaar register komen, waar toekomstige cliënten kunnen opzoeken welke advocaten zijn veroordeeld door de tuchtrechter en waarvoor. Sommige advocaten hebben een strafblad en anderen volgend de gedragsregels voor advocaten niet.
Dit stelt de Amsterdamse Orde van Advocaten. De Wet bescherming persoonsgegevens, die een dergelijk register nu onmogelijk maakt, zou daarvoor moeten worden aangepast.
De Monitor Gesubsidieerde Rechtsbijstand 2009 laat zien dat in 2009 43% van alle advocaten gesubsidieerde rechtsbijstand verleenden, waarvoor mensen met een laag inkomen in aanmerking komen. Steeds vaker hebben niet-werkenden, gescheiden personen en eenoudergezinnen rechtsbijstand nodig. Vooral mensen die vaker gebruik maken van gesubsidieerde rechtsbijstand behoren tot deze groepen. Bron: Jurofoon 18 augustus 2010
Ruim 1000 advocaten voor de tuchtrechter
Van de ongeveer 16.000 advocaten in ons land zijn er afgelopen jaar meer dan duizend voor de tuchtrechter gedaagd. In totaal 1020 advocaten moesten zich verantwoorden voor de Raad van Discipline en 302 zaken werden behandeld in hoger beroep
De raden schorsten 32 advocaten onvoorwaardelijk, het hof elf. 110 advocaten kregen een waarschuwing van de raden en nog eens 43 werden op de vingers getikt door het hof.
Pels Rijcken in opspraak
Bron: Mr-online.nl
De Haagse deken Lineke Bruins doet, zo meldde de Telegraaf woensdag, onderzoek naar de rol van het kantoor van de landsadvocaat (Pels Rijcken) in de kwestie rond de Catshuisbrand. De deken doet haar naspeuringen uit eigen beweging. Het onderzoek spitst zich toe op de vraag of de raadslieden, onder wie landsadvocaat mr. Bert-Jan Houtzagers, zich 'mogelijk niet hebben gedragen als een goed advocaat betaamt en daarmee het aanzien van de advocatuur hebben geschaad'.
Moet een advocaat de belangen van de tegenpartij laten meewegen? Of mag hij meteen doortastend optreden?
Door Folkert Jensma (juridisch redacteur NRC Handelsblad), met een reactie van J.H.M. van Swaaij.
De zaak. Een eigenaar van een appartement dient een klacht in bij de Raad van Discipline van de Orde van Advocaten tegen de advocaat van een Vereniging van Eigenaren. Hij verwijt de advocaat onzorgvuldig te hebben gehandeld door hem te hinderen bij de verkoop van zijn appartement. De advocaat zou hem nodeloos hebben geschaad.
Wetsvoorstel om tuchtrechter direct bevoegdheden te geven om in te grijpen
Bron: Tijdschrift Mr, 25 mei 2009
De tuchtrechter kan voortaan onmiddellijk ingrijpen bij advocaten en notarissen waarvan het ernstige vermoeden bestaat dat zij beroepsmatig ontsporen. Dat staat in een wetsvoorstel van staatssecretaris Albayrak van Justitie, waarmee de Eerste Kamer vorige week instemde. De tuchtrechter krijgt hierdoor de bevoegdheid om direct maatregelen te treffen tegen advocaten en notarissen, in afwachting van de uitkomst van de 'gewone' tuchtprocedure.
De nieuwe wet maakt het mogelijk om in spoedgevallen tuchtrechtelijk op te treden tegen advocaten en notarissen waarvan een ernstig vermoeden bestaat dat zij beroepsmatig ontsporen of dreigen te ontsporen. Te denken valt aan de situatie dat een advocaat of notaris banden onderhoudt met criminele organisaties. De tuchtrechter kan in zo'n geval de advocaat of notaris met onmiddellijke ingang schorsen of een andere voorlopige maatregel treffen. De schorsing heeft in dat geval een voorlopig karakter, in afwachting van de uitspraak van de tuchtrechter in de gewone tuchtprocedure.
Met deze wet wordt bereikt dat deze advocaten en notarissen hun vermeende kwalijke praktijken niet kunnen voortzetten zolang er nog geen definitieve uitspraak is gedaan in de gewone tuchtzaak. De wet wijzigt de Advocatenwet en de Wet op het notarisambt. Hiermee wordt invulling gegeven aan een motie van het oud-Tweede Kamerlid Wolfsen.
Met de nieuwe wet wordt bovendien de leeftijdsgrens voor notarissen verhoogd. Op dit moment wordt aan notarissen van rechtswege leeftijdsontslag verleend, wanneer zij de leeftijd van 65 jaar bereiken. Door een wijziging van de Wet op het notarisambt wordt het leeftijdsontslag in het vervolg pas vanaf 70 jaar verleend.
De staatssecretaris wil de nieuwe wet zo spoedig mogelijk in werking laten treden, zo mogelijk nog voor het zomerreces van dit jaar
Wetswijziging Advocatenwet
De wijziging van de Advocatenwet waardoor de deken de mogelijkheid krijgt om advocaten die over de schreef gaan met een versnelde procedure tuchtrechtelijk aan te pakken, is op 7 oktober 2008. met algemene stemmen door de Tweede kamer aangenomen.
Research paper
How to Measure the Price and Quality of Access to Justice?
By Maurits Barendrecht, José Mulder, Ivo Giesen and The Study Group Access to Justice
Abstract: Citizens need access to a private or public mechanism that induces
government officials and other citizens to respect their rights. They need ‘paths to
justice’. Walking these paths is costly. Disputants, for instance, spend money, time
and effort when they bring their case forward in negotiations, in a court action, or in
other dispute resolution procedures. In this paper, which presents the first results of a
project aimed at developing tools for measuring access to justice, we explore how the
price and quality of access to justice can be determined. We identify the issues that
have to be resolved, and select a number of options to deal with these issues.
Furthermore, we explore some of the difficulties that will arise during the
development of an actual measurement framework
De reizende jurist (boekentip)
Omschrijving
Reis mee met ruim vijftig bekende Nederlandse juristen uit alle professionele windstreken en ontdek hun reiswereld. Van Ameland tot de Amazone: de mooiste plekken en de indrukwekkendste ervaringen.
In dit fraaie en rijkelijk geïllustreerde boek leest u wat ze meemaakten en waar ze het liefst naar toegaan. Maar ook waar ze nooit meer zullen terugkeren....! Ieder verhaal is uniek. Iedere bladzijde brengt een verrassing.
 Een mooi en tijdloos cadeau voor iedere professional in de juridische wereld en rechtenstudenten. En uiteraard voor iedere reisliefhebber.
 Stijlvolle originele vormgeving, prachtige foto's
 Ook bijzonder geschikt als relatie- of personeelsgeschenk. Neem voor informatie over de mogelijkheden contact op met de uitgevers Nicolai Duin en Liselotte Feenstra (e-mail LFeenstra@kluwer.nl, telefoon 0570 647 411).
Met de aanschaf van dit boek steunt u de Stichting Advocaten voor Advocaten, een stichting die zich wereldwijd inzet om advocaten die in hun beroepsuitoefening worden bedreigd of belemmerd, te ondersteunen.
Sociale Advocatuur krijgt wellicht eigen Orde van Advocaten, wegens grote belangentegenstellingen tussen Sociale Advocaten en Commerciele Advocaten.
bron Mr 23 september 2008
Algemeen deken Willem Bekkers van de Nederlandse Orde van Advocaten sluit niet uit dat de Orde in de toekomst zal moeten worden opgesplitst vanwege de grote interne verschillen die er bestaan binnen de Orde. Bekkers zei dit tijdens de vergadering van de Algemene Raad en het College van Afgevaardigden (CvA) gisteren in Den Bosch. Bekkers sprak in dit verband van een 'cri de coeur'. "Ik hecht sterk aan één gezamenlijke organisatie, maar het is zeker niet zo dat ik ten koste van alles iedereen onder één dak wil houden. Het is niet aan mij om dat te beslissen. Dat moeten de 15.000 advocaten in dit land uitmaken."
De opmerking van Bekkers werd gemaakt tijdens de behandeling van het beleidsplan 2009. De al enige tijd heersende tegenstelling tussen de belangen van de verschillende soorten kantoren kwam weer eens aan de orde tijdens deze vergadering (Bekkers: "Ik versimpel het maar even als de tegenstelling tussen de Zuidas en de sociale advocatuur").
In de algemene beschouwingen over het beleidsplan leverde met name de Leidse advocaat Van Win namens de Haagse balie scherpe kritiek op het volgens hem reactieve, versimplificeerde en te defensieve karakter van het beleidsplan. Volgens Van Win (van ‘Jip en Janneketaal' taal sprak) wordt er op een te simpele manier gecommuniceerd over de waarden van de advocatuur en wordt uitgegaan van veronderstellingen over oordelen in de samenleving die op niets zijn gebaseerd. Ook de Bredase deken Hertoghs, die zijn laatste bijdrage leverde als lid van het CvA, maakte zoals gebruikelijk van zijn hart geen moordkuil. "Ik denk dat we soms te veel de nadruk leggen op het belang van een goede sfeer. Als we elkaar niet sparen in het debat, betekent dat toch niet meteen dat we de pest aan elkaar hebben?"
De vergadering sprak kort over de democratie binnen de Orde. Hiermee wordt gedoeld op de relatie tussen de Algemene Raad als dagelijks bestuur en het College van Afgevaardigden als parlement. De Algemene Raad vindt dat het College niet representatief genoeg is samengesteld, dit niet tot grote vreugde van het College dat zich, zo herhaalde de Haagse deken Lineke Bruins nog maar weer, onvoldoende serieus vindt genomen. De discussie werd uiteindelijk niet afgemaakt. In de volgende vergadering, begin december, moet het beleidsplan worden vastgesteld.
Nederlandse rechter kent EU-wet niet
Gepubliceerd: 7 juni 2008 09:31
NRC Handelsblad, redacteur Jos Verlaan
Nederlandse rechters weten onvoldoende van Europese wetgeving en de consequenties ervan voor het Nederlandse strafrecht.
Daardoor houden ze in hun uitspraken te weinig rekening met Europese jurisprudentie. In de praktijk kan dat leiden tot gerechtelijke dwalingen, verkeerde taxaties bij uitspraken over mensenrechten en zelfs klassejustitie.
Deze ook door rechters zelf gedragen kritiek is gisteren geuit op een studiedag van de rechtbank Amsterdam.
De Hoge Raad vernietigt de laatste jaren steeds meer uitspraken van lagere rechters omdat die onvoldoende sporen met Europese regels.
Klassenjustitie dreigt, waarschuwde P. de Grave, advocaat-generaal bij het Amsterdamse gerechtshof, onder meer betrokken bij beursfraudezaken. „De verdachten die ik tegenkom, kunnen het zich financieel permitteren in Europees recht gespecialiseerde advocaten in te schakelen. Andere verdachten niet. Klassejustitie mag het eindstation niet zijn.”
Volgens De Grave dreigen burgers ten onrechte te worden veroordeeld omdat rechters het recht niet kennen. Ook bij het Openbaar Ministerie schort het volgens hem aan kennis. „Dat is écht een probleem. Want het Europese recht biedt ook regels die verdachten kunnen ontlasten.”
De Grave ziet de problematiek aan de rechtsstaat raken. „Het raakt namelijk het recht om door competente rechters gevonnist te worden. Dat is een fundamenteel mensenrecht. Als dat niet verandert, zal de geschiedschrijving over vijftig jaar niet mild over ons oordelen.”
Volgens H. Pieters, officier van justitie en lector strafrecht, hebben Nederlandse rechters binnen de EU een beruchte reputatie opgebouwd. Zij geven in hun vonnissen eigen interpretaties over de strekking en werking van Europese kaderbesluiten, zoals het Europees Arrestatiebevel, die in andere lidstaten de wenkbrauwen doen fronsen. Nederlandse rechters, aldus Pieters, „leggen maatstaven aan die niet overeenkomen met verplichte en overal geaccepteerde Europese regels”.
Actiever toezicht op advocaten
bron: NRC Handelsblad 17 mei 2008
Landelijk Deken van de Orde van Advocaten, Willem Bekkers, zegt dat Rechtbank Presidenten
en hoofdofficieren van Justitie ontsporingen bij advocaten moeten helpen voorkomen.
Zij moeten de plaatselijke Deken van de Orde attenderen op advocaten die "structureel
onderpresteren".
Bekkers vindt dat dekens niet moeten wachten op klachten van buregers, maar actiever
toezicht moeten houden.
Nu weigeren rechtbankpresidenten nog regelmatig klachten die zij van hun rechters horen
over falende advocaten te bespreken met de plaatselijke deken.
In de rechterlijke macht is kritiek op vreemdelingenadvocaten, die clienten soms niet kennen, ter zitting het verkeerde dossier bij zich hebben of niet verschijnen.
Ook komen incideel strafzaken voor tegen advocaten, die frauderen met de "derdenrekening" van het kantoor.
Nepadvocaten actief in Nederland
Bron: De pers 27 april 2008
Er zijn tientallen nepadvocaten actief in Nederland. Een van die nepadvocaten heeft, in toga, kunnen procederen bij verschillende rechtbanken zonder enige controle, meldt RTL Nieuws zaterdag. Zeker vier gezinnen zijn het slachtoffer geworden van deze man, die zich voordeed als internationaal advocaat in jeugdzaken. De Orde van Advocaten maakt zich zorgen.
De beroepsorganisatie van advocaten behandelt elk jaar vijf tot tien zaken waarbij nep-advocaten zijn ontdekt. De meeste oplichters presenteren zich op internet. Ze adverteren in de rubriek 'advocaten' van de Gouden Gids of op advocatenpagina's en gebruiken vaak Engelse titels als 'lawyer', waardoor ze niet direct strafbaar handelen. Zouden ze onder de Nederlandse term 'advocaat' werken, dan zouden ze wel strafbaar zijn.
Volgens RTL Nieuws was Jack K. jarenlang actief als nep-advocaat. Hij zegt internationaal advocaat te zijn, afgestudeerd in jeugdrecht in Ierland. In de rechtbanken in Groningen en Almelo heeft hij in toga bij de kinderrechter geprocedeerd. De rechtbanken erkennen dat de oplichter daar actief is geweest. Het zou volgens de rechtbanken de verantwoordelijkheid van de cliënt zijn om een echte advocaat in de arm te nemen.
De Orde van Advocaten in Groningen heeft aangifte gedaan tegen K.
Hof van Discipline tegen tuchtrechtplan van Kabinet
Aan de voorzitter van de
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag
’s-Gravenhage/'s-Hertogenbosch, 31 januari 2008
Onderwerp: Tuchtrecht
Bij brief van 7 december 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie u het
kabinetsstandpunt naar aanleiding van het rapport Beleidsuitgangspunten wettelijk
geregeld tuchtrecht van een werkgroep onder voorzitterschap van prof. mr. N.J.H. Huls
doen toekomen. Deze brief is inmiddels geagendeerd voor het overleg van uw vaste
commissie voor Justitie met de staatssecretaris op 5 maart 2008. Omdat in het
kabinetsstandpunt aanzienlijke wijzigingen worden voorgesteld in de structuur van de
tuchtrechtspraak voor professionele beroepsgroepen, heeft het grote betekenis voor het
functioneren van de advocatuur in Nederland en voor de tuchtcolleges van de
tuchtrechtspraak voor advocaten. Daarom heeft het onze verbazing gewekt dat de
Staatssecretaris over de kabinetsvoornemens niet eerst overleg heeft gevoerd met de
Nederlandse Orde van Advocaten en het Hof van Discipline*. Met name het voorstel het
hoger beroep in tuchtzaken te onttrekken aan de huidige zelfstandige app?lcolleges en
dit als een reguliere taak op te dragen aan een (nog nader aan te wijzen gerecht van) de
gewone rechterlijke macht is zeer ingrijpend. Het kabinetsvoornemen op dit punt roept
naar ons oordeel zeer zwaarwegende bezwaren op van principi?le, inhoudelijke en
praktische aard. Omdat wij niet in de gelegenheid zijn gesteld hierover met de
staatssecretaris overleg te voeren, zien wij ons genoodzaakt ons tot de Tweede Kamer te
wenden en bijgaande gezamenlijke notitie van de Orde en het Hof van Discipline aan te
bieden. In deze notitie is het kabinetsstandpunt grondig geanalyseerd en worden onze
* Ter informatie: het Hof van Discipline behandelt thans als zelfstandig appelcollege in hoogste instantie de tuchtzaken tegen advocaten. Het hof heeft meer dan 50 leden, ten dele vaste leden (waaronder de voorzitter en de plv. voorzitters) die regelmatig aan de werkzaamheden deelnemen en ten dele plaatsvervangende leden wier deelname beperkter is. De kroonleden zijn afkomstig uit verschillende rechtscolleges, veelal een gerechtshof maar ook een rechtbank en zelfs de Hoge Raad. Voor alle kroonleden geldt dat zij een speciale affiniteit met de advocatuur hebben (de meesten zijn oud-advocaat).
Naast de kroonleden hebben de advocaat-leden (vaak oud dekens) in het hof een met de kroonleden volstrekt gelijkwaardige positie. Hun prestige en deze gelijkwaardige positie dragen in belangrijke mate bij aan het professionele gezag dat de uitspraken van het hof hebben binnen de advocatuur. Het hof behandelt per jaar inmiddels meer dan 300 zaken. De griffie is goed georganiseerd en de doorlooptijden zijn kort.
2
zwaarwegende bezwaren tegen het zeer ingrijpende kabinetsvoorstel uiteengezet. Bij
wijze van korte samenvatting wijzen wij u in het bijzonder op de volgende punten:
1. De bijzondere positie die de advocaat inneemt in het rechtsbestel brengt mee dat er
een principieel rechtsstatelijk bezwaar bestaat tegen onderbrenging van de
tuchtrechtspraak voor de advocatuur bij de reguliere rechterlijke macht. De advocaat
treedt op in procedures bij rechterlijke colleges en krijgt in die hoedanigheid te maken
met de rechter. Hij moet, als advocaat, de belangen van zijn cli?nt in onafhankelijkheid
- ook van de rechterlijke macht - kunnen behartigen. De vraag of een advocaat bij zijn
optreden in strijd heeft gehandeld met de voor hem geldende professionele normen, is
dan ook een vraag die door de gespecialiseerde tuchtrechter moet worden beantwoord
en niet door de gewone rechter. In paragraaf 5 van de notitie wordt dit toegelicht. In dit
verband is ook paragraaf 4 van belang, waarin wordt in gegaan op de naar ons oordeel
volstrekt ongerechtvaardigde gelijkschakeling van alle professionele beroepsgroepen
waarvan het kabinet kennelijk uitgaat.
2. Een algemeen bezwaar van Orde en Hof tegen het kabinetsstandpunt is dat het
kabinet niet alleen aan deze consequentie maar eigenlijk aan alle inhoudelijke gevolgen
geen aandacht besteedt. Kennelijk beschouwt het kabinet zijn ingreep als een
eenvoudige administratieve verplaatsing die verder alles bij het oude zal laten. Dat er
echter van goed functionerende tuchtrechtspraak gezag uitgaat, en ook moet gaan, en
dat dit gezag onmisbaar is voor de handhaving van de professionele integriteit binnen de
beroepsgroep, klinkt in het kabinetsstandpunt niet door, laat staan dat dat gezag kan
worden aangetast bij structurele ingrepen in de tuchtrechtspraak. Dat is ook daarom
teleurstellend omdat nog recent, nl. in de kabinetsstandpunten op de adviezen van de
commissies Van Wijmen en Hammerstein door de ministers Hirsch Ballin
respectievelijk Donner uitvoerig is ingegaan op de essenti?le rol die een goed
functionerend en gezaghebbend tuchtrecht vervult voor de kwaliteit en professionele
integriteit binnen de advocatuur en het notariaat. Bij die gelegenheid is wel duidelijk
geworden dat in huidige omstandigheden op dit punt een gezamenlijke inspanning van
de beroepsgroep zelf en de tuchtrechters meer dan ooit noodzakelijk is. In de paragrafen
1 en 2 van de notitie wordt hierop uitvoeriger ingegaan.
3. In de paragrafen 3 en 4 wordt uiteengezet dat het kabinetsstandpunt ook teleur stelt
omdat zijn belangrijkste voorstel zo buitengewoon mager is onderbouwd. Het enige
argument dat het kabinet aanvoert voor zijn ingreep - de rechtseenheid bij invoering van
een uniforme “maatregelencatalogus” of een kaderwet tuchtprocesrecht - blijkt bij
nadere beschouwing volstrekt niet kunnen overtuigen. Een structurele ingreep
rechtvaardigen met toekomstige wetgeving waarvan de inhoud nog lang niet vaststaat,
is bovendien prematuur omdat ook de contouren van deze wetswijziging nog lang niet
bekend zijn. En zelfs als de catalogus of zelfs een kaderwet tuchtprocesrecht er zouden
komen, blijkt voor eventuele handhaving daarvan ??n hoogste rechtscollege helemaal
niet nodig. Het argument wordt voorts nog verder verzwakt omdat voor belangrijke
beroepsgroepen de structurele ingreep niet blijkt te gaan gelden (par. 8).
3
4. In paragraaf 6 wordt ingegaan op de juridische onduidelijkheden en onjuistheden die
het kabinetsstandpunt bevat. Het gevolg daarvan is dat het kabinet waarschijnlijk zelf
niet heeft beseft dat zijn voorstel veel verdergaande consequenties heeft dan het voor
ogen heeft gehad, ook in budgettaire zin - zo zal de niet onaanzienlijk financi?le
bijdrage die de Orde nu nog aan de advocatentuchtrechtspraak levert onder de door het
kabinet gewenste condities niet kunnen worden gecontinueerd.
5. Tenslotte wijzen wij er in paragraaf 9 op dat er in het tuchtrecht zeker nog een aantal
verbeteringen denkbaar is. Maar die kwesties kunnen op een veel eenvoudiger manier
worden aangepakt en zonder de grote bezwaren die door de kabinetsvoorstellen worden
opgeroepen. Aan zo’n aanpak willen de Orde en de colleges voor de
advocatentuchtrechtspraak graag hun bijdrage leveren.
Onze conclusie moet zijn dat het kabinetsstandpunt een drastische structurele ingreep in
de tuchtrechtspraak van met name advocaten voorstelt die onvoldoende is
beargumenteerd en kennelijk ook onvoldoende is doordacht. De ingreep is bovendien
prematuur en laat een aantal echte problemen in het tuchtrecht ongemoeid. De gevolgen
voor het gezag van het tuchtrecht, als onmisbaar instrument voor de kwaliteit en
professionele integriteit van de advocatuur (en andere beroepsgroepen) zullen, naar het
zich laat aanzien, aanzienlijk zijn. De “afnemers” van de advocatuur - burgers,
bedrijven en instituties als de rechtspraak - zullen uiteindelijk de echte gevolgen hiervan
ondervinden in de vorm van teruglopende kwaliteit, verlenging van doorlooptijden en
afname van het vertrouwen in het rechtssysteem als geheel. Dit is stellig een veel te
hoge prijs voor de voorgestelde structuurwijziging.
Naar onze overtuiging doet de Kamer er daarom verstandig aan met dit substanti?le
onderdeel van het kabinetsstandpunt niet in te stemmen.
Uiteraard zijn de Orde en het Hof graag bereid tot nadere toelichting op deze brief.
Hoogachtend,
W.M.J. Bekkers J.H.C. Zwitser-Schouten
Algemeen deken voorzitter Hof van Discipline
Een afschrift van deze brief zenden wij aan de minister en de staatssecretaris van
Justitie alsmede aan de raad voor de rechtspraak.
Commentaar Nederlandse Orde van Advocaten en Hof van Discipline op
kabinetsreactie rapport Huls van 7 december 2007, 29279, nr 61
ten behoeve van het Algemeen Overleg op 5 maart 2008
Bij brief van 7 december 2007 zond de Staatssecretaris van Justitie het
kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer naar aanleiding van het rapport
Beleidsuitgangspunten wettelijk geregeld tuchtrecht van een werkgroep onder
voorzitterschap van prof. mr. N.J.H. Huls. Dit rapport (verder: rapport Huls) was reeds
op 12 februari 2007 door minister van Justitie Hirsch Ballin aan de Kamer gezonden
(Kamerstukken II 2006/07, 29279, nr. 48).
In het recente kabinetsstandpunt worden ingrijpende wijzigingen voorgesteld in de
structuur van de wettelijke tuchtrechtspraak voor professionele beroepsgroepen. Deze
kabinetsvoorstellen, met name het voornemen de bestaande appelcolleges samen te
voegen tot een college voor hoger beroep in tuchtzaken, onder te brengen bij de
reguliere rechtspraak, en de wijze waarop deze worden beargumenteerd, geven
aanleiding tot grondig commentaar. De volgende paragrafen bevatten het commentaar
van de Nederlandse Orde van Advocaten (Orde) en het Hof van Discipline.
1. Rapport Huls naast kabinetsstandpunt Huls
Het rapport Huls doet voornamelijk aanbevelingen van administratieve en
organisatorische aard, aan de inhoudelijke kant van het tuchtrecht en de betekenis
daarvan voor de integriteit en het vakmanschap binnen een professie wordt weinig of
geen aandacht besteed. Het kabinetsstandpunt volgt de werkgroep hierin. Zo behandelt
paragraaf 3 van het kabinetsstandpunt “de organisatorische positie van de tuchtrechter”
aan de hand van de theoretische mogelijkheden voor de toekomstige organisatorische
positie van de tuchtcolleges die de werkgroep op pagina 25 e.v. van zijn rapport opsomt.
De werkgroep werkt daar drie modellen (enigszins) uit en inventariseert een aantal
administratieve voor- en nadelen. “Onderbrenging van de tuchtrechtspraak bij de
reguliere rechtspraak” is ??n van die theoretische modellen. De werkgroep kiest
daarvoor niet. Zo’n keuze zou strijdig zijn geweest met het gegeven dat de werkgroep
“hecht aan de eigen positie van het tuchtrecht. Voor het publiek en voor de
beroepsgroep is de zelfstandige positie van het tuchtgerecht van belang voor de
herkenbaarheid.” (pag. 25). De werkgroep wijst in dit verband ook op de belasting voor
de rechterlijke capaciteit die een integratie in de reguliere rechtspraak mee zou brengen.
“In dat kader heeft de werkgroep een voorkeur voor een zelfstandige positionering van
tuchtcolleges.” Het rapport wijst er overigens wel op dat de (m.n.) geringe omvang van
sommige zelfstandige tuchtcolleges tot een andere afweging zou kunnen leiden.
Daarvan is bij het advocatentuchtrecht uiteraard geen sprake.
De werkgroep maakt op zijn voorkeur voor een zelfstandige positionering van de
tuchtcolleges geen uitzondering waar het hoger beroep betreft. Hij constateert slechts
dat er nogal wat variatie is in de samenstelling van de verschillende app?lcolleges
(sommige colleges bestaan geheel uit rechters, bij andere nemen ook beroepsgenoten
aan de appelrechtspraak deel). De werkgroep geeft de wetgever in overweging te bezien
of op dit laatste punt harmonisatie een optie is. Dat is uiteraard iets geheel anders dan
een samenvoeging van alle app?lcolleges en onderbrenging daarvan bij de rechterlijke
macht, zoals het kabinet voorstelt!
2
Aanvankelijk vermeldt het kabinetsstandpunt (par. 3, onder De positie van de
tuchtrechter) op dit punt dat “er vooralsnog geen reden is de bestaande tuchtcolleges in
??n bepaald model te dwingen” en dat het voor de hand ligt twee modellen mogelijk te
maken. Maar dan gaat het als volgt verder: “Voor het hoger beroep ligt dat anders. Het
kabinet meent dat hier in beginsel een taak is weggelegd voor de reguliere rechtspraak,
overeenkomstig de huidige situatie bij de meerderheid van de beroepen1.”
Deze beginselopvatting van het kabinet komt uit de lucht vallen. Noch in het rapport
Huls, noch in andere recente beleidsdocumenten of onderzoeksrapportages op het
terrein van de professionele beroepsgroepen is enig argument te vinden voor de
opvatting dat voor de app?lrechtspraak andere uitgangspunten zouden gelden dan voor
de eerste lijn. Met de Orde en het Hof van Discipline (of enig ander hoogste
tuchtcollege) heeft hierover geen overleg plaats gehad. Het kabinetsstandpunt voert
voor de voorgestelde drastische structuurwijziging van de app?ltuchtrechtspraak
uitsluitend het volgende aan: “In de nieuwe situatie wordt het procesrecht
geharmoniseerd en ontstaat er een maatregelencatalogus. Alleen al vanwege de
rechtsgelijkheid daarvan, is concentratie van het hoger beroep noodzakelijk.” Andere
argumenten bevat het kabinetsstandpunt niet.
Met deze uitzonderlijk magere redengeving voor een zeer vergaande ingreep in de
huidige structuur van de tuchtrechtspraak worden vele vragen en mogelijke
consequenties eenvoudigweg niet behandeld, reden waarom daarop hieronder alsnog
wordt ingegaan.
2. Rapport Huls naast Hammerstein en Van Wijmen
De werkgroep Huls heeft dus niet geadviseerd tot de voorgestelde structuurwijziging.
Daartoe zou de werkgroep redelijkerwijs ook niet gelegitimeerd zijn geweest. Het ging
hier immers om een ambtelijke werkgroep, weliswaar onder onafhankelijke leiding van
prof. Huls, maar de werkgroep was, gezien zijn samenstelling en meer procedurele
opdracht en achtergrond, niet in de positie om zonder enige betrokkenheid van de
desbetreffende beroepsgroepen en de rechterlijke macht tot zulke vergaande adviezen te
komen.
De veel breder samengestelde commissies Hammerstein (voor het notariaat) en Van
Wijmen (advocatuur) hadden tot taak fundamenteel te adviseren over die
beroepsgroepen met inbegrip van tuchtrechtelijke aspecten. Beide commissies hebben
in hun inderdaad fundamentele adviezen wel wensen geuit inzake het tuchtrecht maar
kwamen absoluut niet met voorstellen zoals het kabinet die nu doet. Op deze adviezen
zijn in 2006 kabinetsstandpunten gepubliceerd die met de Tweede Kamer zijn
besproken.
Voor de advocatuur is in dezen met name de kabinetsreactie op het advies Van Wijmen
(brief minister van Justitie van 13 oktober 2006 (Kamerstukken II 2005/06, 30 300 VI,
nr. 144) van belang. Onder punt 4.15 bevat deze een grondige passage over het klachten
tuchtrecht en het grote belang daarvan voor de kwaliteit van de advocatuur. De
noodzaak hierbij te blijven uitgaan van het beginsel van trial by peers wordt op basis
van inhoudelijke argumenten benadrukt.
Een rode draad in het kabinetsstandpunt
1 Deze verwijzing naar “de meerderheid van de beroepen” is op zichzelf misleidend. Dat er enkele
beroepsgroepen (van kleine omvang) zijn die thans geen eigen zelfstandig appeltuchtcollege kennen, doet niet af aan het feit dat de meeste professionele beroepsbeoefenaren (zoals medici, verpleegkundigen en advocaten) wel eigen, zelfstandige (appel)tuchtcolleges kennen en dat door deze colleges ook verreweg het grootste aantal appeluitspraken wordt gedaan.
3
Wijmen (en ook in het standpunt Hammerstein) is voorts de noodzaak van versterking
van de eigen verantwoordelijkheid voor en de inbreng bij de normhandhaving binnen de
beroepsgroepen door de advocatuur en het notariaat zelf. Het nieuwe voorstel, waarin
het Hof van Discipline wordt ontmanteld en de gelijkwaardige rol van de beroepsgroep
wordt be?indigd, staat dan ook haaks op het tot nu toe gevoerde en geaccordeerde
beleid. Het is onbegrijpelijk dat het kabinetsstandpunt Huls niet ingaat op die recente
andere kabinetsstandpunten en geen aandacht besteedt aan de consequenties van de
voorgestelde ingreep voor de in die standpunten behandelde kwaliteit van de
beroepsgroepen en het functioneren van het rechtssysteem.
3. Inhoud naast procesrecht
Omdat het kabinet zich voor zijn voorstel tot concentratie van de appeltuchtrechtspraak
en onderbrenging daarvan in de reguliere rechtspraak uitsluitend baseert op de noodzaak
van rechtseenheid bij de interpretatie van nog te cre?ren uniforme procesrechtelijke
voorschriften, is het van belang na te gaan welke betekenis het procesrecht eigenlijk
heeft voor het beroepsgroepentuchtrecht. Het zou immers alleen voor de hand liggen op
die grond een wijziging in de structuur van de tuchtrechtspraak te overwegen als:
(a) procesrechtelijke vragen in de praktijk van het tuchtrecht een belangrijke rol spelen,
(b) het gebrek aan rechtseenheid bij de beantwoording van die vragen niet kan worden
opgelost door uniformering van de desbetreffende regels in de afzonderlijke wettelijke
regelingen van de beroepsgroepen,
(c) een daarom eventueel tot stand te brengen Kaderwet tuchtprocesrecht slechts
adequaat kan worden gehandhaafd met ??n hoogste rechtscollege, en
(d) de inhoudelijke doelen van het tuchtrecht daardoor niet in het gedrang komen.
Ad (a)
Procesrechtelijke regels en mogelijkheden zijn voor de tuchtrechtspraak zeker niet
onbelangrijk - het Hof van Discipline en de Orde hebben aan de wensen op dit terrein
onlangs nog een interessant seminar gewijd - maar de werkelijkheid is ook dat het in
tuchtrechtelijke zaken maar zelden om procesrechtelijke geschillen gaat. Welke
beroepsgroep het ook betreft, in tuchtrechtelijke zaken is de vraag in essentie altijd of de
betrokken professional zich al of niet als een goed en integer advocaat, notaris, medicus,
enz. heeft gedragen. Het antwoord op die kernvraag wordt in alle tuchtrechtelijke
procedures niet in de eerste plaats gegeven aan de hand van juridische regels, laat staan
procesrechtelijke regels, maar op basis van binnen de beroepsgroep levende
professionele inzichten. Uitspraken op dat terrein zijn maatgevend voor het gezag van
alle hoogste rechtscolleges in het beroepsgroepentuchtrecht, en dat gezag is weer
bepalend voor het inhoudelijke effect ervan binnen de beroepsgroep. Met andere
woorden: tuchtrecht is professioneel normen- en waardenrecht. Over procesrechtelijke
kwesties is weinig jurisprudentie te verwachten. De plaats die het procesrecht in de
praktijk inneemt in het beroepsgroepentuchtrecht, kan dus in redelijkheid geen
argument vormen voor structurele ingrepen.
Ad (b)
Het voorgaande neemt niet weg dat er in het beroepsgroepentuchtrecht wel degelijk een
aantal procesrechtelijke verbeteringen mogelijk is en dat het zinvol kan zijn op dat
terrein waar mogelijk harmonisatie met andere tuchtrechtsectoren na te streven. In dat
kader kan ook zeker worden ingestemd met introductie van ??n maatregelencatalogus.
Maar het is heel goed mogelijk deze tot stand te brengen door harmonisatie van de
4
relevante artikelen in de betrokken wettelijke regelingen. Als onderwerpen als
benoemingsduur en -wijze, termijnen en maximaal op te leggen sancties (zie par. 2
kabinetsstandpunt) eenmaal in de verschillende wetten identiek zijn verwoord, valt niet
in te zien dat er tussen de beroepsgroepen nog onwenselijke verschillen in
toepassingspraktijk zouden ontstaan - anders dan het soort verschillen dat samenhangt
met het individuele karakter van rechtszaken. (De ervaring bij de reguliere rechtspraak
leert trouwens dat zulke verschillen altijd voorkomen en geaccepteerd worden, ondanks
het bestaan van uniforme wetgeving en ??n hoogste rechtscollege.)
Ad (c)
Als het onder (a) en (b) aangevoerde geen soelaas zou bieden voor een - vooralsnog
onduidelijk - rechtseenheidsprobleem, dan zou toch in elk geval invoering van ??n
kaderwet tuchtprocesrecht, waarnaar het kabinet zegt te streven, hiertoe in staat moeten
zijn. Er zou dan de situatie ontstaan zoals die na invoering van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) bij de bestuursrechtspraak bestaat. De Awb is een belangrijke, zeer
procesrechtelijk getinte wet die eenheid heeft gebracht in de uitvoering en toepassing
van bestuursrechtelijke voorschriften met een veel grotere draagwijdte dan bij het
tuchtprocesrecht denkbaar is. Toch kent de bestuurspraktijk niet ??n maar in totaal vier
hoogste rechtscolleges (Hoge Raad, Raad van State, Centrale Raad van Beroep en
College van Beroep voor het Bedrijfsleven) zonder dat dit tot noemenswaardige
rechtseenheidproblemen heeft geleid. Sinds jaar en dag kunnen de samenleving en
kabinetten met deze situatie leven. Niet valt in te zien waarom dat niet mogelijk zou zijn
op het tuchtrechtelijk terrein, waar, naar redelijkerwijs is te voorzien, een veel minder
vergaande kaderwet zal ontstaan.
Ad (d) Zoals hierboven gezegd, is tuchtrecht professioneel normen- en waardenrecht. In
het tuchtrecht wordt over de correctheid van een gedraging van een professional een
inhoudelijk oordeel gegeven. Dit gebeurt (mede) door peers, die zich daarbij primair
laten leiden door professionele inzichten en open normen. Natuurlijk zijn er ook
uitgeschreven gedragsregels en (bij beroepsgroepen met verordeningsbevoegdheid)
verordeningen, maar ook deze worden in de praktijk veelal ge?nterpreteerd door
beroepsgenoten in het licht van hun professionele ervaring en door uit de rechterlijke
macht afkomstige juristen met veel ervaring met de betrokken sector en met gevoel voor
de dilemma’s van het beroep. De ervaring bij het Hof van Discipline is dat app?lzaken
zeker niet abstracter van aard zijn en meer op basis van formele regels worden beslist
dan in de eerste instantie het geval is. Het gaat in app?l eveneens om een oordeel over
een concrete gedraging in een specifieke situatie. Wat van groot belang is, is dat
uitspraken in hoger beroep, door de grotere precedentwaarde die eraan wordt gehecht,
vooral ook meer professioneel gezag behoeven dan uitspraken in de eerste instantie.
Zoals gezegd, heeft het kabinet zich niet verdiept in de inhoudelijke consequenties van
zijn voorstel. Deze zullen fors zijn. Zo zal samenvoeging van een aantal professionele
sectoren in ??n tuchtcollege onvermijdelijk leiden tot verlies van het specifieke
sectorkarakter. Het hoogste tuchtrechtcollege zal daardoor onvermijdelijk een lager
professioneel profiel krijgen dan thans, waardoor het gezag in professionele kring
afneemt. Bovendien zal de nadruk meer komen te liggen bij de “regeltjes” van het
procesrecht nu de wetgever immers uitspreekt dat de verandering noodzakelijk is (in de
woorden van het kabinetsstandpunt) omdat er meer procesrechtelijke eenheid dient te
zijn. De huidige beoordeling van (on)gewenst gedrag op basis van open normen zal als
gevolg daarvan worden verdrongen door toetsing aan uitgeschreven normen;
5
juridisering van het tuchtrecht en de behoefte aan uitbreiding van het aantal
uitgeschreven regelingen om de praktijk vast te leggen die op basis van de open normen
is ontstaan, zullen niet lang op zich laten wachten. Het zou ironisch zijn als een goed
bedoeld “bruikbare rechtsorde”-project (juist bedoeld om juridisering terug te dringen
en toetsing aan open normen te bevorderen) hiertoe zou leiden.
De noodzaak van het oproepen van deze voor de hand liggende consequenties blijft
intussen duister. In geen enkel rapport is vastgesteld dat de huidige tuchtrechtspraak niet
bevredigend zou werken en dat het gezag ervan geen positieve invloed heeft op de
kwaliteit van de professionals. Waarom de procesrechtelijke invalshoek van de
tuchtrechtspraak in hoger beroep dan nu toch zo belangrijk wordt geacht dat deze de
gehele structuur ervan zou moeten gaan bepalen - en dit ten koste van het inhoudelijke
gezag van de tuchtrechtspraak - zal aan professional noch burger duidelijk kunnen
worden gemaakt.
4. Rechtseenheid mogelijk/wenselijk?
4.1. Het streven naar een uniform tuchtprocesrecht
Tegen het streven naar een maatregelencatalogus voor de betrokken beroepsgroepen
bestaat bij de en het Hof van Discipline geen bezwaar. Maar dat door invoering hiervan
een stap zou worden gezet naar een uniform tuchtprocesrecht “dat op eenzelfde wijze
functioneert als het uniforme burgerlijk (proces-), straf(proces-) en
bestuurs(proces)recht”, zoals in par. 2 van het kabinetsstandpunt wordt gesteld,
veronderstelt een maatschappelijke consensus over de inhoudelijke wenselijkheid
hiervan die op dit moment volstrekt niet bestaat. Het doel van procesrecht is het kunnen
verwezenlijken van het geldende materi?le recht. Zo strekt het Wetboek van burgerlijke
rechtsvordering tot het realiseren van de in het Burgerlijk Wetboek en bijbehorende
wetten neergelegde rechten en het Wetboek van strafvordering tot verwezenlijking van
het materiele strafrecht zoals o.m. neergelegd in het Wetboek van Strafrecht. E?n
uniform rechtssysteem dat de rol en de bevoegdheden van de verschillende
professionele beroepsgroepen regelt, bestaat echter niet en zal ook nooit kunnen bestaan
omdat deze beroepsgroepen zo sterk verschillen (zie ook par. 4.2). E?n uniform
tuchtprocesrecht is bij gebreke van een corresponderend materieel recht dus zeer
moeilijk voorstelbaar.
4.2. Voornemen structuurwijziging prematuur
Zoals hierboven onder 3, ad (b) toegelicht, is een kaderwet tuchtprocesrecht die verder
gaat dan uniforme formulering van een beperkt aantal begrippen niet voor de hand
liggend. In elk geval bevindt het voornemen tot harmonisatie van het tuchtprocesrecht
zich nog in een zeer abstracte fase. Een eerste expertmeeting heeft pas onlangs (6
november 2007) plaatsgevonden. Hoe vergaand of basaal het wetgevingsproces zal
(kunnen) worden, is nog zeer de vraag. Vaststelling van de mate waarin delen van de
sectorwetten moeten worden geherformuleerd en naar een kaderwet worden
overgeheveld, heeft nog geen begin van een antwoord kunnen krijgen. De Orde zou er
bijvoorbeeld ernstig bezwaar tegen hebben als de gehele regeling van het Hof van
Discipline (artt. 50 t/m 60h van de Advocatenwet) naar de kaderwet tuchtprocesrecht
zou worden overgebracht. Voor de samenhang en begrijpelijkheid van de Advocatenwet
zou dit immers desastreuze gevolgen hebben. En iets soortgelijks zal ook gelden voor
de andere sectorwetten.
6
Het is zeer ongebruikelijk en prematuur vooruit te lopen op een wetgevingsproject met
zo’n onzekere uitkomst en toch reeds de structurele consequenties die daaraan -
misschien - kunnen worden verbonden, als vaststaand beleid aan te kondigen. Toch is
dat precies wat het kabinet doet met zijn voorstellen en het overhaaste
wetgevingsproces ter invoering daarvan. Deze politieke prioriteitstelling (in een tijd
waarin ook het ministerie van Justitie een forse personeelsvermindering moet
realiseren) zal geen van de betrokken partijen begrijpen.
4.3. Beroepsgroepen verschillen fundamenteel
Eenvoudig zal de harmonisatie in elk geval niet zijn omdat de afzonderlijke
beroepsgroepen zo fundamenteel van elkaar verschillen. Het zou een illusie zijn te
denken dat als er een maatregelencatalogus kan worden ingevoerd, de beroepsgroepen
verder ook in enig ander opzicht over een kam kunnen worden geschoren.
Alle betrokken professies zijn in nagenoeg alle opzichten - traditie, omvang,
maatschappelijke positie, functie in het maatschappelijk verkeer, wijze van toetreding
tot het beroep, organisatiestructuur, mate van onafhankelijkheid ten opzichte van de
overheid (ook relevant voor het kunnen bestaan van een toezichthouder), gevoeligheid
voor politieke invloed - onderling volstrekt onvergelijkbaar.
Zo moet een advocaat partijdig zijn maar toch onafhankelijk tegenover zijn cli?nt staan
in zijn oordeel; ook van ieder ander is hij onafhankelijk met inbegrip van de rechterlijke
macht. Een notaris daarentegen is in wezen een overheidsdienaar die bij KB wordt
benoemd en een waarborgfunctie vervult bij uitvoering van wettelijke taken. Hij moet
zich naar een client juist volstrekt onpartijdig opstellen. De rijksoverheid staat garant bij
zijn eventuele deconfiture. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg kennen weer een
geheel eigen professionaliteit (belang pati?nt/cli?nt boven alles, complexe
ondernemer/opdrachtgever relatie met zorginstelling en verzekeraar, subject van
inspectietoezicht). Voor de professies van registeraccountants, octrooigemachtigden,
deurwaarders en loodsen zijn nog weer geheel andere kenmerken te schetsen, alle direct
gerelateerd aan hun maatschappelijke rol.
Ook de organisatorische positie van de beroepsgroepen verschilt onderling sterk. Het
maakt voor de wijze waarop een tuchtrechter afwijkend gedrag beoordeelt, veel uit of
betrokkene al of niet behoort tot een zichzelf besturende organisatie met publieke
bevoegdheden die een intern handhavingsysteem hanteert (zoals de advocatuur met haar
dekens) en of er sprake is van wettelijk geregeld (overheids)toezicht - ook vaak met een
per sector verschillende opdracht.
De verschillen tussen de beroepsgroepen zijn dus veel talrijker dan de overeenkomsten.
Dit betekent dat het professionele gedrag van al die verschillende professionals in
redelijkheid nimmer adequaat zal kunnen worden getoetst aan de hand van ??n uniform
stramien. Rechtseenheid als zodanig kan dan ook, afgezien van de eenmalige
harmonisatie van sancties, termijnen en (eventueel) benoemingsprocedures,
bezwaarlijk een doel van beleid zijn.
5. Unieke positie advocatentuchtrecht
Als het gaat om beroepsgroepentuchtrecht heeft de advocatuur in een opzicht een
unieke positie die haar van alle andere professies onderscheidt. De advocaat vervult zijn
werkzaamheden namelijk onder het oog van de rechter. De rechter is in veel opzichten
zijn “afnemer”. De “kernwaarden” van de advocaat - zie kabinetsstandpunt Van Wijmen
- leggen hem evenwel de verplichting op onafhankelijk te zijn van iedereen met
7
inbegrip van de rechter. Juist omdat hij een “dienaar van het recht” is en geen “officer
of the court”, mag hij de rechter niet naar de mond praten en moet hij zonodig zelfs
lastig zijn voor de rechter. Dit alles in het belang van zijn cli?nt en dus van een eerlijk
proces. Dit is de - rechtsstatelijk essenti?le - taak van de advocaat in ons systeem, een
pijler van het fair trial als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
In de praktijk is de vervulling van deze delicate rol niet altijd eenvoudig. De vraag of
de advocaat hierbij als een behoorlijk advocaat is opgetreden kan uiteindelijk alleen
worden beoordeeld door de tuchtrechter. In de praktijk doet hij dat meestal door
toepassing van voor de professie geldende open normen. In zijn uitspraak past de
tuchtrechter de norm van dat moment toe op de voorgelegde casus. De beroepsgenoten
dienen zich vervolgens volgens die norm te gedragen. Het is van principi?le betekenis
dat niet de gewone rechter de norm voor toekomstig gedrag van de advocaten
formuleert, maar het gespecialiseerde tuchtrechtelijk college, deels bestaande uit
advocaten.
Nu zijn er situaties waarin een advocaat in conflict is gekomen met een concrete of
technische regel die voorschriften bevat over bijvoorbeeld de vrijheid of het ontbreken
daarvan in zijn handelen ten opzichte van de (reguliere) rechter. Ook hier zou het hoogst
onwenselijk zijn als de reguliere rechter enerzijds als derde geen invloed heeft (en ook
niet behoort te hebben) op de keuze die de advocaat in een dergelijke situatie maakt en
anderzijds omdat hij tevens hoogste tuchtrechter is zou bepalen wat de advocaat
geoorloofd is en wat niet. De reguliere rechter zou immers gezien zijn eigen taak een
voorkeur kunnen hebben voor een andere opstelling van de advocaat dan diens
kernwaarden van hem verlangen. En ook als hij die neiging niet heeft, moet worden
voorkomen dat die eigen voorkeur in de ogen van derden een rol zou kunnen spelen bij
zijn beslissing.
De conclusie hiervan moet zijn dat om rechtsstatelijke redenen het tuchtrecht van de
advocatuur van alle beroepsgroepen bij uitstek ongeschikt is te worden ondergebracht
bij de reguliere rechtspraak.
6. Juridische misverstanden
De kabinetsreactie wekt op onderdelen de indruk niet goed op de hoogte te zijn van de
wijze waarop het advocatentuchtrecht precies is geregeld. Zij bevat onjuiste
veronderstellingen die hebben geleid tot verwarrende of of zelfs zonder meer onjuiste
conclusies. Op de volgende punten is in elk geval correctie nodig.
6.1. “Onderbrenging bij de rechterlijke macht”
De beschrijving van de huidige juridische positie van de tuchtcolleges voor de
advocatuur in eerste aanleg, de raden van discipline, (Kabinetsstandpunt, paragraaf 3,
“Tuchtrechtspraak in eerste aanleg …” enz.) is niet juist waar wordt gesteld dat een
aantal eerste aanleg-colleges, waaronder die voor de advocatuur, thans is
“gepositioneerd bij de rechtspraak”. De vijf Raden van Discipline zijn zelfstandige, in
de Advocatenwet geregelde, colleges. De uit de rechterlijke macht afkomstige leden
worden in die colleges bij Koninklijk Besluit als tuchtrechter voor een bepaalde termijn
benoemd. Deze leden zijn in hun functie van tuchtrechter dus geen rechter van
rechtbank X of gerechtshof Y; wel worden zij door rechtbank X en gerechtshof Y voor
die functie vrijgesteld. Dit houdt bijvoorbeeld ook in dat als betrokkene zijn
rechterschap bij de rechtbank of het hof beeindigt, de functie van tuchtrechter niet
eindigt. Dit gebeurt in beginsel alleen bij afloop van de benoemingstermijn als
tuchtrechter.
Het zijn van rechter of raadsheer is dus ”slechts” een voorwaarde voor de benoeming
als tuchtrechter in Raad van Discipline of in het Hof van Discipline. Dit past geheel bij
het zelfstandige karakter van de tuchtrechtspraak en werkt bevredigend. Hierdoor is het
bijvoorbeeld ook mogelijk dat leden van de Hoge Raad tot lid van het Hof van
Discipline kunnen worden benoemd.
Onderbrenging van het appeltuchtrecht bij een regulier rechterlijk college houdt
daarentegen in dat alle rechters van dat college in tuchtrechtelijke zaken kunnen
optreden en dat de specialisatie op de betrokken beroepssector zal afnemen.
Bovengenoemde onjuiste veronderstelling in het kabinetsstandpunt schept verwarring
omtrent hetgeen wordt beoogd met de Raden van Discipline. Is het nu de bedoeling dat
ook deze worden ondergebracht bij de reguliere rechtspraak of wordt de huidige
zelfstandigheid gerespecteerd?
6.2. Benoeming leden andere rechtscolleges
Op dit moment hebben de uit de rechterlijke macht afkomstige leden van het Hof van
Discipline hun reguliere thuisbasis in allerlei gerechten, rechtbanken, hoven en ook de
Hoge Raad. Zowel de Orde als het Hof ervaren deze gevarieerde samenstelling als zeer
bevredigend. Door de onder 6.1. genoemde onjuiste voorstelling van zaken ontstaat er
echter onduidelijkheid over de vraag of deze variatie kan worden gecontinueerd. De
plannen van het kabinet zullen het in elk geval niet langer mogelijk maken dat leden van
de Hoge Raad aan de app?ltuchtrechtspraak blijven deelnemen, iets wat Orde en Hof
ernstig zouden betreuren. En of de bereidheid van rechters om - met name vanuit andere
gerechten - aan deze nieuwe vorm van reguliere rechtspraak deel te nemen op peil zal
blijven, moet ten zeerste worden betwijfeld2.Overigens zullen in de nieuwe situatie de
app?ltuchtuitspraken, als behorend tot de normale taak van een gerechtshof, vatbaar zijn
voor cassatie door de Hoge Raad3.
6.3. Status advocaat-leden appelcollege
Ook over continuering van de thans bestaande mogelijkheid (en wenselijkheid!)
beroepsgenoten te benoemen als volwaardig lid van het tuchtcollege, is de
kabinetsreactie niet duidelijk. Weliswaar wordt in par. 3 gesteld dat “vanzelfsprekend
het hoger beroep zodanig wordt geregeld dat er verbondenheid blijft bestaan tussen de
tuchtrechtspraak en de betrokken beroepsgroep… Dit kan bijvoorbeeld worden
vormgegeven door de inrichting van specifieke kamers, waarin leden (zowel rechters als
beroepsgenoten) van de thans functionerende beroepscolleges zitting kunnen nemen.”
Dit klinkt als een soort overgangsvoorziening en niet als de structurele regeling waaraan
trial by peers behoefte heeft.
2 Het is thans zeer ongebruikelijk dat een rechter of raadsheer tegelijkertijd in meer dan een ander(e)
rechtbank of hof is benoemd.
3 Op zichzelf zouden in de nog op te stellen wettelijke regeling deze ongewenste consequenties mogelijk kunnen worden voorkomen door het opnemen van afzonderlijke uitzonderingsbepalingen. Maar de vraag waartoe deze operatie strekt wordt dan nog indringender. Waarom de appeltuchtrechtspraak eerst bij wetswijziging tot taak van de reguliere rechtspraak maken om vervolgens alle normale gevolgen die daaruit voortvloeien door het opnemen van uitzonderingsbepalingen weer ongedaan te maken?
Het ontstaan van cassatie als extra instantie zou de rechtsgang voor de klagers langduriger maken en de uitgaven voor de rechterlijke macht hoger. Ook deze mogelijkheid zou natuurlijk bij wet kunnen worden uitgesloten, maar cassatie is een procesrechtelijke mogelijkheid waarop alle burgers die zich tot de gewone rechterlijke macht wenden, recht hebben; het zou moeilijk uit te leggen zijn dat juist deze mogelijkheid wordt uitgezonderd als het tuchtrecht op grond van een procesrechtelijke argumentatie bij de gewone rechterlijke macht wordt ondergebracht.
9
Maar ook als dit laatste de bedoeling zou zijn, is de positie waarin de beroepsgenoten
bij het appelgerecht komen te verkeren in deze benadering niet helder. Wellicht wordt
gedacht aan de positie van “deskundige leden” zoals die bekend zijn van de
ondernemings- en pachtkamer. Deze positie verschilt echter aanzienlijk van die van de
advocaat-leden in het huidige Hof van Discipline. Zo zal een advocaat-lid dan voor een
termijn van vijf jaren worden benoemd terwijl de rechters uiteraard – anders dan thans
bij de tuchtcolleges het geval is - voor het leven zijn benoemd. Dit schept een
ongelijkwaardige positie die afbreuk doet aan het professionele gezag waaraan het
hoogste tuchtcollege behoefte heeft. Ook zal de Orde redelijkerwijs niet langer de
voordrachten kunnen doen voor de benoeming van een “deskundig lid” omdat wat
passend is voor een afzonderlijk tuchtcollege dat door de beroepsgroep als “eigen”wordt
beschouwd, niet mogelijk zal zijn voor benoemingen in de reguliere rechtspraak4. De
onafhankelijkheid daarvan zou te veel worden geschaad. De werving vanuit de
beroepsgroep zal voor de functie bovendien zeker teruglopen omdat er nu eenmaal veel
advocaten zijn die om te respecteren principi?le redenen niet aan de reguliere
rechtspraak willen deelnemen, zeker niet tegelijk met hun hoofdtaak als advocaat.
En of de rechterlijke macht als organisatie (en het gerecht waar de reguliere taak van
hoogste app?lrechter terecht zal komen in het bijzonder) zal staan te springen om de
grote instroom te ontvangen van niet-rechters (vaak niet-juristen) die voortvloeit uit
overheveling van de taken van de (tot op heden) zes app?lcolleges, valt ook nog maar te
bezien.
6.4. Bekostiging tuchtrechtspraak
De passage over de bekostiging (par. 7) toont onvoldoende inzicht in de principi?le
kanten daarvan. De Orde draagt thans bij aan de kosten van de tuchtcolleges omdat deze
in belangrijke mate mede haar colleges zijn. Deze bijdrage heeft een wettelijke basis en
is geheel in overeenstemming met het in de kabinetsreactie en de reactie Van Wijmen
neergelegde uitgangspunt dat de beroepsgroepen een eigen financi?le bijdrage aan hun
tuchtrecht moeten leveren. Het voornemen het appeltuchtrecht uitsluitend in de
overheidssfeer te brengen, is daarmee strijdig. En (daarmee volstrekt) inconsequent is
het dan weer te veronderstellen dat de advocatuur en andere groepen bereid zouden zijn
de huidige bijdragen voor hun tuchtcolleges om te zetten in een financi?le bijdrage ten
behoeve van de rechtspraak5. Dat het kabinetsvoorstel de betalingsroute van de
advocatuur naar de rechtspraak via het ministerie van Justitie laat lopen doet niet af aan
het voor iedereen zichtbare fenomeen dat de advocatuur geacht wordt de reguliere
rechtspraak te subsidi?ren. Daardoor zou zowel de onafhankelijkheid van de advocatuur
als van de rechterlijke macht gecompromitteerd worden. De Orde wil gaarne een
bijdrage blijven leveren aan de eigen tuchtrechtspraak, maar is ten enenmale niet bereid
om direct of indirect de reguliere rechterlijke macht te subsidieren. Of de betaling nu
“vrijwillig” plaats moet vinden zoals het kabinetsstandpunt suggereert, of wordt
opgelegd6 maakt in dit opzicht niet uit.
5Ook hier wreekt zich dat de staatssecretaris geen enkel overleg over de voornemens heeft gevoerd met degenen die er rechtstreeks door geraakt worden.
6Een dergelijke verplichte heffing zou alleen door middel van afzonderlijke wetgeving kunnen worden
opgelegd. De algemene beginselen van de belastingwetgeving brengen dan mee dat de heffing niet alleen voor de advocatuur maar voor alle beroepsgroepen met wettelijk tuchtrecht zouden hebben te gelden.
10
7. Overheveling waarheen?
Door nog geen duidelijkheid te verschaffen over de manier waarop de onderbrenging bij
de reguliere rechtspraak vorm zou moeten krijgen, laat de kabinetsreactie een belangrijk
element in het ongewisse. De gesuggereerde invullingen (onderbrenging bij ??n van de
gerechtshoven of bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven) brengen beide
evenveel praktische bezwaren mee.
De werkervaring in de dagelijkse functie van de kroonleden van het Hof van Discipline
bevindt zich thans voor het overgrote deel op het terrein van het straf- en civiele recht.
Ervaring van rechters met advocaten op die terreinen is sterk aan te bevelen en daarover
beschikken de leden van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven doorgaans niet.
Hun taak ligt immers op het terrein van het economisch tuchtrecht. Dit rechtsgebied
kent nu eenmaal een geheel andere benaderingswijze en traditie dan de werkzaamheden
van een gerechtshof en men ontmoet er dientengevolge ook een zeer specifieke selectie
uit de advocatuur.
De optie van onderbrenging bij een van de gerechtshoven brengt om een andere reden
het risico van het verdwijnen van het eigen karakter van het advocatentuchtrecht mee.
De appeltuchtrechtspraak zal als onderdeel van een gerechtshof om prioriteit, ruimte en
rechterlijke capaciteit moeten concurreren met bijvoorbeeld megazaken in het strafrecht
en grote civiele procedures. Het gerechtsbestuur van het desbetreffende hof beslist over
de inzet van raadsheren over die terreinen. Dat het ondersneeuwen van de
tuchtrechtspraak bij de reguliere rechtspraak dan een reeel risico is, blijkt uit de huidige
praktijk bij de notariskamer en de deurwaarderskamer (tuchtrechtsystemen die nu wel
bij de reguliere rechtspraak zijn ondergebracht). Ondanks een werklast die slechts een
fractie is van wat het hof en de raden van discipline voor de advocatuur te verwerken
hebben, zijn de doorlooptijden hier ruim twee keer zo lang als bij de tuchtrechtspraak
voor de advocatuur.
8. Uitzondering appelrechtspraak gezondheidszorg, octrooigemachtigden en
zeevarenden
Het Centraal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg zal buiten de centralisatieoperatie
vallen, evenals de tuchtrechtspraak voor octrooigemachtigden en zeevarenden. Op
zichzelf wekt dit al de nodige twijfel aan de urgentie van de voorgestelde
herstructurering. De voordelen die het kabinet toeschrijft aan de nieuwe
appeltuchtrechtspraak worden dan in elk geval voor de grootste sector niet bereikt
omdat zo’n 350 uitspraken per jaar buiten het nieuwe model vallen. Het Hof van
Discipline produceert inmiddels per jaar ook reeds meer dan 300 uitspraken. Ook het
argument dat het Centraal Tuchtcollege pas een reorganisatie achter de rug heeft, kan
niet overtuigen7. Dit proces is al voltooid en vormt geen reden voor het maken van een
uitzondering. Het beheer van de tuchtrechtspraak voor de zorgsector is inderdaad enkele
jaren geleden overgegaan naar VWS en gemoderniseerd. Anders dan de kabinetsreactie
stelt, betrof het hier echter geen reorganisatie maar “slechts” een overheveling en
daaraan volgende modernisering en centralisering van het beheer van Justitie naar
VWS. Maar ook voor de scheepsofficieren geldt dat veranderingen hebben
plaatsgevonden, terwijl het tuchtrecht voor accountants op dit moment aan een grondige
wijziging wordt onderworpen. Wellicht wordt het Centraal Tuchtcollege groot genoeg
7 Zeker niet in het licht van de hoge verwachtingen omtrent het uniforme tuchtprocesrecht in de toekomst van het kabinet. Of geldt de uitzondering hiervoor wellicht niet? Ook op dit punt is de kabinetsreactie niet duidelijk.
geacht zijn eigen organisatie te behouden, maar dat zou ook gelden voor het Hof van
Discipline. De argumentatie om het Centraal Tuchtcollege buiten de operatie te houden
lijkt dan ook willekeurig.
Of is de onuitgesproken gedachte dat de inbreng van een goed lopend appelcollege als
het Hof van Discipline noodzakelijk is om eventuele problemen van de kleine
appelgerechten op te lossen? Zo ja, dan zou de onderbouwing wel erg zwak en
oneigenlijk zijn.
Om misverstanden te voorkomen: hier wordt niet bepleit dat de uitgezonderde sectoren
alsnog moeten “meedoen”. Hier wordt slechts gewezen op de inconsequenties in de
redenering van het kabinet.
9. Gewenste verbetering tuchtrechtspraak advocatuur
Er zijn, zeker waar het gaat om het advocatentuchtrecht, geen grote inhoudelijke
problemen gediagnosticeerd, noch door de commissie Van Wijmen, noch in het
kabinetsstandpunt naar aanleiding daarvan en ook niet door de werkgroep Huls. Voor
welk probleem de structurele ingreep een oplossing zou moeten zijn, is en blijft dus
duister.
Dat neemt niet weg dat er wel degelijk verbeteringen wenselijk zijn, met name in de
administratieve positie van de tuchtcolleges, zowel in eerste instantie als hoger beroep.
De problemen waar in de praktijk mee wordt geworsteld, vloeien vooral voort uit twee
fenomenen: (a) er bestaat onduidelijkheid bij veel burgers over wat ze wel en niet van
een tuchtuitspraak mogen verwachten en (b) er bestaat bij de gerechten in eerste aanleg
een praktijk waarin - ondanks het duidelijke onderscheid dat de wet kent tussen de
juridische posities van de rechtbank en de raad van discipline die bij de rechtbank
“inwoont” - de geldstromen ervan onvoldoende gescheiden blijven. Dit leidt regelmatig
tot administratieve onduidelijkheid en als niet helder ervaren bevoegdheden.
Ad (a) Dit probleem is onderkend door de commissie Van Wijmen en de werkgroep
Huls. In het kabinetsstandpunt op beide rapporten zijn daar maatregelen ter verbetering
aangekondigd. Voor de advocatuur is daarbij een cruciale taak weggelegd voor de
dekens. De Orde is volop bezig met de uitwerking en implementatie van maatregelen op
dit terrein.
Ad (b) Dit probleem vraagt om een oplossing die is gelegen in verbetering van de
administratieve afspraken tussen de betrokken ministeries (Justitie en de overige
moederdepartementen van de sectoren), de tuchtcolleges, de beroepsgroepen en zonodig
de Raad voor de rechtspraak. Waar nodig zullen de afspraken kunnen leiden tot
wijzigingen in de (al of niet wettelijke) voorschriften voor de administratieve
organisatie. Maar een dergelijke benadering kan blijven uitgaan van de huidige
zelfstandigheid van de wettelijk geregelde tuchtcolleges en vermijdt dus de grote
principiele en praktische bezwaren en ongewenste consequenties van het
kabinetsvoorstel, dat de administratieve onhelderheid lijkt te willen oplossen door alles
maar onder een bestaand gerecht te brengen. Ook de bijdrage van de Orde aan de
financiering van de tuchtcolleges kan dan blijven. Aan een nader overleg over de
uitwerking van een dergelijke oplossing, die zuiverder en praktischer is en veel minder
weerstand zal oproepen, zullen zowel de Orde als de tuchtcolleges graag willen
meewerken.
12
Tuchtrechter kan direct ingrijpen bij advocaat en notaris
dinsdag 27 november 2007
Bron: Ministerraad
De tuchtrechter kan voortaan onmiddellijk ingrijpen bij advocaten en notarissen waarvan het ernstige vermoeden bestaat dat zij beroepsmatig ontsporen. De ministerraad heeft op voorstel van staatssecretaris Albayrak van Justitie ingestemd met een daartoe strekkende spoedwet. De tuchtrechter krijgt hierdoor de bevoegdheid om direct maatregelen te treffen in afwachting van de uitkomst van de 'gewone' tuchtprocedure. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk om spoedheidshalve tuchtrechtelijk op te treden tegen advocaten en notarissen waarvan een ernstig vermoeden bestaat dat zij beroepsmatig ontsporen of dreigen te ontsporen. Doel is dat deze advocaten en notarissen hun vermeende kwalijke praktijken niet kunnen voortzetten zolang er nog geen definitieve uitspraak is gedaan in de tuchtprocedure. Daarmee geeft het kabinet invulling aan een motie van het Tweede Kamerlid Wolfsen. Met de spoedwet worden zowel de Advocatenwet als de Wet op het Notarisambt aangepast.
In de Advocatenwet komt een spoedvoorziening voor gevallen waar het vermoeden is gerezen dat de advocaat het in de Advocatenwet beschreven beschermd belang ernstig schaadt of dreigt te schaden. Het moet hierbij gaan om gevallen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig of in de kwaliteit van de advocatuur ernstig in gedrang is. Te denken valt aan de situatie dat een advocaat banden onderhoudt met criminele organisaties of misbruik maakt van zijn wettelijke privileges. De situatie moet zodanig zijn dat deze onmiddellijk ingrijpen vergt. Om in te kunnen grijpen moet er een klacht zijn ingediend tegen de advocaat of er moet sprake zijn van bezwaren tegen de advocaat waarvan de deken ambtshalve op de hoogte is geraakt. De beoordeling ligt in eerste instantie bij de deken en vervolgens bij de raad van discipline. Behalve schorsing in de uitoefening van de praktijk kan ook een voorlopige voorziening met betrekking tot de praktijkuitoefening worden getroffen. Daarbij kan worden gedacht aan de mogelijkheid dat de betrokken advocaat zijn werkzaamheden tijdelijk onder het toezicht van een andere advocaat verricht of dat bepaalde dossiers aan een andere advocaat worden overgedragen.
De Wet op het Notarisambt maakt nu al mogelijk dat de tuchtrechter ingrijpt voordat de 'normale' tuchtprocedure is afgerond. Daarvoor moet aan elk van de volgende drie voorwaarden zijn voldaan: Er moet een klacht zijn van zeer ernstige aard; er moet een kennelijk gevaar bestaan voor de benadeling van derden en de voorzitter van de kamer van toezicht moet een ernstig vermoeden hebben van de gegrondheid van de klacht. In de praktijk leiden deze drie cumulatieve voorwaarden slechts zelden tot een spoedheidshalve opgelegde tuchtrechtelijke maatregel. Belangrijke oorzaak is dat de wet op dit moment alleen de mogelijkheid biedt van het met onmiddellijke ingang schorsen van notarissen, terwijl het tijdelijk schorsen soms te ver zou voeren. In die gevallen kan het bijvoorbeeld wel wenselijk zijn om de notaris bepaalde werkzaamheden tijdelijk onder het toezicht van een andere notaris te laten verrichten. Daarnaast vormen de cumulatief gestelde vereisten in de praktijk vaak een te hoge drempel voor onmiddellijk optreden tegen notarissen.
Met de voorgestelde aanpassing van de wet wordt de mogelijkheid ingevoerd tot het spoedshalve treffen van (andere) voorlopige voorzieningen dan schorsing. Voorts gelden de drie eerder genoemde voorwaarden voor onmiddellijk ingrijpen niet langer cumulatief. Voor het onmiddellijk kunnen ingrijpen is het voldoende dat er sprake is van ofwel een klacht tegen een notaris van zeer ernstige aard, ofwel dat er sprake is van kennelijk gevaar voor benadeling van derden. In beide gevallen is vereist dat de voorzitter van de kamer van toezicht een ernstig vermoeden heeft ten aanzien van de gegrondheid ervan.
De ministerraad heeft ermee ingestemd dat het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State zal worden gezonden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden pas openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer.
Steur tegen Nederland: vrijheid van verdediging
Nederlandse tuchtrechter te streng
Taru Spronken
advocaat en hoogleraar Verdediging in strafzaken
te Maastricht
Bron: Advocatenblad 4
12 maart 2004
Wat zijn de grenzen van de vrijheid van meningsuiting van de advocaat?
De Nederlandse tuchtrechter trekt die te nauw, besliste afgelopen najaar het EHRM in de zaak-Steur. Als een advocaat ter zitting een beschuldiging uit, hoeft die niet bij voorbaat te worden onderbouwd door objectieve
feiten of omstandigheden; de tuchtrechter dient inzake de vrijheid van verdediging marginaal te toetsen, en de bewijslast voor de juistheid van een bewering mag niet volledig op de advocaat worden gelegd.
Op 28 oktober 2003 deed het EHRM uitspraak in de zaak-Steur tegen Nederland.1
Mr. Steur, een Nederlandse advocaat, was disciplinair tot de orde geroepen omdat hij gesteld had dat een sociaal rechercheur tijdens het verhoor van zijn cliënt, toen deze
verdacht werd van steunfraude, ongeoorloofde druk had uitgeoefend. Tevens had hij gemeld dat in het proces-verbaal van het verhoor was opgenomen dat de verdachte dit had gelezen en ondertekend, terwijl dit buiten de aanwezigheid van een tolk was gebeurd en de verdachte nauwelijks kon lezen en schrijven. De tuchtrechter was van
oordeel dat hij zijn opmerkingen over ontoelaatbare druk onvoldoende had onderzocht op feitelijke juistheid en deze dus niet had mogen maken.
2. Dhr. Steur diende een
klacht in bij het EHRM waarin hij stelde dat zijn vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM in de procedure waarin hij
zijn cliënt verdedigde was geschonden. Het EHRM acht de klacht gegrond en besteedt bijzondere aandacht aan de vrijheid van meningsuiting in de context van de goede beroepsuitoefening van de advocaat.
BESCHULDIGING
Aan de zaak-Steur lag het volgende feiten-
complex ten grondslag. B., van Surinaamse
afkomst, werd vervolgd wegens steunfraude.
In dit kader werd hij verhoord door een soci-
aal rechercheur W. Daarnaast werd tegen B.
ook een civiele procedure ingesteld waarin
van hem de ten onrechte verkregen uitke-
ring werd teruggevorderd. B. werd in beide
procedures bijgestaan door mr. Steur. In de
civiele procedure werd als bewijs de verkla-
ri ng van B. tegenover de sociaal rechercheur
W. gebruikt. Ten aanzien van deze verklaring
had Steur in zijn schriftelijke conclusie voor
de Rechtbank Den Haag naar voren gebracht
dat deze verklaring was verkregen onder
ongeoorloofde druk en dat B. de strekking
hiervan onvoldoende had kunnen begrijpen
wegens het ontbreken van een tolk bij zijn
verhoor. De sociaal rechercheur vernam een
jaar later wat mr. Steur in zijn pleitnota had
gesteld en diende een klacht tegen hem in bij
de Raad van Discipline. Hij zou jegens hem
de grenzen van betamelijkheid hebben over-
schreden en zou hebben geïnsinueerd dat hij
een vals ambtsedig proces-verbaal had opge-
maakt.
Door de Raad van Discipline werd de
klacht dat mr. Steur W. zou hebben beschul-
digd van het meinedig opmaken van een
proces-verbaal afgewezen. Wel oordeelde de
Raad van Discipline dat dhr. Steur de gren-
zen van het toelaatbare had overschreden
door W. te beschuldigen van het uitoefenen
van ongeoorloofde pressie op B., zonder dat
dit door feiten werd onderbouwd. De klacht
van W. werd gedeeltelijk gegrond verklaard,
echter zonder oplegging van een tuchtrech-
telijke maatregel.
Mr. Steur stelde beroep in bij het Hof van
Discipline en beriep zich op een (latere, ech-
ter afgelegd ruim voordat de klacht werd
ingediend) verklaring van B. tegenover de
rechter-commissaris, waaruit blijkt dat B.
tegenover de rechter-commissaris had
geklaagd over het uitoefenen van druk tij-
dens zijn verhoor door W. De advocaat stelde
dat hem de vrijheid toekwam in het kader
van de verdediging van zijn cliënt te conclu-
deren dat op zijn cliënt ongeoorloofde druk
was uitgeoefend en dat het aan de zittings-
rechter was om te beoordelen of hier vol-
doende bewijs voor was en niet aan de tuch-
trechter.
|
Het Hof van Discipline verwierp
echter het beroep van de advocaat omdat zijn beschuldigingen aan het adres van W., op het moment dat hij deze uitte, onvoldoende
door feiten waren onderbouwd en bevestig-
de het oordeel van de Raad van Discipline.
Het EHRM concludeert dat in casu -
ondanks de omstandigheid dat er geen dis-
ciplinaire maatregel is opgelegd - sprake is
van een ongeoorloofde inmenging in de vrij-
heid van meningsuiting. Dat mr. Steur op
basis van de informatie van zijn cliënt zijn
beschuldigingen uit, zonder nader te hebben
onderzocht of hiervoor in andere objectieve
feiten of omstandigheden steun kan worden
gevonden, kan volgens het EHRM op zich-
zelf niet als ongeoorloofd worden be-
schouwd. Het EHRM verwijt de Nederlandse
tuchtrechtelijke instanties dat zij niet eens
hebben onderzocht of de stelling van Steur
al dan niet op waarheid berustte en zich ook
niet de vraag hebben gesteld of de beschuldi
ging van de advocaat aan het adres van W. al dan niet te goeder trouw was gedaan.
VIER UITGANGSPUNTEN
Bij de beoordeling van de klacht wordt door-
liet EHRM herhaaldelijk teruggegrepen naar
de zaak Nikula tegen Finland3 die betrek-
king had op een strafrechtelijke vervolging
wegens laster van een advocate die bij de verdediging van een cliënt in een strafzaak het Openbaar Ministerie had beschuldigd van
misbruik van bevoegdheid. Een andere rele-
vante zaak is de zaak Schöpfer tegen
Zwitserland^, waarin een advocaat tuch-
trechtelijk werd gestraft voor het uiten van
felle kritiek in de pers op onrechtmatige
praktijken van de justitiële instanties.5
De algemene uitgangspunten die het
EHRM in deze uitspraken bij de vrijheid van
verdediging hanteert zijn:
van advocaten mag verlangd worden dat
zij zich eerlijk, discreet en waardig
gedragen gelet op de exclusieve privileges
en de bijzondere positie die advocaten
binnen de rechtspleging genieten,
waaronder een grote vrijheid zich in de
rechtszaal te uiten. In dit verband mogen
aan advocaten zekere restricties worden
opgelegd met het oog op het belang van
het vertrouwen in de rechtspleging en het
respect voor de rechterlijke autoriteiten.
Daarbij moet een evenwicht worden
gevonden tussen het recht van het publiek
op informatie, de vereisten van een goede
rechtspleging en de waardigheid van het
juridische beroep;
*¦ de positie van een verdachte ten opzichte
van een officier van Justitie rechtvaardigt
een grotere bescherming van kritische
uitlatingen ten opzichte van de officier
van Justitie dan indien het om
willekeurige burgers gaat; in de zaak-
Steur verbreedt het EHRM deze
Alken al de dreiging van vervolging voor zijn
uitlatingen is volgens het EHRM moeilijk
verenigbaar met de functie en depositie van de advocaat bij de verdediging van een cliënt
bescherming tot kritische uitlatingen ten
opzichte van 'civil servants in relation to
private individuals';
het is hierbij wel van belang dat de
uitlatingen betrekking hebben op
concrete handelingen van betrokken
justitiële ambtenaren en niet op hun
professionele functioneren in zijn
algemeenheid of op de persoon zelf;
»• het maakt ook uit of de uitlatingen zijn
gedaan tijdens een zitting of daarbuiten.
Als het gaat om uitlatingen in de media is
het EHRM kritischer ten aanzien van de
geoorloofdheid ervan, zoals bijvoorbeeld
blijkt uit de hierboven genoemde zaak
van Schöpfer tegen Zwitserland, waarin
het hof disciplinaire maatregelen tegen de
advocaat Schöpfer, die nog voordat de
zaak op zitting was geweest in de media
forse kritiek had geuit op de justitiële
instanties, wel geoorloofd achtte.
CHILLING EFFECT
Een zwaarwegende factor is voor het EHRM
het 'chilling' effect van een mogelijke straf-
rechtelijke vervolging zoals in de zaalc-
Nikula - en na Steur dus ook een tuchtrech-
telijke vervolging- op de professionele ver-
plichtingen van een advocaat om zijn cliënt
op een adequate en partijdige wijze bij te
staan. Alleen al de dreiging van een dergelij-
ke vervolging is volgens het EHRM moeilijk
verenigbaar met de functie en de positie die
de advocaat dient te vervullen bij het verde-
digen van een cliënt, waarbij hij niet voort-
durend de vrees moet hebben dat hij in ver-
band met hetgeen hij naar voren brengt
strafrechtelijk of tuchtrechtelijk kan worden
vervolgd. Daarbij maakt het niet uit of er
daadwerkelijk een strafrechtelijke of tucht-
rechtelijk sanctie wordt opgelegd: 'The
Court acknowledges that no sanction was
imposed on the applicant - not even the
lightest sanction, a mere admonition.
Nonetheless, the applicant was censured,
that is, he was formally found at fault in that
he had violated the applicable professional
standards. This could have a discouraging
effect on the applicant, in the sense that he
might feel restricted in his choice of factual
and legal arguments when defending his
clients in future cases.'6
|
FAIR TRIAL EN NEDERLANDSE TUCH-
TRECHTSPRAAK
In de Nederlandse tuchtrechtspraak is het
algemeen aanvaard dat een advocaat in een strafzaak een grote vrijheid dient te hebben om de verdediging naar eigen inzicht te voeren en dat het de raadsman vrij staat allesnaar voren te brengen wat hem in het kader van de verdediging dienstig voorkomt. Dat neemt niet weg dat de raadsman zich niet schuldig mag maken aan belediging of een ander strafbaar feit. Een vervolging van de raadsman zal niet zo snel plaatsvinden omdat men wil voorkomen dat de indruk wordt gewekt dat het OM misbruik maakt van zijn bevoegdheid. Dit geldt ook voor het publiekelijk bekritiseren van justitiële
instanties. In dergelijke gevallen wordt door de tuchtrechter niet snel aangenomen dat de advocaat de grenzen van het toelaatbare
De Nederlandse tuchtrechter is te streng
aïs het gaat om de verificatieplicht van
de raadsman van hetgeen hij op de zitting
ter verdediging aanvoert
overschrijdt, mits hij maar kan motiveren
dat zijn kritiek enige feitelijke grondslag
heeft7
De uitspraak in de zaak-Steur maakt ech-
ter duidelijk dat de Nederlandse tuchtrech-
ter te streng is als het gaat om de verificatieplicht van de raadsman van hetgeen hij in
een procedure ter verdediging aanvoert. De benadering van het EHRM komt erop neer dat een beschuldiging zoals door mr. Steur gedaan niet bij voorbaat hoeft te worden onderbouwd door objectieve feiten of omstandigheden en dat de tuchtrechter, als het gaat om de vrijheid van verdediging, der-
gelijke uitlatingen marginaal dient te toet-
sen, waarbij de bewijslast voor de juistheid
van een bewering niet volledig op de advo-
caat mag worden gelegd. Want: 'an interfe
rence with counsel's freedom of expression in the course of a trial might raise an issue under Article 6 of the Convention with
regard to the right of an accused client to
receive a fair trial.'8 •
NOTEN
1 EHRM 28 oktober 2003,^.39657/98.
2 De tuchtrechtelijke uitspraken waarop de klacht betrekking heeft zijn niet gepubliceerd.
Het betreft de uitspraak van de RvD 's-Gravenhage 1 juli 1996, nr.R 1022/95. m die door het Hof van Discipline op 26 mei 1997 volledig is bekrachtigd.
3 EHRM 21 maart 2002, nr. 31611/9S.
4 EHRM 20 mei 1998, Reports 1998-II.
5 Verder kunnen nog worden genoemd: de zaak Ezelin tegen Frankrijk (EHRM 26 april 2004,
Series A 202) betreffende een advocaat die tuchtrechtelijk wordt gestraft voor de deelname aan een politieke demonstratie waarin zich ongeregeldhe-
den hebben voorgedaan, waarvan de advocaat zich niet had gedistantieerd. Dit getuigde volgens de Franse autoriteiten van een gebrek aan respect voor de justitiële autoriteiten. Het EHRM overwoog dat gedragsregels advocaten weliswaar kun-
nen voorschrijven dat zij respect moeten tonen voor de gerechtelijke autoriteiten, maar vindt een tuchtrechtelijke bestraffing in deze zaak in strijd met het recht op vrijheid en vergadering van art. 11EVRM. Eveneens relevant is de zaak-Casado de
Coca, EHRM 24 februari 1994, NJ 1994,518, waarin het EHRM naar aanleiding van een reclameverbod voor advocaten overweegt dat dit verbod is bedoeld om de belangen van het publiek te beschermen en tegelijkertijd het respect voor advo-
caten te garanderen en dat een dergelijk verbod - gelet op de grote beleidsvrijheid die lidstaten in dit verband toekomt-niet in strijd is met art. 10 EVRM.
6 S 29 in de zaak-Steur.
7 Zie voor een overzicht van de tuchtrechtspraak op dit gebied: Ties Prakken en Taru Spronken (red.)
Handboek Verdediging, Kluwer Deventer 2003,
p. 323-326 en p. 343-345.
8 § 37 in de zaak Steur.
|
|